Literatuur, Paper, Referaat, Co-referaat , Slotwerkstuk
WATER OVERWELDIGT NEDERLAND
Vier dagbladen tijdens de watersnoodramp van 1953
Inleiding
In de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953 werd Nederland getroffen door de grootste ramp sinds eeuwen. Een grote depressie boven de Noordzee joeg een watermassa met een breedte van 1000 kilometer richting de Nederlandse kust, vergezeld van windstoten met orkaankracht. Het noodlot wilde dat het twee dagen eerder volle maan was – dit betekende dat de vloed van die nacht extra hoog zou zijn.
Zeelands dijken, die in een miserabele conditie verkeerden, begaven het al voordat de storm haar hoogste punt had bereikt. Op tientallen plaatsen bezweken dijken in Zuidwest Nederland onder de druk van de zee. Vele honderden mensen werden die nacht in hun slaap verrast door het aanstormende water, anderen stierven in de eenzame dagen na de ramp, terwijl ze tevergeefs wachtten op hulp.
De berichtgeving over de watersnoodramp kwam de eerste dagen van de ramp slecht op gang, enerzijds omdat het zondag was (!), anderszijds omdat de communicatie met de getroffen gebieden was verbroken. Zo werd pas aan het einde van de eerste rampdag duidelijk dat Schouwen-Duiveland ook zwaar getroffen is – alle verbindingen met het eiland waren weggevallen.
Hoewel de uiteindelijke omvang van de ramp pas na lange tijd tot de meeste mensen doordrong, was het snel duidelijk dat vele tienduizenden mensen getroffen waren. De Nederlandse kranten openden de eerste rampdagen op een wijze die ze bijna nooit eerder hadden gedaan: grote koppen, veel foto’s (voor die tijd) en zelfs extra edities. Er zijn echter verschillen te ontdekken in de berichtgeving van verschillende kranten tijdens de watersnoodramp.
In dit essay wordt de berichtgeving rond de watersnoodramp van vier
Nederlandse dagbladen met elkaar vergeleken, te weten De Volkskrant, het Algemeen
Handelsblad, de Provinciaal Zeeuwse Courant en De Telegraaf.
Eerst zal de ramp zelf behandeld worden: wat waren de oorzaken, hoe reageerden
autoriteiten, en de media? Ook zullen de eerste dagen chronologisch worden
behandeld. Vervolgens zullen de bovenstaande vier dagbladen kort behandeld
worden, vooraf gegaan door een korte beschouwing van de mediacultuur in de jaren
vijftig. Tenslotte zal ik verder ingaan op de onderzoeksvraag die ik in mijn
essay ga stellen.
Het verloop van de ramp
De middagvloed was op de middag voor de ramp al veel hoger dan normaal. Dit kwam voor Nederland niet als een verrassing: het KNMI hield de storm boven de Noordzee bezorgd in de gaten. "De depressie verwoestte eerst miljoenen bomen in Schotland, en begon toen een koers te volgen, die voor ons desastreus was," vertelde de toenmalige verantwoordelijke van het KNMI, K. Postma, in De Ramp: een reconstructie. "Toen de wind op de noordelijke Noordzee draaide naar het zuidwesten liep er een stormveld van duizend kilometer lengte, precies over het water, recht op onze kust af." Het KNMI waarschuwde via de radio voor ‘gevaarlijk hoog water’ en vaardigde een telegram uit, waarin de waterschappen gewaarschuwd worden. Helaas waren maar dertig van de vele tientallen waterschappen op dit telegram geabonneerd.
Die avond trok het water zich niet terug, zoals normaal bij eb het geval was. "Niet ebben, niet vloeien" is een vissersspreuk. Dit betekent dat als het water bij eb niet zakt, de vloed erna ook minder zal zijn. Voor deze nacht zou dit echter niet opgaan. Het water bleef tijdens die avond nog stijgen. Tegen twaalf uur stond het op veel plaatsen bijna aan de rand van de dijk, maar slechts enkele gemeenten sloegen alarm. De meeste dijkgraven en burgemeesters onderschatten het gevaar en gingen naar bed. Van een rampenplan en een dijkleger was geen sprake. En toen de autoriteiten het gevaar tenslotte inzagen overheerste de paniek.
