Literatuur, Paper, Referaat, Co-referaat , Slotwerkstuk
‘Nog een prachtige luchtfoto van het zoo deerlijk getroffen stadje’
De stormramp van Borculo (1925) en de watersnoodramp in Zeeland (1953) in geïllustreerde tijdschriften
1. Inleiding
Het was een mooie zomerdag: op 10 augustus 1925 liepen de temperaturen in grote delen van Nederland hoog op. Zoals zo vaak wordt een dergelijke zomerdag afgesloten met een hevig onweer. Bij alleen onweer bleef het echter deze keer niet: een cycloon trekt over grote delen van het land. In vrijwel het hele land richtte deze windhoos schade aan. Het ergst getroffen is het Gelderse stadje Borculo. Vrijwel niets bleef hier meer overeind staan. Er vielen drie doden en tientallen gewonden. Ongeveer drieduizend mensen waren hun woning kwijt.
Ruim 27 jaar later, in de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 werd het zuidwesten van Nederland slachtoffer van natuurgeweld. Een zuidwestenwind in combinatie met springtij zorgt ervoor dat de dijken bezwijken en grote delen van Zeeland en Zuid Holland onder water lopen. Bij deze ramp waren 1825 doden te betreuren. Tweehonderdduizend stuks vee verdronken, 4000 mensen werden dakloos en 133 duizend hectare grond stond onder water.
Hoewel de rampen wat betreft de omvang niet goed te zijn vergelijken zijn ze wel beiden uitgebreid gevolgd door de vele geïllustreerde tijdschriften die in de eertse helft van deze eeuw een belangrijke functie hadden binnen de journalistiek. In dit onderzoek bekijk en vergelijk ik de weergave van deze rampen in geïllustreerde tijdschriften. Hierbij wil ik voornamelijk kijken naar de rol van de foto. Ik kijk in dit onderzoek naar de eerste vijf edities die verschenen na de ramp. Dit betekent dat niet alleen de eerste indrukken, maar ook bijvoorbeeld de hertelwerkzaamheden nog aan bod kunnen komen.
De onderzoeksvraag die ik zal gebruiken is: ‘De rol van de foto in geïllustreerde tijdschriften is veranderd van een kunstzinnige illustratie bij het nieuws tot een onderdeel van de berichtgeving. Later in deze paper zal ik deze vraag verder toelichten.
In deze paper zal ik eerst in het kort het verloop van beide rampen schetsen. Daarna volgen een korte schets van de ontwikkeling van het geïllustreerde tijdschrift en de beschrijvingen van de tijdschriften die ik zal onderzoeken. Ook de ontwikkeling van de fotografie zal kort aan bod koken. Tenslotte zal ik mijn onderzoeksvraag voorzien van een toelichting.
2. De rampen
De windhoos van Borculo: 10 augustus 1925
‘EEN HEVIGE STORM TEISTERT OOST-NEDERLAND’ Met deze kop opent dagblad De Telegraaf op dinsdag 11 augustus 1925 haar avondeditie. De avond daarvoor had een slurfvormige windhoos grote schade aangericht in heet oosten van ons land. Het zwaarst getroffen werd het Gelderse Borculo. Rond een uur of zeven ’s avonds bereikte de cycloon dit stadje in de Achterhoek. In ongeveer zeven minuten werden een groot aantal gebouwen compleet verwoest.
Volgens het KNMI was de windhoos één van de krachtigste die ons land ooit gekend heeft. Het verschijnsel doet zich voor na warme dagen en gaat vaak gepaard met onweer. De tiende oktober was een mooie zomersdag met hoge temperaturen, zodat de bevolking niet verbaasd opkeek toen zich zware onweerswolken samenpakten boven het dorp. Bij het naderen van de cycloon vluchtten velen uit hun huizen. Hierdoor bleef het aantal dodelijke slachtoffers beperkt tot drie. Wel liepen ongeveer honderd mensen verwondingen op.
