Literatuur, Paper, Referaat, Co-referaat , Slotwerkstuk
De ontploffing van een buskruitfabriek
Een onderzoek naar de berichtgeving over de ontploffing van buskruitfabriek de Krijgsman op 19 januari 1883 in Muiden.
Inleiding.
Op 19 januari 1883 werd Muiden opgeschrikt door een groot aantal ontploffingen. Buskruitfabriek de Krijgsman vlak bij het stadje gelegen, was in de lucht gevlogen. De ramp bij de fabriek trof ook Muiden. Een aanzienlijk deel van het plaatsje werd verwoest en personeelsleden van de fabriek raakten gewond of kwamen om het leven. Een enkele inwoner van Muiden overleed van de schrik door de ontploffingen.
Kapitein van de artillerie C. G. Polvliet was in die tijd belast met het overnemen en verzenden van buskruit van de buskruitfabriek naar het departement van Oorlog. In zijn verslag over de ramp schreef hij: ,,al kenden wij de oorzaak, zoo vermoeden wij dat zij ons niet veel wijzer zoude maken. Buskruit is eene grillige stof.’’ In Polvliets beschrijving van de ramp blijft de schuldvraag achterwege, het ‘zoude tot niets leiden’. Voor Polvliet leek het niet van belang wie of wat de oorzaak van de ramp was geweest. Daarbij speelde voor hem ook een rol dat de drie werknemers die in de ruimte aanwezig waren waar de eerste ontploffing plaats vond, om het leven waren gekomen.
Je kunt je afvragen of de schuldvraag na de ramp bij de Krijgsman überhaupt een rol speelde. Het was niet de eerste keer dat er iets ontplofte op het terrein van de buskruitfabriek bij Muiden. De meeste mensen waren op de hoogte van de risico’s die het maken van buskruit met zich mee bracht. De ramp die de fabriek en het stadje in 1883 troffen was waarschijnlijk vooral een bevestiging van het ontploffingsgevaar van de Krijgsman. Na de ramp schreef het weekblad Wereldkroniek: ,,Onzes inziens is ‘t ergste van het geval, dat men hoogstwaarschijnlijk de oorzaak wel nimmer ontdekken zal en er dus uit deze ramp niets te leeren valt, dan dat degenen die dag aan dag in en om een soortgelijke fabriek moeten verkeeren, steeds in levensgevaar zijn.’’ Het weekblad leek zich meer bezig te houden met de gevolgen van de ramp en de conclusies die er aan verbonden moesten worden, dan met de oorzaak van de ontploffingen. In mijn onderzoek wil ik mij daarom richten op de volgende stelling: In de berichtgeving over de ontploffing van de buskruitfabriek in Muiden op 19 januari
1883 speelde de oorzaak van de ramp een ondergeschikte rol ten opzichte van de gevolgen van de ramp.
Ter ondersteuning en verduidelijking van mijn stelling volgt in deze paper een uiteenzetting van de buskruitramp in Muiden in 1883 en een beschrijving van de te onderzoeken pers.