Om drie uur in de ochtend braken de eerste dijken. Nog niet de hoge dijken aan de noord-westkusten van de eilanden, waar de golven tegenaan sloegen. Het waren de lagere, zwakkere dijken in het zuiden die de waterdruk niet langer aankonden. De ‘waakhoogte’ van deze wallen was soms wel anderhalve meter lager, omdat de golven daar niet zo hoog zouden kunnen oplopen – aldus redeneerde Rijkswaterstaat.
Terwijl de weinige dijkbewakers het buitenwater zagen zakken en dachten dat het ergste voorbij was, liepen achter hen de polders razendsnel onder. De slapende dorpjes en stadjes werden bestormd door een muur van water. In de chaos die ontstond verdronken honderden mensen in hun bedstee, tijdens pogingen om de dijken te versterken of weg te komen. Duizenden huizen stortten in onder het watergeweld, tienduizenden raakten zwaar beschadigd. Telefoon- en radioverbindindingen vielen weg omdat de electriciteit uitviel of omdat de leidingen wegspoelden. De storm woedde in alle hevigheid door, wat het spontane reddingswerk van dorpelingen bemoeilijkte. In het donker spelen zich vreselijke taferelen af. Een ooggetuige vertelt:
"In het donker ontwaarde ik in het kolkende water een stuk dak, waaraan een man met z’n vrouw en kinderen zich vastklampten. Ze riepen wanhopig om hulp. Een brandweercommandant en helper klommen op de bovenverdieping [van een schooltje, red.] en wierpen een touw naar ze uit. De man wist het te grijpen en liet zich naar de kant trekken. Maar door zijn plotselinge bewegingen begon het dak te kantelen. De vrouw en kinderen verloren hun houvast en verdwenen gillend in de golven, onder wrakhout. Ze kwamen niet meer boven."
Zondagochtend waren de grootste delen van Goeree – Overflakkee en Schouwen – Duiveland al ondergelopen. Het water daalde eventjes – het werd eb – en individuele reddingsacties kwamen nu op gang. Enkele vissers en dorpelingen trokken met bootjes het rampgebied in om drenkelingen te redden en op hogergelegen delen af te zetten. Grootscheepse reddingsacties waren nog niet aan de orde.
Omdat de nationale radiozenders ’s nachts uit de lucht gingen, werd nationaal pas om acht uur in de ochtend alarm geslagen. Autoriteiten waren de eerste dag nog onwetend of reageerden lamgeslagen. Over de rampgebieden werden maar een paar verkenningsvluchten uitgevoerd – enerzijds vanwege de harde wind, anderzijds omdat er op zondag een vliegverbod gold. Hoewel enkele autoriteiten de rand van het rampgebied bezochten, was de volle omvang van de ramp na een dag nog steeds niet doorgedrongen. Terwijl de enige Nederlandse helikopter een reddingsvlucht niet aandurfde, bereikte een Belgische Sabena-helikopter Zeeland wel. Omdat het vliegen tegen de harde wind in alle brandstof had verbruikt, was reddingswerk onmogelijk geworden.
Na de ochtend steeg het waterpeil opnieuw. Het water kwam die middag nog hoger dan het die nacht was geweest. Voor velen betekende die tweede vloed het einde. Veel huizen konden een tweede waterdruk niet meer aan en stortten in, de bewoners met zich meesleurend. Vaak tilde het water de daken gewoon van de muren, waarna degenen die zich op het dak bevonden losgleden en verdronken, of aan een drijvende tocht over de watermassa begonnen. Toen het tegen vijf uur donker werd, gingen duizenden mensen op daken, zolders, of dijken zonder hulp een tweede rampnacht in.
Op maandag 2 februari komt de hulpverlening eindelijk op gang. Op de eilanden waren het nog steeds vissers die reddingsacties ondernamen: zo schoot een vloot Urker vissers Schouwen – Duiveland te hulp. Die middag cirkelde het eerste verkenningsvliegtuig daar ook rond, en werden de eerste goederen en boten gedropt. Aan de rand van het rampgebied werd er al op lokaal initaitief geëvacueerd – in totaal zouden er de eerste week na de ramp 20 duizend mensen hun woonplaats moeten verlaten. De eerste Geallieerde troepen kwamen die avond aan in West-Nederland.
