[Laura Schweig]

Literatuur, Paper, Referaat, Co-referaat , Slotwerkstuk

Als je hier met de rechtermuisknop klikt, en 'save target as' klikt, kun je dit paper als Word bestand opslaan. Dan kun je het vanaf daar printen. 

"Welk een verwoesting!"

De cycloon van 10 augustus 1925 en de gevolgen voor Borculo

Door Laura Schweig

 

1 Inleiding

De musical The Wizard of Oz, de film Twister, Discovery Channel.... tornado’s worden vaak geassocieerd met Amerika. Toch komen ze in Nederland vaker voor dan je zou verwachten. Vooral aan het IJselmeer en op de Waddeneilanden zijn ze regelmatig te zien. Deze eeuw heeft Nederland meerdere keren zware tornado’s meegemaakt. De grootste deden zich voor in Oost-Gelderland (1927), op de Veluwe (1950), bij Ten Boer (1956), Tricht (1967), Oldebroek (1987), Angerlo (1992) en op Ameland (1992).

De tornado die deze eeuw de meeste schade heeft aangericht was die van 10 augustus 1925. Het stadje Borculo in Gelderland werd hierbij vrijwel geheel verwoest. Het was echter niet alleen Borculo dat het zwaar te verduren had. Een brede strook over Nederland van zuid naar noord kreeg die dag te maken met zeer zwaar noodweer. Borculo had de pech dat de tornado dwars door de dorpskern was getrokken. Het stadje betreurde drie doden, tientallen gewonden en tweeduizend daklozen. De schade bedroeg meer dan 3 miljoen gulden, voor die tijd een immens bedrag.

Na een eerste blik op de verslaggeving en de literatuur blijkt dat met name De Telegraaf een grote rol heeft gespeeld bij het bijeenbrengen van dit bedrag door het Nederlandse volk. Meer serieuze kranten zoals het Algemeen Handelsblad en de Nieuwe Rotterdamsche Courant leken hier veel terughoudender in te zijn. De regionale kranten zoals de Graafschap-bode en De Gelderlander maken de indruk zo overrompeld te zijn geweest door de ramp en de reactie van De Telegraaf, dat ze de inzamelingsacties volledig aan deze krant hebben overgelaten en de nadruk hebben gelegd op pure verslaggeving.

Uiteindelijk is er door het Nederlandse volk zoveel geld bijeengebracht, dat na uitkering van de schadevergoedingen er enkele tonnen over waren. Mijn onderzoeksvraag zal zich dan ook richten op de rol van diverse kranten bij de inzameling van geld voor de slachtoffers. Hierbij moet gelet worden op de toon van de krant (speelt de krant in op het schuldgevoel van de lezer?) en op het aantal en de grootte van de artikelen die aan de slachtoffers en de hulpverlening worden besteed. Een andere manier is om de giften die in de verschillende kranten worden verantwoord bij elkaar op te tellen. Ook speelt het tempo waarmee het aantal artikelen afneemt een rol.

Voor het onderzoek vergelijk ik De Telegraaf, het Algemeen Handelsblad, De Gelderlander en de Graafschap-bode. De Telegraaf omdat deze zeer zeker een grote rol speelde, het Algemeen Handelsblad omdat die krant toch een meer beheerst-afstandelijke stijl hanteerde, De Gelderlander omdat dat een grote regionale krant was en bovendien katholiek, en de Graafschap-bode omdat dat een wat kleinere, neutrale regionale krant was. Het verschil in richting van de beide regionalen kan een rol hebben gespeeld, omdat Borculo voornamelijk hervormd was. Ook woonden er een relatief veel joden. Vanwege de evidente grote rol van de Telegraaf geef ik in dit paper al een globale inhoudsanalyse van de verslaggeving van deze krant.

2 De ramp

 

Maandag 10 augustus 1925. Het is een hete dag geweest. Zoals zo vaak gebeurt na een warme, drukkende dag begint het tegen een uur of zeven te onweren. Het is niet bepaald een doorsnee onweersbui. De lucht wordt vanuit het westen donker en dreigend. Grote bliksemstralen doorklieven de zwarte lucht. Als een draaikolk komen de wolken aandrijven. De lucht is pikkedonker, het lawaai oorverdovend. Een ooggetuige vertelt: "Ineens zagen wij aan de lucht iets vreemds. Een lange, rechte buis, welke snel ronddraaide in duizelingwekkende vaart en onder ontzettend geloei nader kwam." Een andere ooggetuige spreekt van ‘een trechter van een vies geel-groene kleur’.