1. De opkomst en tijdelijke neergang van ‘de Krijgsman’.
De buskruitfabriek ‘de Krijgsman’ vindt haar oorsprong in de Amsterdamse kruitmolen van Van Kuyk. Deze stond tijdens de tweede helft van de 17e eeuw, samen met drie andere kruitmolens aan de Heylige weg aan de Amstel, buiten de stadswallen. Het was in die tijd algemeen bekend dat het exploiteren van een buskruitbedrijf een riskante zaak was. Het ontploffingsgevaar en de daaraan verbonden schade was groot. Daarnaast was de kruitbehoefte aan grote schommelingen onderhevig. Vanwege het ontploffingsgevaar van de kruitmolens besloot de gemeente Amsterdam in 1700 de molens te verplaatsen. De stad was aan het uitbreiden en deze uitbreidingen kwamen steeds dichter bij de buskruitfabrikanten aan de Amstel te liggen. In een verzoek van de burgemeesters van Amsterdam aan de ‘Edele Groot Mogende Heeren Staten van Holland ende West-Vriesland’ om de kruitmolens te verplaatsen schreven zij het volgende:
,,dat men niet als met schrick sigh can te binnen brengen alle de onheijlen, dewelcke souden moeten ontstaen, wanneer soo excessiven quantiteijt buskruijt door het een off het ander toeval in brand soude cunnen geraken (…) maer dat de voorsz. Kruijtmakerijen althans, door de voorsz. Uijtlegginge, soo dight aen de Stad sijn, dat, indien het ongeluck soude willen dat een van de kruijt-Torens der voorsz. Kruijtmakerijen soude mogen opspringen, onvermijdelijck boven alle de andere schade daer uijt te resulteren, oock een groot gedeelte van de voorsz. Stad soude over hoop raken’’
De burgemeesters constateerden dat de kruitmakerijen te dicht op elkaar lagen. Hierdoor bestond het gevaar dat bij brand de ene de andere zou aansteken, waarbij de gevolgen niet waren te overzien. Zij wezen erop dat in de laatste twee maanden al in twee kruitmakerijen brand was ontstaan, onder andere in de kruitmolen van Van Kuyk, waarbij veel schade was aangericht.
De eigenaar van de kruitmolen vond een nieuwe locatie in de Rietpolder, ten westen van Muiden en ten noorden van de Muidervaart. En na veel moeite en geldelijke opofferingen verleende de gemeente Muiden haar toestemming. In 1702 verhuisde de kruitmolen naar Muiden en ging daar verder als buskruitfabriek de Krijgsman.
In de loop der tijd nam de fabriek in omvang toe. Ondanks het ontploffingsgevaar van de fabriek bracht de gemeente geen bezwaren in tegen de gronduitbreiding, die zich vooral richting Muiden ontwikkelden. De voordelen van de fabriek voor het stadje waren namelijk groot. Ruim zestig inwoners werkten als knecht voor het bedrijf en velen anderen als timmerlieden en metselaars.
De grote ramp in 1883 werd voorafgegaan door een aantal kleinere ongevallen. Zo ontplofte in 1793 de kachelstoof en werd de turfloods vernield. In Muiden raakten daarbij enkele huizen beschadigd. In 1848 brandde het kool- en salpeter breekhuis af en ontplofte het korrelhuis. De schade in Muiden bleef dit keer beperkt en er vielen geen doden. Tien jaar later, in 1858, ontplofte een oud machinegebouw en raakte andere gebouwen op het fabrieksterrein zwaar beschadigd. Weer bleef Muiden zo goed als ongedeerd, maar een jonge waarnemer van de fabriek kwam om het leven. Ook in 1862 ontplofte een gebouw van de fabriek en raakten andere werkplaatsen op het terrein zwaar beschadigd.
Werd bij deze ongevallen steeds een klein deel van de fabriek getroffen. Tijdens de grote ramp in 1883 werd het bedrijf vrijwel geheel verwoest.
De Ramp van 1883
De eerste ontploffing op 19 januari vond plaats in de stoomstoof, een gebouw waar het buskruit door stoomverwarming werd gedroogd. Door het vuur en de neervallende brokken van de stoomstoof ontstonden ook in andere gebouwen brand die vervolgens bijna allemaal stuk voor stuk ontploften. De ontploffingen liepen in twee lijnen over het terrein van de Krijgsman. De eerste ging noordwaarts langs de natglans, de droogglans, het harphuis en het builhuis. De tweede ging oostwaarts langs het luchtdrooggebouw, het meleerhuis, het korrelhuis en het natglanshuis. In al deze gebouwen lag buskruit opgeslagen.
Van de in totaal vijftig gebouwen die op het fabrieksterrein stonden, bleken na de ramp slechts enkele onaangetast. In totaal kwamen dertien personeelsleden bij de ramp om het leven en raakten vele anderen gewond. De inwoners van Muiden geloofden, volgens de krantenberichtten dat de wereld verging. Wereldkroniek stelde daarintegen dat zowel de kranten als het publiek ‘onder den eersten indruk, de schade in Weesp en Muiden veroorzaakt, overdreven.’