Zelfs op maandagavond werd de noodtoestand nog onderschat: er werd melding gemaakt van vijfhonderd slachtoffers, met het vermoeden dat het aantal nog met ‘enkele honderden’ zou kunnen oplopen. Vooral op Schouwen – Duiveland en Goeree – Overflakkee wachtten die dag nog vele slachtoffers tevergeefs op hulp, terwijl de vijfde vloed zich alweer aandiende. En De Bilt verwachtte sneeuwbuien met lichte vorst.
Op dinsdag 3 februari keerde het tij: met honderden boten kwamen hulpverleners de getroffen gebieden binnen. Particuliere initiatieven en reddingsacties werden overgedragen aan de autoriteiten – lokale bestuurders die tot bezinning waren geworden, overheidsfunctionerissen of militairen. Twee tegengestelde bewegingen kwamen op gang: de evacuatie van tienduizenden inwoners naar veilig gebied, en de toestroom van duizenden helpers richting het rampgebied. De coördinatie van de reddingsoperatie liet te wensen over. Er ontstond vaak frictie tussen lokale bestuurders, militairen en de particuliere redders die de operaties de eerste twee dagen hadden geleid. De grote toestroom van welwillende vrijwilligers zorgt voor een enorme bestuurlijke chaos.
Toch was de echte ramp dinsdagavond wel voorbij. De storm was uitgewoed, de wind matig tot zwak en het water kalm. Her en der zaten nog mensen geďsoleerd, maar er vielen geen dodelijke slachtoffers meer. Binnen enkele dagen was de evacuatie voltooid, en kon begonnen worden met het opmaken van de schade en het herstel van de dijken.
De economische schade is geschat op ruim anderhalf miljard gulden. Dat was toendertijd 8 procent van het nationale inkomen. Het verlies aan mensenlevens, huizen en landbouwgrond telt echter vele malen meer: in totaal verloren 1825 mensen het leven – waarvan eenderde een leeftijd had van onder de twintig jaar. Er stierven 200 duizend stuks vee. 133 Duizend hectare land liep volledig onder water, en nog eens 100 duizend hectare werd ernstig door het water aangetast. Er werden 4500 huizen en gebouwen verwoest, en veertigduizend beschadigd. De 20 duizend evacuees in de eerste week werden gevolgd door nog eens 80 duizend in de weken daarop.
De stormvloed werd in de eerste weken gevolgd door een tweede vloed, maar dan van geld en hulpgoederen. De Nederlandse bevolking doneerde zoveel, dat men bang was dat het onttrekken van zoveel geld aan andere uitgaven de Nederlandse economie zou verstoren. Ook uit het buitenland stroomden gulle gaven binnen – het bleek veel te veel te zijn: na twee weken raamde het Rode Kruis dat er voor 8 miljoen mensen aan kleren was verzameld, terwijl er in het hele rampgebied slechts 600 duizend mensen woonden.
In de nacht van 6 op 7 november 1953 werd het laatste van de ruim honderd
stroomgaten die waren ontstaan bij Ouwerkerk gedicht. De Ramp zorgde voor veel
veranderingen in het landschap van Zeeland, zo verdween het paard vrijwel van de
velden (verdronken) en werd vervangen door de tractor. De emotionele schade die
honderdduizenden mensen tot op de dag van vandaag met zich meedragen, is echter
een van de grootste gevolgen van de watersnood. De eerste februari is nog steeds
een dag van rouw in Zeeland.
De media
Media-cultuur in de Jaren Vijftig
"Tot het einde van de jaren vijftig is de Nederlandse pers in veel hoger mate aandeelhouder in de gevestigde politieke belangen van de Nederlandse orde geweest dan in overeenstemming was met de onafhankelijkheid die ze zichzelf toeschreef," noteerde journalistiek coryfee Henk Hofland al in 1957. Collega’s uit de journalistiek en wetenschappelijke wereld volgden hem in de jaren daarna; de journalist uit de jaren vijftig werd verweten ‘als knipmessen te buigen voor autoriteiten’, te lijden aan ‘tekort aan zelfstandigheid’ en ‘instrument te zijn van de heersende elite’.
En niet helemaal onterecht. Een aantal gevallen in deze periode onderschrijft dat journalistieke kritiek vaak ver te zoeken was – het belang van het volk en van de staat stond voorop, zelfcensuur was het gevolg. In de praktijk betekende dit vaak dat verslaggevers autoriteiten met teveel respect en vertrouwen benaderden.