De ‘buis’ trekt dwars door Borculo. Grote bomen buigen door tot op de grond of knappen af als luciferhoutjes, de regen vlaagt horizontaal, ruiten en deuren sneuvelen, door de lucht vliegt een grote grijze muur van water, boombladeren, dakpannen en stof. En: "ieder oogenblik een helle bliksem, waarvan de donderslag verstierf in het stormgeloei."

En dan wordt het lichter. "Goddank! Het gaat over. Hoelang het geduurd heeft? Naar mijn schatting was het 10 à 15 minuten, maar anderen spraken van 5 à 8 minuten. We gingen naar buiten. De storm was bedaard en de regen was over. Na eenige minuten lachte de zon weer."

Als de bewoners van Borculo hun huizen verlaten, zien ze de schade die de zeven minuten durende orkaan heeft aangericht. Ze weten niet wat ze zien. "De drie lanen, die bij onze woning samenkomen, lagen geveld, als gedorscht met een reuzenvlegel: ontworteld, afgedraaid, versplinterd. En in het stadje, welk een verwoesting! Die hoef ik niet te beschrijven, want krantenverslagen en foto’s hebben het wereldkundig gemaakt."

Het Algemeen Handelsblad meldt in zijn avondblad van 11 augustus: "De cycloon, die gedurende een kwartier woedde, heeft geen enkel huis gespaard. Vele huizen liggen plat tegen de grond, van honderden zijn de gevels afgerukt. De torens van de protestantse en de R.K. kerk zijn afgewaaid. De straten zijn bezaaid met gebroken dakpannen, glasscherven en fragmenten van meubels. Geheele daken zijn door de cycloon opgenomen en tegen den grond geslagen." Zuur detail: niemand is tegen stormschade verzekerd.

De Hervormde kerk is helemaal verwoest, raar genoeg is de synagoge blijven staan. Alle toegangswegen naar Borculo zijn geblokkeerd door omgewaaide bomen. Er is geen elektriciteit en geen water. Maar de hulpverlening komt snel op gang. De burgemeester van Borculo, Jhr. ir. R. de Muralt, speelt hierin een hele sterke rol. Zo stelt hij direct vijf commissies in: respectievelijk voor voedselvoorziening, hygiëne, huisvesting, herstel en opruiming binnen de stad en herstel en opruiming buiten de stad. Omdat De Muralt ook lid is van de Eerste Kamer kent hij in Den Haag zeer goed de weg.

Het ministerie van Oorlog stuurt op zijn verzoek meteen 300 man genietroepen om de rotzooi op te ruimen. Artsen uit het hele gebied worden naar Borculo gehaald. De Lochemse bakkers gaan brood bakken voor de inwoners van het verwoeste plaatsje. De pers stuurt speciale verslaggevers. En als dinsdagavond de toegangswegen weer vrij zijn, krijgt Borculo de primeur van wat wij nu ramptoerisme noemen. Dit neemt zulke grote vormen aan, dat de wegen van en naar Borculo eenrichtingsverkeer worden gemaakt om files te voorkomen. Rijke mensen nemen per vliegtuig een kijkje. Een jongen wordt zelfs overreden door een ramptoerist. De Muralt waarschuwt de caféhouders van het stadje dat ze de toeristen geen alcohol mogen schenken en ze vooral geen korting mogen geven.

Er komen noodwoningen uit Warmond. Die worden opgebouwd in een park aan de Bloemersstraat, dat al snel de toepasselijke bijnaam ‘Villa Cycloonpark’ krijgt. De Muralt zorgt dat het Nationaal Steuncomité wordt opgericht. Later zal dat worden omgedoopt tot Nationaal Rampenfonds. De schade bedraagt ruim 3 miljoen gulden. Het comité zal uiteindelijk ruim 4 miljoen gulden ophalen. Over de tonnen die overblijven krijgt De Muralt hoog oplopende ruzie met de Commissaris van de Koningin, waardoor hij ondanks zijn heldendaden niet herbenoemd zal worden als burgemeester. Wel wordt De Markt in Borculo later omgedoopt tot De Muraltplein.