Nadat te rust weer enigszins was weergekeerd namen de bewoners de schade op. Er was geen gebouw te vinden dat geen schade had opgelopen. Drieduizend mensen hadden plotseling geen dak meer boven hun hoofd. De Nederlands Hervormde Kerk was vrijwel niets meer over. De Rooms-katholieke kerk was van haar toren beroofd. Ook het station en hotel Stad Borculo waren totaal verwoest.
Niet alleen hulpverleners brachten na de ramp een bezoek aan Borculo: ook een grote groep rampteristen bezocht de dagen erna Borculo om met eigen ogen te zien hoe dit stadje was verwoest. Bewoners profiteren hiervan: Met de verkoop van onder andere sigaren werd er nog wat extra geld binnengehaald voor de wederopbouw.
Na de ramp kwam de hulp snel op gang. Burgemeester De Muralt stelt het nationaal steuncomité in werking. Kranten zoals De Telegraaf riepen hun lezers direct op tot het inzamelen van geld. Deze oproep blijkt helpen: Uiteindelijk komt er ruim 3 miljoen gulden binnen waarmee alle schade kan worden vergoed.
De watersnoodramp in Zeeland: 1 februari 1953
Zaterdag staat het water al hoof in Zeeland: normaal gesproken is het verschil tussen eb en vloed vier meter, maar op 31 januari trekt het water zich niet terug. Op zich is dit nog niet verontrustend. Een volkwijsheid in Zeeland is: ‘niet ebben, niet vloeien’. Verwacht wordt dat de volgende vloed niet hoger wordt.
Door de krachtige noordwesten storm blijft er water in de trechter van ‘Het Kanaal’ gepompt worden. Weinigen zien zaterdagavond de ernst van de situatie in. De paar mensen die de ernst wel al inzagen willen geen paniek zaaien zo vlak voor het wekeend. De stormwaarschuwingsdienst stuurde een aantal alarmerende telegrammen uit, maar hier waren slechts weinigen op geabonneerd. Ook via de radio kwamen geen noodsignalen. Er was geen leidinggevende aanwezig bij de omroep zodat er geen zender in de lucht gebracht kon worden. (Beide radiozenders waren om elf uur uit de lucht gegaan.
In elk dorp waren wel een aantal mensen die inzagen hoe erg de situatie was. In veel plaatsen werd dan ook besloten de bevolking te waarschuwen of te evacueren. Veel bewoners reageerden hier niet op. Het water stond immers wel vaker hoog en het zou allemaal wel meevallen…
Het eerste signaal dat de ramp zich had voorgedaan kwam ’s ochtends rond een uur of vier. Naar een aantal Zeeuwse en zuidhollandse eilanden was geen telefoonverkeer meer mogelijk. Het water had op veel plekken al twee uur eerder toegeslagen.
De volgende ochtend kwam de eerste hulpverlening maar matig op gang. Pas in de loop van de ochtend drong de ernst van de ramp in Zeeland door in de rest van het land. De Marine werd ingezet om de grootste gaten te dichten en het Rode Kruis was aanwezig om de gewonden te verzorgen. Wat velen niet verwachtten was een tweede vloed. Deze vloed was nog krachtiger: huizen die beschadigd waren stortten in. Mensen werden meegesleurd door het krachtige water en verdronken.
Op maandag waren er voornamelijk nog particuliere reddingsacties. Veel vissers gebruikten hun bootjes voor het redden van overlevenden en het afvoeren van slachtoffers. Op overheidsniveau was men op de tweede dag nog niet in staat om op een degelijke manier hulp te verlenen.
Dinsdag werd de hulpverlening werd gestructureerder: de particuliere acties werden veelal overgedragen aan de overheden. Toen de wind was geluwd kon de schade opgemaakt worden. Bij de grootste natuurramp die Nederland ooit heeft gekend zijn 1825 mensen en ruim honderdduizend dieren om het leven gekomen. Er zijn 4500 gebouwen verwoest en 45.000 gebouwen beschadigd. Bijna 200.000 hectare polderland kwam onder water te staan. De totale schade bedroeg anderhalf miljard gulden.
