door John Nerbonne
april 2005
JN: Hermann, de aanleiding voor dit interview is het feit dat jij volgens
de tellingen van de faculteit de meest productieve wetenschapper
in de taalkunde was over de laatste jaren (1998-2003). We weten dat
dit soort tellingen altijd iets willekeurigs aanhechten, maar de ervaring
leert dat alternatieve manieren van tellen geen reusachtige
verschuivingen veroorzaken. Je hebt dus hoe dan ook geteld
een productieve periode gehad!
HN: We doen ons best.
Tot zijn emeritaat was Werner Abraham steeds de taalkundige met de
grootste Schreibwut. Jij neemt de mantel van hem over, en misschien is
het geen toeval dat het een en andere jou en Werner bindt. Jullie zijn beide
gespecialiseerd in Taalvariatie en taalverandering
(een van de zes CLCG
groepen) en jullie onderzoeken allebei o.a. het Duits. Is er zoveel
over Duitse dialecten en de geschiedenis van het Duits te vertellen?
Ik zou het woord 'Schreibwut' liever niet gebruiken. Werner Abraham is
gewoon een man die overloopt van ideeën en deze weet uit te werken en te
verwoorden. Ook in dat kader zie ik me niet als een 'opvolger' van Werner; ik
blijf dus bij mijn eigen jasje. En ik houd me ook niet primair bezig met de
Duitse dialecten en de geschiedenis van het Duits. De centrale punten van
mijn onderzoek liggen op de terreinen van de geschiedenis van het
Nedersaksisch (en het Nederduits) met daarnaast de dialectologie (of
areaallinguïstiek) in bredere zin. En daar is het laatste woord nog niet over
gezegd, integendeel.
Wat zijn jouw actuele projecten? En jouw doelen voor de komende periode?
Op dit moment ben ik bezig -- samen met mijn mede-auteur Jürgen Macha
(Münster) -- ons handboek "Einleitung in die Dialektologie des Deutschen" voor
een tweede druk te actualiseren en uit te breiden. Verder probeer ik via
allerlei detailonderzoekingen een scherper beeld te krijgen van de
taalgeschiedenis van Noord- en Oost-Nederland (en aangrenzende gebieden). Wat
mij in het bijzonder interesseert is, hoe Oost-Nederland vanaf de
Middeleeuwen taalkundig wordt ingebed in het Nederlandse cultuurgebied. Het
verbaast me nog steeds dat in de neerlandistiek het Oost-Nederlands
gewoonlijk klakkeloos tot het Nederlands wordt gerekend, terwijl het
taalkundig toch echt in een Nederduitse samenhang gezien moet worden.
Weliswaar neemt de invloed van de Nederlandse schrijftaal vanaf de Vroege
Nieuwe Tijd ook hier geleidelijk toe, maar wat de spreektaal betreft is de
Duits/Nederlandse staatsgrens pas in de loop van de 20ste eeuw ook een
taalgrens geworden. Het uiteindelijke doel van mijn onderzoek is te komen tot
een monografie over de taalgeschiedenis van Noordoost-Nederland. Verder hoop
ik binnenkort met een groot aantal collega's uit binnen- en buitenland een
Handboek Nedersaksische taal- en letterkunde uit te brengen.
Je bent ook zeer actief in redacties en zelfs in politieke kwesties over
de status van regionale talen en minderheidstalen. Hoe deel je je tijd tussen
al deze activiteiten?
Dit hoort gewoon "bij het baantje". Ik probeer simpelweg contact te houden
met collega's en de ontwikkelingen op mijn gebied te volgen, en als
redacteur, ook mee te sturen. Daarbij voel ik me in eerste plaats
wetenschapper; een 'taalbeweger' ben ik niet en wil ik ook niet zijn.
Is Nedersaksisch Gronings plus Drents, of is er meer? En wat betekent
het dat Nedersaksisch een erkende regionale taal is?
Het 'Nedersaksisch' is een overkoepelende benaming voor een verzameling
van historisch gezien Nederduitse maar in de loop der eeuwen steeds meer door
de Nederlandse cultuurtaal beïnvloede dialecten. Zij worden gesproken (en
geschreven) in Groningen, Drenthe, Overijssel, grote delen van Gelderland en
de Friese Stellingwerven. Ze maken deel uit van een groter
Nederlands-Nederduits dialectcontinuüm dat zich uitstrekt tot de Duitse
oostgrens. In de praktijk wordt het werkterrein van het Nedersaksisch
Instituut afgebakend door de twee rivieren de Lauwers in het westen en de
Wezer in het oosten.
Anders dan het Nederlands en het Fries kent het Nedersaksisch geen
overkoepelende en algemeen aanvaarde standaard. Juist daarom is het voor het
aanzien en het behoud van deze bundel van streektalen van groot belang dat
hij in het kader van het
Europees Handvest voor Regionale en
Minderheidstalen door de Nederlandse staat officieel erkend is als regionale
taal. Uiteraard blijft het een zaak van de sprekers zelf of het Nedersaksisch
ook een toekomstperspectief heeft.
De leerstoel Nedersaksisch is iets heel bijzonders in
Groningen, waar ook een leerstoel Fries aanwezig is, en een bijzondere
hoogleraarschap Gronings. Hoe komt Groningen tot zo'n trotse positie?
De RuG staat midden in de samenleving. Het is dan ook vanzelfsprekend dat
de taal, de geschiedenis en de cultuur van de regio, waarin deze universiteit
gepositioneerd is, tot haar onderzoeksterreinen behoren.
Steeds meer zien we algemene -- dus niet alleen wetenschappelijke --
belangstelling voor streektalen en lokale tradities. Heeft ook de
wetenschap baat bij deze ontwikkeling? De wetenschap streeft naar
het ontdekken van algemene organiserende principes. Staat dat niet
haaks op de fascinatie voor het zeer bijzondere aan een bepaalde
plaatselijke streektaal?
Natuurlijk streeft de wetenschap naar het ontdekken van algemene
organiserende principes. Maar de wetenschap hoort ook midden in de
samenleving te staan en hoort te reageren op ontwikkelingen binnen die
maatschappij. Als er op mijn terrein bredere 'niet-wetenschappelijke'
belangstelling bestaat voor waar wij mee bezig zijn, dan is dat ook onze
zaak. Wetenschap bepaalt hoe je iets doet, maar vragen en wensen vanuit de
maatschappij kunnen van invloed zijn op wat je doet. Wetenschap hoort niet
thuis in een ivoren toren.
Wat zou je tegen jonge wetenschappers zeggen die misschien
belangstelling voor dit gebied hebben?
Kom eens langs. Ik denk dat ik je wat te vertellen heb.