3 Het weersverschijnsel

Prof. E. van Everdingen, directeur van het KNMI in die tijd, wil niet spreken van een orkaan, cycloon of wervelstorm, hoewel de dagbladen wel met die termen gooien. Deze namen zijn volgens hem bedoeld voor verschijnselen die een breedte van honderden en een baanlengte van duizenden kliometers vertonen. Omdat er bij zijn weten evenwel niet eerder zo’n storm in Nederland had geraasd, die zulke grote vernielingen had aangericht, spreekt hij van ‘cycloonachtige windhoozen’.

Deze windhozen, die kortstondig snelheden van 100 meter per seconde kunnen bereiken, zijn volgens Van Everdingen te herkennen aan hun grillige uitwerking. "Dat appels aan een boom zijn blijven zitten, terwijl iets hooger of iets er naast de kroon er afgeblazen is." Een ander kenmerk van windhozen is hun enorme kracht: "Bijvoorbeeld een gedeelte van hotel Wyers te Borculo, dat over een ongeschonden muur heen is opgetild en in een weiland geworpen."

In eerste instantie staat De Bilt voor een raadsel. Het weerbericht was niet uitzonderlijk geweest, ze hadden de ramp niet zien aankomen. Van Everdingen denkt dan ook dat de oorzaak in de hogere luchtlagen gezocht moet worden. In de hogere gedeelten draait de lucht snel rond, en in de as daarvan treedt een luchtverdunning op. Zo ontstaat een luchtdrukverschil en kunnen er enorme krachten ontstaan. Later is uit onderzoek naar de valrichtingen van de bomen gebleken dat het om een zeer gecompliceerde windhoos ging, en dat het er waarschijnlijk zelfs meerdere geweest zijn.

De grote verschillen in vernieling (sommige bomen bleven staan, andere werden genadeloos met de grond gelijkgemaakt) hebben te maken met het feit dat de draaikolk met een enorme vaart voortraasde. Waar de draairichting van de kolk hetzelfde is als de gang van de kolk zelf, worden deze bij elkaar opgeteld en ontstaat een enorme windsnelheid die alles kan verwoesten. Waar de richtingen tegenovergesteld zijn, worden de krachten van elkaar afgetrokken en is de wind veel minder hard.

4 De vier kranten en hun geschiedenis

4.1 De Telegraaf tot 1930

De Telegraaf rolt voor het eerst van de pers op 1 januari 1893. Het is de tweede krant van de krantenmagnaat Henry Tindal, die ook De Amsterdammer uitgeeft en op 9 januari 1893 De Courant het licht laat zien. De Courant is een volksuitgave van De Amsterdammer en later van De Telegraaf. Hij drukt alle drie de kranten in een drukkerij die hij in 1892 heeft gekocht en gemoderniseerd. De Telegraaf heeft dan nog niets van een sensationeel en schreeuwerig opgemaakt massablad. De krant heeft het niet makkelijk, en probeert voornamelijk onder de katholieken abonnees te winnen. Tindal besluit om in november 1893 een ochtend- en een avondeditie uit te gaan geven.

De economie groeit en de oplage stijgt van 2000 in 1893 tot 9000 in 1896. Toch wordt er geen winst gemaakt. In 1901 wordt Tindal failliet verklaard en hij overlijdt op 31 januari 1902 in Sint-Petersburg. De Telegraaf en De Courant worden op 10 september 1902 overgenomen door H.M.C. (‘Hak’) Holdert, die zeer rijk zal worden met het uitgeven van kranten.

Met zowel De Telegraaf als met De Courant gaat het in 1902 niet echt lekker. Holdert voert wat veranderingen door. Zo brengt hij beide kranten onder in een NV. In de oprichtingsakte van die NV legt hij de neutraliteit vast: "Het dagblad De Telegraaf en Het Zondagsblad, zullen nimmer de beginselen van eenige staatkundige of kerkelijke richting mogen voorstaan en steeds te dien opzichte volkomen neutraal zijn." Ook geeft hij zijn redactie meer middelen ten behoeve van de inhoud van de krant. In de Eerste Wereldoorlog kiest De Telegraaf ondanks de neutraliteit van de krant openlijk de kant van de geallieerden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Algemeen Handelsblad.