De Greet Hofmans – affaire is hier een goed voorbeeld van: hoofdredacteuren van verschillende grote Nederlandse dagbladen spraken toen af terughoudend over de invloeden van de gebedsgenezeres op koningin Juliana te schrijven, om zo "het nog uit vele van zijn wonden bloedende land door een absurde koningskwestie in gevaar moest worden gebracht". Al in 1949 was een ‘gentlemen’s agreement’ ondertekend, waarin werd afgsproken dat over de vakanties van de koningin niet langer bericht zou worden.
Bovenstaand geval is een typerend – hoewel uitzonderlijk – geval van overheidsdruk op de pers tijdens de jaren vijftig. Het illustreert de crisis waarin de journalistiek zich in de eerste jaren na de oorlog bevond: zoekend naar een goede relatie met de overheid, en zoekend naar een eigen vorm. Paul Koedijk stelt in zijn artikel ‘Vrijheid in verantwoordelijkheid’ dat het functioneren van de pers gedeeltelijk werd bepaald door externe oorzaken, zoals de enorm toegenomen betekenis van de overheid en de noodzaak tot een politieke consensus over belangrijke maatschappelijke thema’s.
Ook tijdens de watersnoodramp 1953 viel de kritiekloze houding van de meeste verslaggevers op. Verslaggevers die in het rampgebied aankomen interviewen de plaatselijke autoriteiten (burgemeesters, dijkgraven) en publiceren hun ‘heldenverhalen’ klakkeloos. Zeeland werd volgens journalist Kees Slager afgeschilderd als "een land van leed en kerels". Over schuld wordt nauwelijks nagedacht, het officiële rampverslag van de regering wordt zonder morren geaccepteerd en hier en daar wordt zelfs openlijk tegen kritische vragenstellers geprotesteerd. Een hoofdredactioneel commentaar in de Provinciaal Zeeuwse Courant op 26 februari: "Waar zovelen in de dagen zichzelf wegcijferden en alles gaven voor anderen, zwijgt de kritiek. (…) Terecht."
Vier kranten
Gedurende de jaren vijftig was het journalistieke landschap verdeeld in verschillende stromingen en tegenstellingen. Behalve de verschillen in bereik (nationaal vs. regionaal), journalistieke karakter (quality-papers vs. popular papers) en tijdstip van verschijning (ochtend vs. avond) domineerden verschillende politieke- en religieuze stromingen. Ieder dagblad schreef voor een specifieker publiek. Voor mijn onderzoek richt ik mijn blik op vier dagbladen met een zeer uiteenlopend lezerspubliek: het katholieke dagblad De Volkskrant, de algemene, populaire Telegraaf met een breed publiek, de landelijke kaderkrant Het Algemeen Handelsblad (AH), en de grootste regionale krant van Zeeland, de Provinciale Zeeuwse Courant (PZC).
De Volkskrant
"Zeer veel inspanning en inzicht werden gevraagd bij het behandelen van de stormramp in februari,"
vermeldt de krant in haar jaarverslag. "We kunnen met trots verklaren dat onze krant in de voorste rijen stond van de bladen welke deze natuurramp (…) op waardige wijze hebben behandeld. (…) van de journalisten werd alles gevraagd wat ze maar konden geven." De Volkskrant had al op zondagmorgen vanuit een vliegtuig het rampgebied verkend.De Volkskrant is in de eerste jaren na de oorlog een goed voorbeeld van een richtingkrant – ‘een krant die zich openlijk bekend hebben tot een politiek of levensbeschouwelijk beginsel’. In dit geval was dat beide; van 1945 tot 1953 werd de stoel van de (staatkundig) hoofdredacteur ingenomen door C.P.M. Romme, die tevens katholiek fractieleider was in de Tweede Kamer. De redactie zag zich hierdoor beperkt in de publicatie van o.a. vergaard nieuws over kabinetsformaties. De onderkop van de krant, ‘Katholiek dagblad voor Nederland’, werd in het eerste deel van de jaren vijftig nog goed nageleefd.
Hoewel de krant als kwaliteitskrant te boek stond, bestond het lezerspubliek voor driekwart uit mensen die geen hogere opleiding dan ULO / vakonderwijs genoten hadden. Slechts één procent van de Volkskrantlezers had een universitaire achtergrond. Wel was het publiek voor het overgrote deel rooms-katholiek. Statistieken wijzen uit dat katholieken veel vaker voor een katholiek blad kiezen, dan leden van andere kerkgenootschappen voor een blad van eigen richting.