2. Amsterdamse dag- en weekbladen.
Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw was de Nederlandse pers aan enkele veranderingen onderhevig. Na de afschaffing van het Dagbladzegel in 1869 hadden de kranten zich ontwikkeld tot een massapers. Zowel het lezerspubliek als het aantal kranten was toegenomen. De opkomst van de massapers ging samen met een toenemende invloed van de dagbladen. Dezen wilden vooral laten zien dat zij een opbouwende rol in de samenleving konden spelen. Kranten wilden hun lezers leidden bij hun ontwikkeling. Gepaard met deze opvoedersrol ging een beheerst-afstandelijke journalistieke stijl, waardoor de Nederlandse pers ook wel werd omschreven als ‘juristenpers’.
In 1883 verschenen in Amsterdam onder andere de volgende kranten: de Amsterdamse Courant, Het Nieuws van den Dag, het Algemeen Handelsblad (AH) en De Amsterdammer, Dagblad voor Nederland. Vooral tussen de laatste twee was sprake van concurrentie.
Het AH voer in 1883 onder leiding van hoofdredacteur A.G. C. van Duyl een liberale koers. Daarmee zette hij de lijn voort die de krant sinds haar oprichting in 1825 volgde. Oprichter en hoofdredacteur Jacob Willem van den Biesen publiceerde al tijdens de beginjaren gematigd-liberale beschouwingen over de staathuishoudkunde, de financiële situatie van het land en handelspolitiek en koloniën. Het lezerspubliek waarop de krant zich richtte bestond vooral uit liberalen en zakenlieden. In de loop van haar bestaan won het AH aan betekenis en invloed. Een van de meer bekende journalisten die in de jaren tachtig van de negentiende eeuw bij het AH werkzaam waren, was Charles Boissevain (1842-1927). Hij introduceerde in 1887 het dagelijkse opiniestuk in de Nederlandse journalistiek en zou van 1885 tot 1916 hoofdredacteur van de krant zijn.
Onder Van Duyl bracht de krant vanaf november 1882 naast de avonduitgave tevens een ochtendblad uit. De extra uitgave was vooral bedoeld om de concurrentie van De
Amsterdammer voor te zijn. Deze nieuwe krant zou vanaf 2 januari 1883 als ochtend- en avondblad verschijnen in Amsterdam en omstreken.
Nauw betrokken bij de oprichting van De Amsterdammer was Johannes de Koo (1841-1909), hoofdredacteur van het gelijknamige weekblad. Hij bepaalde de politieke kleur van de krant, die radicaal was. Het dagblad kende een vrij ambitieuse opzet. De lezers in Amsterdam zouden voor vijf gulden per kwartaal twee edities per dag ontvangen, lezers buiten Amsterdam betaalden zes gulden. In diezelfde periode vroeg het AH voor zijn avondblad alleen al zes gulden per kwartaal in Amsterdam en zeven gulden aan lezers in de rest van het land. Ondanks het feit dat het AH onmiddellijk voor dezelfde abonnementsprijs het avond- en ochtendblad ging verkopen, nam het abonneebestand af.
De Amsterdammer leek daarintegen een succes te worden. De Koo bracht met zijn krant meer natuurlijkheid en levendigheid in de Nederlandse dagbladtaal. Het dagblad onderscheidde zich van andere kranten door de directe, pittige stijl van schrijven, de polemische instelling en de belangstelling voor de arbeidsklasse en de minder bedeelden. Het was het eerste grote dagblad dat interesse toonde voor de arbeidersbeweging wat vooral bleek uit de in de krant opgenomen verslagen van vergaderingen en andere bijeenkomsten van arbeiders.
De Amsterdammer functioneerde als orgaan van de opgekomen burgelijk-radicalen en voerde vooral met het AH een heftige strijd over de Amsterdamse gemeentepolitiek. In het jubileumnummer van 1928 schreef de hoofdredactie van het AH daarover het volgende: ,,terwijl het nieuwe orgaan op politiek terrein het orgaan zou worden van de opgekomen radicale partij, welke bovenal tegen de gemeente-politiek van het ,,Handelsblad’’gericht was.’’ Over het algemeen werd De Amsterdammer door de liberale pers genegeerd. Het AH daarentegen liet het niet na de krant zowel in haar hoofdartikelen als in haar commentaren in de nieuwskolommen aan te vallen.