Door het opkopen van zes verschillende kranten tussen 1903 en 1923, winnen De Telegraaf en De Courant vele abonnees. In de tijd van de ramp in Borculo gaat het De Telegraaf dus voor de wind. In 1928 komt het exploitatiesaldo van het Telegraafconcern voor het eerst boven de 1 miljoen gulden. Het aantal abonnees van De Telegraaf in 1930 bedraagt 115.000, dat van De Courant 250.000. Ter vergelijking: het Algemeen Handelsblad heeft er op dat moment 50.000. De Telegraaf staat op dat moment bekend als een degelijke krant, die nadruk legt op nieuws en niet op opinie. De krant is sensationeler dan andere kranten, maar dit heeft bij lange na nog niet de vormen aangenomen die het later zal krijgen.

4.2 Het Algemeen Handelsblad tot 1970

Het eerste nummer van het Algemeen Handelsblad (AH) ziet in 1828 het licht. De uitgever, Jacob Willem van der Biesen, gaat periodiek handelsmededelingen uitgeven onder de naam Waarenberichten. Maar de firma waar hij voor werkt gaat failliet en hij Van der Biesen gaat de berichten op eigen rekening uitgeven met als titel Algemeen Handels-Blad.

Het is een roerige tijd (het Zuiden van de Nederlanden scheidt zich in 1830 af) en daardoor krijgt het AH een politiek tintje. Van der Biesen propageert de afscheiding en maakt zichzelf daar niet populair mee. Het gaat zelfs zo ver dat hij het AH maar verkoopt.

Na het vertrek van Van der Biesen gaat het hard achteruit met het AH. Maar Van der Biesen komt op een opmerkelijke manier terug: hij richt samen met twee boekhandelaren een nieuwe krant op (de Nieuwe Amsterdamsche Courant) en koopt samen met hen het AH terug, waarna hij de krant laat uitkomen als Nieuwe Amsterdamsche Courant en Algemeen Handelsblad.

Het AH neemt een gematigd liberaal standpunt in, en krijgt grote invloed. Van der Biesen voert nieuwe rubrieken in maakt daarmee het succes van de krant nog groter. In 1845 heeft de krant een oplage van 5000 exemplaren. Helaas overlijdt Van der Biesen in de zomer van 1845, op weg naar een kuuroord.

Zijn aandeel in de krant wordt verkocht, onder meer aan Louis Keyzer. Hij breidt het liberale karakter van het AH nog verder uit, en voert een aantal technische verbeteringen door. In 1857 wordt hij als hoofdredacteur opgevolgd door mr. S.A. Vening Meinesz, ook deze zet de liberale politiek voort.

In 1869 wordt het dagbladzegel afgeschaft, en de concurrentiestrijd barst los. Het AH krijgt vooral te maken met de tevens liberaal georiënteerde Nieuwe Rotterdamsche Courant, en vanaf 1883 met de Amsterdammer. Het AH ziet deze laatste aankomen gaat vanaf november 1882 naast het avondblad ook een ochtendeditie uitgeven.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog kiest het AH de kant van de Centralen: Oostenrijk-Hongarije, Duitsland, Bulgarije en Turkije. Ook zet de krant een perscampagne op tegen de Telegraaf, op grond van ‘landsverraderlijke spionageactiviteiten’. In het interbellum (de periode waarin de ramp in Borculo zich voltrekt) is de dagbladmarkt stabiel; het aantal dagbladen stijgt niet meer. Wel is de concurrentiestrijd hevig, vooral binnen de verschillende ideologische groepen. De neutrale kranten strijden om de lezer. Als richtingblad met een landelijke verspreiding doet het Algemeen Handelsblad het goed: de hoogste oplage in Interbellum is 45.000. De krant eindigt daarmee als tweede na Het Volk.