Algemeen Handelsblad
Na oprichting in 1828 verscheen het blad vanaf 1930 dagelijks voor een liberaal lezerspubliek. De krant had in 1955 een van de hoogste percentages aan academici in (16 procent, tegen 10 voor de Telegraaf, 7 voor Trouw, maar 19 voor NRC) en laagste percentages aan lezers met ‘slechts’ lager onderwijs (15 procent, tegen 23 voor de Telegraaf, 33 voor Trouw, maar 10 voor NRC).
Het AH was een liberale kwaliteitskrant, die verscheen voor een hoger opgeleid publiek. In 1964 integreerde het dagblad met de NRC tot de Nederlandse Dagbladunie. De oplages bleven echter dalen, zodat in 1970 werd besloten beide kranten samen te voegen tot NRC Handelsblad. Opmerkelijk is dat het Handelsblad tijdens de Watersnoodramp de Volkskrant volgde in het charteren van een vliegtuig.
De Telegraaf
"Een oude roep weerklinkt: De Telegraaf!" Onder dit motto rolde op 12 september 1949 de eerste na-oorlogse Telegraaf van de pers. In een intro van vijf kolommen stelt de redactie orde op zaken: "Weer stellen wij ons tot taak een krant te bieden, die godsdienstige belijdenissen en partijen eerbiedigend maar aan gene gebonden, het nieuws brengt, onafhankelijk van belangen en met als kenmerk: betrouwbaarheid." De Telegraaf was (en is) een krant die door een breed lezerspubliek wordt gelezen. Ter illustratie volgt hier een overzicht van de genoten opleiding van het Telegraaf-publiek in 1955*.
Lager onderwijs: 23 procent
ULO / Vakonderwijs: 35 procent
Middelbaar onderwijs: 15 procent
Universiteit: 10 procent
(Geen gezinshoofd: 17 procent)
Dat de krant zich niet bond aan godsdienstige belijdenisssen en partijen wilde niet zeggen dat ze volledig neutraal was. De Telegraaf kon in de jaren vijftig op grond van de inhoud van zijn commentaren rechts-conservatief worden genoemd. De selectie en presentatie van binnenlands-politiek nieuws werd hierdoor bepaald. Journalist Theo van Stegeren karakteriseert de krant in Intermediair verder als "krant met de minste consistentie en de meeste menselijke trekjes" . De meningen van de krant kunnen met de dag veranderen.
Anno 1953 stond de krant financieel nog wankel: in 1951 moest de krant nog van de ondergang gered worden door vijf grote financiers. Nadat Goedemans in 1952 het hoofdredacteurschap op zich nam richtte de Telegraaf zich op. Dik tien jaar later is De Telegraaf de grootste krant van Nederland.
De Provinciale Zeeuwse Courant
De Provinciale Zeeuwse Courant is al vele tientallen jaren de grootste krant in Zeeland. Het dagblad kan volgens het eigen redactiestatuur beschouwd worden als onafhankelijk:
"Het redactionele beleid gaat ervan uit dat in Nederland de parlementaire democratie onverkort dient te functioneren. Op basis van dit uitgangspunt wordt een onafhankelijk, niet partijgebonden standpunt ingenomen. In het bijzonder bij eigen nieuwsgaring en verslaggeving wordt rekening gehouden met het bestaan van verschillende levensbeschouwelijke, politieke en culturele opvattingen en stromingen."
Het onafhankelijke beleid kwam in de loop van jaren meermalen onder druk te staan, omdat de PZC veel andere regionale kranten (waaronder de Middelburgse Courant en de Vlissingse Courant) die wel ‘gekleurd’ waren, in zich opnam. In de vele onderhandelingen is de redactie strak achter dit grondbeginsel blijven staan.
Specifiek aan het lezerspubliek van de PZC is niet de godsdienst, politieke achtergrond of opleidingsniveau, maar het verspreidingsgebied: de krant schrijft specifiek voor Zeeuwen. In februari 1953 loopt als gevolg van de overstroming in Vlissingen de drukkerij van de PZC onder. Met de hulp van het Zeeuwsch Dagblad te Goes kan maandag toch een nooduitgave gedrukt worden.