4. Het geïllustreerde tijdschrift
Het tijdschrift
De tijdschriften die ik in het kader van dit onderzoekscollege ga onderzoeken zijn allemaal publiektijdschriften. Dit ter onderscheiding van de opiniebladen. Opiniebladen verschenen ook in de periode van mijn onderzoek, maar deze hadden veelal nog niet het ‘tijdschriftkarakter’ dat ze nu hebben. De opiniebladen verschenen op krantenformaat en hadden een typische krantenopmaak. De geïllustreerde publiekstijdschriften in Nederland kennen we sinds 1834. Toen verscheen in Nederland voor het eerst het Stuiversmagazijn, al snel gevolgd door een reeks aan nieuwe tijdschriften. Deze tijdschriften waren vrijwel allemaal gericht op ontspanning, afgewisseld met ‘nuttige wenken voor de lezer’. De illustratie waren voornamelijk houtgravures.
Aan het eind van de negentiende eeuw kregen de tijdschriften steeds meer de functie van ‘venster op de wereld’. Door de voortschrijdende techniek was het mogelijk om al na enkele dagen over nieuwsfeiten te berichten. Ook fototechnieken ondergingen grote ontwikkelingen zodat de getekende illustraties steeds vaker plaats maakten voor foto’s. Op deze manier wilden de tijdschriften een aanvulling zijn op de dagbladen, waar de foto door de lange ontwikkelingstijd technisch onmogelijk was. De periode tot 1940 was de grote bloeiperiode voor tijdschriften als Het Leven, De prins der geïllustreerde bladen en Panorama.
Na de oorlog hebben de geïllustreerde bladen het veelal nog een vijftiental jaren volgehouden. Wel veranderde de rol: tijdschriften werden commerciëler.. Er kwamen fotoreportages over misdaad en beroemdheden. De ideologie binnen de verzuilde tijdschriften werd steeds meer naar de achtergrond geschoven. Begin jaren zestig verbrokkelde de band tussen tijdschrift en lezer al. De verzuiling nam in kracht af. De toenemende kracht van reclame op televisie maakte een einde aan het bestaan van de tijdschriften die niet meegingen in deze nieuwe sensationele berichtgeving.
De te onderzoeken tijdschriften
In mijn onderzoek bekijk in een aantal van de grotere tijdschriften. In 1925 waren dit De Katholieke Illustratie, Het Leven en de Prins der geïllustreerde bladen. Verder heb ik gekozen voor een regionaal blad: Gelderland in woord en beeld om te kijken of er een verschil in aanpak is. Voor de periode 1953 heb ik wederom de Katholieke Illustratie gekozen om binnen één tijdschrift de verschillen te kunnen ontdekken. Verder onderzoek ik uit 1953 Vizier, De Spiegel en de Wereldkroniek. Deze tijdschriften waren allemaal voor een algemeen publiek (binnen de zuil), en niet gericht op een bepaalde doelgroep, zoals vrouwen of kinderen. Eigenlijk wilde ik ook Panorama in mijn onderzoek opnemen, maar dat is praktisch moeilijk uitvoerbaar. De jaargang 1953 van Panorama is niet meer aanwezig in de Nederlandse bibliotheken.
De Katholieke Illustratie is opgericht in 1867 door Henri Bogaerts. Het blad was bedoeld ter opvoeding van het katholieke volksdeel, en bestond aanvankelijk uit levensverhalen van heiligen. Later worden de verhalen wat minder bijbelvast, maar het katholieke geloof blijft de hoofdrol spelen. Pas aan het begin van de twintigste eeuw wordt de onderwerpkeuze breder. Er wordt steeds meer aandacht geschonken aan het nieuws en er wordt steeds meer gebruik gemaakt van foto’s.De grote opmars van het nieuws komt na de Tweede Wereldoorlog. Eén van de vervolgverhalen verdwijnt en het blad wordt uitgebreid van twaalf naar twintig pagina’s. Foto’s van het buitenlandse nieuws worden vaak overgenomen van buitenlandse fotopersbureau’s. Verslaggevers werden zelden naar het buitenland gestuurd. De foto’s worden verspreid door het hele blad geplaatst. Het komt regelmatig voor dat ze zonder toelihting midden in een vervolgverhaal terechtkomen. Het katholieke geloof werd echter niet losgelaten: de verhalen hadden nog altijd een sterk religieus getint karakter.