In de Tweede Wereldoorlog verschijnt het AH als minikrant, na de oorlog mag zij gewoon weer verschijnen. Aanvankelijk op halve vellen, vanaf 2 november 1946 weer op normaal formaat. De oplage is in 1947 gegroeid tot tussen de 50.000 en 75.000. Het AH heeft wel veel moeten inleveren aan de voormalige verzetskranten, die alle een oplage van boven de 150.000 hebben. In 1964 fuseert het AH, na drie eerdere pogingen, met de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Samen met nog een aantal andere bladen worden zij ondergebracht in de Nederlandse Dagblad Unie NV. In 1970 smelt de krant samen met de NRC tot NRC Handelsblad.

4.3 De Gelderlander tot 1948

e Gelderlander kan bogen op een roerige geschiedenis. Als fel katholieke krant had zij het vaak zwaar te verduren. Het begint in 1843, als Mr. C. Verwayen en Simon Petrus Langendam De Batavier oprichten. Dit is nogal een gedurfde actie, omdat de katholieken in het gebied al een katholieke krant hebben: de Provinciaalsche Geldersche en Nijmeegsche Courant. De Batavier gaat dan ook verder: het is een opstandige krant die de emancipatie van de katholieken, een in die tijd zeer achtergestelde bevolkingsgroep, wil bevorderen. De krant richt zich op alle mogelijke manieren tegen de ‘protestantsche magnaten’. Dit leidt tot een rechtszaak en in 1845 is het afgelopen met De Batavier. Verwayen vertrekt naar het buitenland.

Maar de strijd is niet vergeefs geweest, want, zoals Brinkhof het verwoordt: ‘in de Batavier ligt het zaad van De Gelderlander’. Langendam is in het huwelijk getreden met de zus van Verwayen, en hij krijgt van zijn zwager het drukkerijtje van De Batavier. In mei 1848 rolt het eerste nummer van De Gelderlander, Staatkundig-, Nieuws- en Advertentieblad van de pers.

Uiterlijk ziet de krant er sober uit, netjes en zonder vette koppen, maar de inhoud is net als die van zijn voorloper zeer strijdlustig. De liberale partij, die voor alles tolerantie kent behalve voor de katholieken, wordt genadeloos afgemaakt, en ook de oude grondwet wordt bestookt. De geloofsgenoten zitten echter niet op zo’n krant te wachten. Ze zijn laks, of durven hun mond niet open te trekken tegen het gezag. De weinige abonnees laten de krant via de achterdeur bezorgen.

Na de verkiezingsnederlaag voor de katholieken in 1853 (De Gelderlander verschijnt dan ondertussen slechts twee keer per week) schiet Langendam in De Gelderlander zo uit zijn slof dat ook hij een tijdje in de gevangenis moet doorbrengen. Als hij vrijkomt gaat hij onverschrokken verder met de Gelderlander. De emancipatie van de katholieken maakt vorderingen, en dit heeft tot gevolg dat de protestantse en liberale pers verdachtmakingen gaan rondstrooien. De Gelderlander vecht. In die tijd heeft de krant slechts 400 abonnees, en de reden dat de krant heeft kunnen overleven is waarschijnlijk dat Langendam ook boeken en brochures drukte.

Tussen 1879 en 1889 zoekt De Gelderlander naar de goede vorm (aantal bladzijden, formaat, enz.). Als S.P. Langendam in 1889 overlijdt, volgt zijn zoon A.J.J.M. Langendam hem op. De woelige periode lijkt voorbij. Vanaf 1898 gaat De Gelderlander zelfs als ochtend- en avondblad verschijnen.

In de tijd van de ramp in Borculo is Albert van der Kallen hoofdredacteur. Deze man is een principieel katholiek en een geduchte polemist ‘die zijn prooi niet eerder [loslaat] dan nadat hij haar met kennis van zaken volledig buiten gevecht [heeft] gesteld.’ Een grote overwinning voor de krant, die altijd heeft gestreden voor goed katholiek onderwijs, is de komst van de universiteit in Nijmegen in 1923. In 1924 is de zaterdagse oplage van De Gelderlander 27.000 exemplaren. Verder blijkt de welvaart van de krant uit het afwijzen van een fusie met het Spaarnestadconcern, en uit het aanschaffen van een 32-zijdige rotatiepers, die wordt omgebouwd tot 48-zijdige rotatiepers. Het feestnummer dat ter gelegenheid van dat laatste verschijnt, heeft maar liefst 64 pagina’s.