Ondanks het succes in de eerste jaren van haar bestaan, verkeerde De Amsterdammer in 1885 in grote financiële moeilijkheden. In maart 1886 hield de ochtendeditie van het blad op te verschijnen. Negen jaar later, in 1895 hield ook het avondblad op te bestaan.
In tegenstelling tot het AH en De Amsterdammer presenteerde Het Nieuws van den Dag zich als een neutrale krant. Het dagblad werd op 15 maart 1870 door de boekhandelaren Pieter van Santen en George Lodewijk Funke voor het eerst op de markt gebracht. De krant hield zich verre van partijpolitiek en wilde geen onderdeel zijn van de grotendeels verzuilde Nederlandse pers. Geheel in lijn met de opvoedersrol van de Nederlandse pers in die tijd hoopten de oprichters van de krant ‘bij te dragen tot vermeerdering van kennis, tot volksontwikkeling en daardoor tot volkswelvaart’. De krant moest aan volksopvoeding doen en beknopt en goedkoop zijn om zoveel mogelijk lezers aan te spreken. Van Santen en Funke hoopten vooral de middenklasse in alle Nederlandse steden en dorpen, bestaande uit schoolmeesters, lagere ambtenaren, klerken en zelfstandigen, te bereiken. Andere voornemens van de heren waren dat de krant waarheidslievend, onkreukbaar, mild en verdraagzaam zou zijn. Het Nieuws van den dag moest namelijk naast een goed nieuwsblad ook een ‘aangenaam huisvriend’ zijn. De dagelijkse opening van de krant bestond uit de hoofdartikelen van hoofdredacteur Simon Gorter. In deze artikelen hield Gorter de Nederlanders een spiegel voor van een ontevreden volkje, opgedeeld in partijkliekjes en tegen elkaar agerende geloofszuilen. Hij maakte zich ook boos over de Hollands ontevredenheid.
Van alle vier de Amsterdamse kranten kende de Amsterdamsche Courant in 1883 de langste geschiedenis. Deze krant werd in de tweede helft van de zeventiende eeuw geboren uit de Courante uyt Italien ende Duytslandt en stond onder toezicht van de Amsterdamse regeerders. De krant verscheen op dinsdag, donderdag en zaterdag. Pas in 1848 zou de Amsterdamsche Courant dagelijks verschijnen. In 1882 veranderde het dagblad van uitgever. De nieuwe uitgever zag zich gedwongen de krant in kleiner formaat voort te zetten, wat het prestige van deze oude stadskrant weinig goed deed. De Amsterdamsche Courant was degradeerde al snel tot een tweederangs krant. Mede dankzij het succes van het AH had de oude historische courant moeite om inleven te blijven en lange tijd werd het blad kunstmatig in leven gehouden. In 1903 werd de Amsterdamsche Courant overgenomen door de Telegraaf.
Het geïllustreerde weekblad
Naast de opkomst van de massapers kwam in de tweede helft van de negentiende eeuw ook het geïllustreerde weekblad opzetten. De meerderheid van deze weekbladen kende een vrij gespecialiseerde inhoud. Zij waren vaak gericht op het gezin - destijds beschouwd als de hoeksteen van de samenleving - de jeugd en het vrouwenleven. Daarnaast kwam tevens het genre van de literair-culturele tijdschriften op.
Het geïllustreerde weekblad dat voor mijn onderzoek geschikt is, is het Geïllustreerd politienieuws. Het Geïllustreerd politienieuws was volgens het openingsnummer van 4 oktober 1873 ‘een Weekblad gewijd aan misdaad en ongeluk’. In de inleiding van het openingsnummer vroeg de redactie zich af of het niet nuttig zou zijn ‘dat van tijd tot tijd ook het afschuwelijke in zijn ware gedaante aan het publiek voor oogen werd gesteld?’ Het weekblad was in het begin vooral op Amsterdam georiënteerd. Op de voorkant van elk nummer stond een grote plaat van een sensationele, actuele gebeurtenis. De inhoud van het blad was ingedeeld onder kopjes als ‘Nederland’, ‘Rechtszaken’, ‘Amsterdam’, ‘Gemengde berichten’of ‘Gevonden voorwerpen’. Het blad was vooral populair in de volksbuurten van de grote stad. De inhoud van het blad bood dan ook veel amusement en herkenbare situaties. In 1901 hield het blad op te bestaan.