In tegenstelling tot de Katholieke Illustratie wil Het Leven juist niet een bepaalde doelgroep bedienen. Sinds de oprichting van het blad op 9 februari 1906 probeert het blad een zo breed mogelijke laag van de bevolking te bereiken. Gedurende de gehele bestaansperiode van dit blad wordt er consumentgericht gewerkt. Het blad kijkt naar wat er speelt in de samenleving en speelt daar op in. Zo zijn er veel reportages over nieuwe technologische ontwikkelingen, mode en sport. Regelmatig kwam het blad in opspraak door de spotprenten. Het blad wordt vaak gezien als voorloper van de massabladen als Nieuwe Revue en het huidige Panorama. Toch betekent deze populaire inslag niet dat het nieuws naar de achtergrond werd gedrukt. Ook hier wordt gekeken naar wat er leeft onder het publiek. Het waren dan ook voornamelijk de maatschappelijke wantoestanden die breed werden uitgemeten, zoals de woningnood in de grote steden.
Gelderland in woord en beeld is een provinciaal blad. Het maakt deel uit van het ‘Woord in beeld-concern’ In dit tijdschrift verschijnen dan naast de Gelderse foto’s ook foto’s uit andere provincies. De redactie behandelt alles wat in aanmerking komt voor een foto. Naast foto’s van regionale evenementen komt ook de regionale sport aan bod.
De Spiegel is van oorsprong een Christelijk weekblad. Hoewel ook in de jaren vijftig dit predikaat nog wordt gevoerd is de inhoud van het blad vrij algemeen. Er wordt nog wel op beperkte schaal aandacht besteed aan het Christelijk geloof, bijvoorbeeld door het weergeven van achtergronden bij Christelijke feestdagen. Verder is ook dit blad breed georiënteerd. De vervolgverhalen worden afgewisseld door reportages over verre landen, beroemdheden, muziek en natuur. Ook foto’s van leden van het koninklijk huis waren vaak in De Spiegel te zien.
De Prins der geïllustreerde bladen is na de oorlog over gegaan in Vizier. Het blad dat in 1946 is opgericht lijkt inhoudelijk aanvankelijk op De Spiegel. In dit tijdschrift, dat niet verbonden was aan een bepaalde zuil, heeft veel foto’s van actuele gebeurtenissen, en reportages over verre landen. In de jaren zestig is Vizier zich meer gaan toeleggen op films en televisie. Het blad is in 1961 onder de naam Televizier verder gegaan, en bevatte toen ook informatie over televisieprogramma’s.
De Wereldkroniek legt zich in de naoorlogse periode met name toe op de uitgebreide fotoreportages van actuele gebeurtenissen, waaronder veel buitenlandreportages. Ook voor verstrooiing is ruimte in de Wereldkroniek. Er was veel aandacht voor het Koninklijk Huis, sport en kunst. Voor de vrouw was er een aparte rubriek opgenomen in de Wereldkroniek. Daarnaast is er erg veel aandacht voor het nieuwe medium televisie. De Wereldkroniek heeft lang bestaan. Pas in 1970 is er, om economische redenen een eind gekomen aan het blad. In het laatste nummer werd vooruit gekeken naar de toekomst. Er was onder andere alvast een vooruitblik op het wereldkampioenschap voetbal in het jaar 2000.