Ook na het overlijden van Van der Kallen in 1933 gaat de groei van De Gelderlander door, in 1935 is het zelfs het op een na grootste katholieke dagblad van Nederland, na de Limburgse Koerier. De Tweede Wereldoorlog gooit echter roet in het eten. De Gelderlander doet er alles aan om te blijven verschijnen, zonder te collaboreren, maar dit lukt niet. Op 14 maart 1942 verschijnt het laatste nummer, zogenaamd vanwege papierschaarste. Alle eigendommen worden in beslag genomen.

Als het zuiden van Nederland bevrijd wordt, eind 1944, staat De Gelderlander onmiddellijk weer op. Op 22 september 1944 verschijnt het eerste nummer onder leiding van hoofdredacteur Uri Nooteboom. Het is een zeer moeilijke tijd, het gebouw van De Gelderlander wordt zelfs nog een keer geraakt door granaten. Nooteboom sneuvelt tijdens een reportage in het frontgebied bij Zutphen op 12 april 1945. De Gelderladner gaat verder onder leiding van Drs. A.H.M. Wijffels, die vrijd snel wordt opgevolgd door L.H.A. Frequin.

4.4 De Graafschap-bode

Over de Graafschap-bode is niet zoveel in de literatuur te vinden. De krant is opgericht in 1879 als neutrale krant voor de de Achterhoek en Liemers door C. Misset sr. In eerste instantie verschijnt hij een keer per week, maar wel in een uitzonderlijk grote oplage: 2000 stuks. Vanaf 1883 gaat hij twee keer per week verschijnen (dinsdag en vrijdag) en vanaf 1931 drie keer. In de oorlog komt hij weer wekelijks uit en in 1967 wordt het dagblad. In 1976 wordt de Graafschap-bode een kopblad van de Arnhemse Courant. Vanaf 1994 voert de Graafschap-bode de ondertitel Geldersch Dagblad.

5 De Telegraaf en de verslaggeving van de ramp

In het ochtendblad van de Telegraaf op 11 augustus wordt slechts heel even melding gemaakt van het feit dat Oost-Nederland is geteisterd door ‘hevige onweders’. Borculo wordt nog niet genoemd. Maar in het avondblad wordt de ramp in zijn volle omvang duidelijk. De Telegraaf heeft boven zijn openingsstuk maar liefst zes koppen staan. De gehele voorpagina is besteed aan de ramp. De Telegraaf opent meteen de inzamelingsactie met duizend gulden.

In de dagen daarna legt de krant grote nadruk op de noodzaak van hulp aan de slachtoffers. In het ochtendblad van 12 augustus schrijft de redactie: "HIER MOET GEHOLPEN! Snel en krachtig." De eerste giften worden gemeld, ze hebben een totaal van ongeveer 650 gulden. Tevens bevat deze editie de eerste foto’s uit het gebied; één vertoont een aantal hagelstenen ter grootte van kippeneieren.

In het avondblad van die dag staat een interview met Jhr. de Muralt, burgemeester van Borculo, die een zeer grote rol heeft gespeeld in de wederopbouw van het stadje. De Muralt verkondigt in dit gesprek dat hij rekent op ‘ruime bijdrage van particuliere zijde, vooral ook door de bladen bijeengebracht’. Op pagina twee is anderhalve kolom gewijd aan de steun, er is zelfs een bon afgedrukt waarop de lezer het bedrag dat hij wil doneren kan invullen, en die hij kan opsturen naar de redactie van de Telegraaf.

Op dezelfde pagina bevindt zich een beschrijving over twee kolommen van het rampgebied van ‘onzen specialen verslaggever’. Met deze betiteling wordt Henri van Wermeskerken bedoeld, een zeer ervaren journalist die vele jaren in Indonesië had doorgebracht. Van Wermeskerken was ‘journalist voor grote zaken’ bij de Telegraaf, en een zeer emotioneel mens. Vast staat dan ook dat de beeldende en vurige verhalen die hij over Borculo schreef, niet bedoeld waren om lezers te winnen, maar puur om de slachtoffers te helpen. Het is zeer goed mogelijk dat het initiatief van de inzamelingsactie door de Telegraaf, van hem kwam. Hij werd in zijn goede daden bijgestaan door tekenaar Louis Raemaekers, die beroemd is geworden om zijn scherpe prenten.