Het onderzoek
Er zijn vier kranten geselecteerd. Het grote verschil tussen deze vier dagbladen is het lezerspubliek waarvoor de Volkskrant (katholieken), het AH (hoger opgeleiden), de Telegraaf (het brede publiek) en de PZC (Zeeuwen) schrijven. Dit moet een verschillende berichtgeving hebben opgeleverd. Op welke wijze komen de verschillen in lezerspubliek tot uiting in de edities van de eerste vijf rampdagen van de watersnoodramp 1953?
Richt de PZC zich meer op Zeeland dan op op heel West-Nederland? Heeft de Zeeuwse krant meer eigen nieuwsberichten dan de landelijke kranten? Bericht de Volkskrant meer over de eigen, katholieke gemeenschap en benadert het Algemeen Handelsblad de ramp afstandelijker dan de emotionele Telegraaf? Hoe gaan de verschillende kranten om met de schuldvraag – wordt hij gesteld, en bij wie wordt hij dan neergelegd? Hoeveel pagina’s besteedt elk dagblad aan de ramp? Het zijn slechts enkele voorbeelden van deelvragen die bij dit onderzoek gesteld kunnen worden.
Van ieder dagblad worden de eerste vijf edities na de ramp onder de loep genomen. Gekeken wordt naar verschillende facetten van de krant, zoals bronnen, genres, koppen, foto’s, de hoeveelheid aan artikelen, het organiseren van inzamelacties, de mate van kritiek die kranten leveren (indien er kritiek geleverd wordt), etcetera.
Het resultaat zal uitwijzen dat als de bovenstaande aspecten van de
berichtgeving onderzocht worden, er verschillen zullen ontstaan tussen de
verschillende kranten. Het is voorbarig om nu al een lijstje van vaste
deelvragen op te stellen, aangezien ik nog niet ben toegekomen aan het onderzoek
van de dagbladnummers zelf.
Conclusie
De watersnoodramp in 1953 is de grootste natuurramp die Nederland de afgelopen eeuwen trof. In Zeeland zijn de littekens van die eerste februaridagen nog steeds niet verdwenen. Vele honderdduizenden Nederlanders volgden het nieuws in deze dagen angstiger of gretiger dan ooit. De berichtgeving van de kranten – de belangrijkste media in de jaren vijftig – speelde een grote rol in de beleving van Nederlanders van deze ramp.
Dit maakt het interessant om de verschillen in berichtgeving van vier qua lezerspubliek uiteenlopende dagbladen eens onder de loep te nemen. Zeker als dit onderzoek in de context van de overige journalistieke essays over rampenverslaggeving wordt gezet. Zodoende kan de ontwikkeling van de journalistieke conventie rond de behandeling van rampen tussen 1883 en 2000 hopelijk goed in kaart worden gebracht.
Literatuurlijst
Antonisse, Rinus en Ben jansen, Zeeland uit de krant. 225 jaar PZC (Middelburg 1983) 2.
Hemels, Joan, De emancipatie van een dagblad. Geschiedenis van de volkskrant (Baarn 1981) 320.
Koedijk, Paul,‘Vrijheid in verantwoordelijkheid’ in: Een stille revolutie? Cultuur en mentaliteit in de lange jaren vijftig (Hilversum 1997) 211-2
Plasse, J. van de, 'Een eeuw Telegraaf deel 1' in: De journalist (1992) p. 26-30
Plasse, J. van de, 'Een eeuw Telegraaf deel 2' in: De journalist (1992) p. 26-29
Rijkswaterstaat, Verslag over de stormvloed 1953 (Den Haag 1961) 1.0.7 – 2.3.3.
Rooij, M., Kranten. Dagbladpers een maatschappij (Amsterdam 1974) 125.
Rosenthal, U., Rampen, rellen, gijzelingen. Crisisbesluitvorming in Nederland (Amsterdam 1984) 104.
Slager, Kees, ‘De watersnoodramp van 1953’ in: Groniek 32 (1999) 379
Slager, Kees, De ramp: een reconstructie (Goes, 1992) 19.
Stegeren, van Th. 'De
grillige Telegraaf : het grootste dagblad van Nederland is onvoorspelbaar, opportunistisch en menselijk.' In: Intermediair 28 (1992), p. 23-29Strijd tegen het Water,
http://www.rad.nl