CONCLUSIE.
Zoals al eerder vermeld wil ik tijdens mijn onderzoek de volgende stelling toetsen: In de berichtgeving over de ontploffing van de buskruitfabriek in Muiden op 19 januari 1883 speelde de oorzaak van de ramp een ondergeschikte rol ten opzichte van de gevolgen van de ramp.
Uit het verleden van de fabriek was al gebleken dat het produceren van buskruit in de buurt van een stad de nodige risico’s met zich meebracht. Niet voor niets verbood Amsterdam in 1700 de kruitmolens hun bestaan nabij de stad voort te zetten. Mede daarom zal de schuldvraag na de ramp in 1883 waarschijnlijk niet van belang zijn geweest. Ontploffingen behoorden tot de gevaren van de buskruitfabrieken. De dag- en weekbladen zullen dus hoogstwaarschijnlijk meer over de gevolgen en de omvang van de ramp hebben geschreven. Immers, in het verleden hadden ontploffingen in de Krijgsman nooit zulke grote schade aangericht.
Interessant is om te kijken op welke gevolgen de dag- en weekbladen zich richtten en in hoeverre ze daarin van elkaar verschilden. Schreef de ene krant bijvoorbeeld meer over de slachtoffers terwijl de andere krant het meer over de materiële schade had? En speelde de onderlinge concurrentie en de politieke of neutrale positie van de krant een rol in de berichtgeving? Een ander interessant aspect is het verschil in berichtgeving tussen de dagbladen en het geïllustreerde weekblad. De Wereldkroniek beweerde dat de kranten nogal overdreven over de schade van de ramp. Daarnaast hadden weekbladen vanwege hun wekelijkse verschijning meer tijd om dieper op de ramp in te gaan. Een laatste vraag die gesteld kan worden is of in de berichtgeving conclusies werden verbonden aan de ramp. Pleitten de dag- en weekbladen bijvoorbeeld voor verplaatsing van de Krijgsman?
Naast de hoofdstelling zullen bovenstaande deelvragen in het onderzoek aan bod komen.
Literatuurlijst.
Algemeen Handelsblad; Nieuwe Amsterdamse Courant: een eeuw journalistiek, 1828-1928, Amsterdam 1928.
Broersma, M., ‘Botsende stijlen. De Eerste Wereldoorlog en de Nederlandse journalistieke cultuur’in: Tijdschrift voor Mediageschiedenis 2 (1999) p. 42-44.
Bruin, G. de, Buscruytmaeckers. Ervaringen en lotgevallen van een merkwaardig bedrijf in Holland, Muiden 1952.
Hemels, J., De Nederlandse pers voor en na de afschaffing van het dagbladzegel in 1896, Nijmegen 1969.
Hemels, J. en M. Schneider, De Nederlandse krant 1618-1978; van nieuwstijdinghe tot dagblad, Baarn 1979.
Hemels, J. en R. Vegt, Het Geïllustreerde Tijdschrift in Nederland deel I, 1840-1945, Amsterdam 1993.
Koninklijke Nederlandse Springstoffenfabrieken, Het geslacht Bredius: honderdvijftig jaar Buskruitfabricatie in Nederland 1772-1922, Amsterdam 1922.
Poortvliet, C. G., Beschrijving van den Ramp aan de buskruitfabriek ‘’De Krijgsman’’, nabij Muiden, op den 19den januari 1883, Amsterdam 1883.
Scheffer, H. J., Hery Tindal. Een ongewoon heer met ongewone besognes, Bussum 1976, p. 252-311.
Wennekes, W., ‘Een blad dat niet schoolmeestert’ in: Opmaat van een nieuwe eeuw. Hoofdstuken uit het Nederlandse fin de siècle, Amsterdam 1995, p. 73-96.