In het ochtendblad van 13 augustus is het opvallendse aspect dat de speciale verslaggever spreekt over ‘wij’, als hij het heeft over de hulpgoederen die worden ingezameld: "Letterlijk alles kunnen wij gebruiken." Een ander opvallend aspect vormt de zeer dwingende oproep van de krant om geld te doneren: "Thans bestaat geen enkele verontschuldiging meer voor wie nalatig blijft!" Op pagina drie wordt het gironummer genoemd van het Arnhemse steuncomité. De lezer lijkt er echt niet omheen te kunnen.

Het avondblad meldt vervolgens dat de leiding van het Nationaal Steuncomité bekend is. De ramp is inmiddels ook tot de advertentiepagina’s doorgedrongen. Taxibedrijven bieden voor een tientje een ritje aan naar het rampgebied, geïllustreerde bladen adverteren in joekels van advertenties voor hun speciale edities.

In het avondblad van vrijdag 14 augustus wordt voor het eerst, zij het niet op al te hoge toon, kritiek geuit op de hulpverlening. De geneeskundige bijstand zou niet goed geweest zijn, en tot haar spijt moet de krant dit erkennen. De donatiebon gaat deze keer gepaard met de wervende tekst: "Een betere zondagsheiliging dan een gift voor de onschuldig getroffen landgenooten, schijnt ons niet denkbaar." Een opmerkelijke kreet voor een neutrale krant.

Ook de beide kranten van zaterdag 15 augustus bevatten weer een bon, kolommen lange opsommingen van giften, dwingende oproepen en mededelingen van alle hulpcomités. Het is duidelijk dat de Telegraaf, met name in de persoon van Henri van Wermeskerken, grote aandacht heeft geschonken aan de slachtoffers en aan de noodzaak van hulp van de kant van het Nederlandse volk. De toon is vaak meelijwekkend (sfeerverslagen) en dwingend (oproepen). De artikelen zullen nog aan een nader onderzoek onderworpen moeten worden om de precieze werking te ontdekken.

6 Tenslotte

Met de globale beschrijving van de eerste vijf dagen na de ramp in de Telegraaf, heb ik willen aantonen hoe groot de rol van die krant is geweest bij de geldinzameling. De reden is waarschijnlijk, en dat wordt in de literatuur ook wel bevestigd, dat de Telegraaf als neutrale krant geen vaste lezersgroep heeft. Het kan om die reden een puur commercieel belang zijn geweest. Toch heb ik ook uit verschillende bronnen kunnen opmaken, dat de individuele journalist van de Telegraaf die de ramp versloeg, Henri van Wermeskerken, vooral uit menslievendheid heeft gehandeld. Deze twee redenen bij elkaar hebben er waarschijnlijk voor gezorgd, dat de Telegraaf bijna overdreven veel heeft geschreven over de ramp.

Het valt daarom te verwachten dat de andere drie kranten, die wel een redelijk omlijnde lezersgroep hadden, veel minder of in elk geval heel anders hebben geschreven over de ramp. Ik verwacht dat de regionalen voornamelijk als informatiebron voor de regio dienden, en het Algemeen Handelsblad, die er ver vanaf stond, het zeer afstandelijk behandelde. Het AH zamelde weliswaar ook geld in, maar deed dit op een veel minder dwingende manier dan de Telegraaf. De koppen, die in de Telegraaf bijna hysterisch waren, zijn in het AH een stuk beheerster.

In mijn eindonderzoek zal dit allemaal aan de orde komen. Ik zal dan alle vier de dagbladen aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpen, waarna duidelijk zal worden welke verschillen in benadering de vier kranten hadden. Ook zal ik dan wat uitgebreider proberen te verklaren waarom die verschillen er waren, en zal ik kijken of de verzuiling een rol heeft gespeeld.

Bronvermelding