Fotografie
De fotografie werd zo rond 1840 uitgevonden, maar pas aan het eind van de negentiende eeuw was het technisch mogelijk om foto’s in kranten of tijdschriften af te drukken. Pas op 20 februari 1890 werd de eerste actuele krantenfoto afgedrukt in de Amsterdamsche Courant: een foto van de brand in de Amsterdamse Stadsschouwburg. De foto bevatte het volgende onderschrift:
‘Het was een barre tijding die zich donderdagmorgen als een lopend vuurtje verspreidde door onze stad, en natuurlijk duizenden deed stromen naar het Leidscheplein, om de verwoestingen te aanschouwen die het woedend element aanrichtte in den algemeen bekenden schouwburg. Ook onze photograaf talmde niet, en reeds een paar uur na het uitbarsten van de vlammen en het optreden van de brandweer was hij op het Leidscheplein en zocht zich zoo goed en zoo kwaad hij kon een plek uit voor zijn toestel om voor de Amsterdamsche Courant ene opname te maken van dit belangwekkend schouwspel.(…)"
Vier dagen na de brand stond deze foto in de Amsterdamsche Courant; een snelheid die tot grote euforie leidde op de redactie van deze krant.
Omdat er slechts weinig van foto’s gebruik werd gemaakt ontstonden er in de jaren dertig een groot aantal fotopersbureaus. , waarvan Polygoon en Argus de bekendste waren. Ook persbureau Vaz Dias ging zich bezighouden met de fotografie.Veel kranten brachten dan ook dezelfde foto’s van actuele gebeurtenissen.
Bij tijdschriften is er een grotere rol voor de fotografie. Omdat het technisch moeilijk was om foto’s in kranten af te drukken vervulden tijdschriften vaak een illustratieve rol. Tijdschrift Het Leven ging vanaf 1915 alleen nog maar foto’s plaatsen. De houtgravures werden niet meer gebruikt. De redactie geeft de volgende verklaring:
‘Ons Nederlandsch illustratiekijkend publiek geeft in zijn nuchtere, maar bovenal waarheidslievende begeerte weinig om teekeningen. Het is "máár" getekend en "teekenen kun je àlles" zijn uitdrukkingen, ons volk in den mond bestorven, en het is misschien ook wel dáárom en dérhalve, dat men zich er in de Hollandsche illustratie-pers weinig op toelegt, teekenaars slecht betaald worden en deze omgekeerd dáárvòòr alle gelegenheid missen zich te oefenen en te bekwamen. Bij ons doet de foto alles".
Tot de Twede Wereldoorlog bleven fofo’s in kranten tot een minimum beperkt. Pas na de oorlog kwam de grote opmars van de krantenfoto’s. De techniek zorgde ervoor dat foto’s steeds sneller ontwikkeld konden worden. Grote persbureaus als het ANP gingen zich ook toeleggen op de fotografie en er kwamen aparte fotojournalisten en er werden verenigingen voor fotojournalisten opgericht. Omdat de camera’s handzamer werden, waren de foto’s ook actueler.
5. Onderzoeksvraag
Zoals ik al in mijn inleiding vermeldde wil ik als onderzoeksvraag gebruiken:
‘De rol van de foto in geïllustreerde tijdschriften is veranderd van een kunstzinnige illustratie bij het nieuws tot een onderdeel van de berichtgeving’
Met deze stelling wil ik kijken wat de invloed van de technische ontwikkeling van de fotografie is op het gebruik van de foto’s in tijdschriften. Gaan tijdschriften door de mogelijkheid van actuele foto’s ook meer actueel nieuws brengen? Heeft de mogelijkheid tot het plaatsen van foto’s in kranten de positie van foto’s in het geïllustreerde tijdschrift verdrongen?
Dit zijn enkele vragen die ik in mijn onderzoek probeer te beantwoorden. Ik denk dat dit goed mogelijk is door het vergelijken van de berichtgeving in 1925 met die van 1953. Omdat de na de Tweede Wereldoorlog de techniek van de fotografie met sprongen vooruit is gegaan moet er een duidelijk verschil merkbaar zijn. Om de invloed van de krant in mijn onderzoek te kunnen verwerken zal ik ook enkele kranten uit de betreffende periodes bekijken.
Hoewel ik ook de tekst bij de foto’s zal bekijken nemen de foto’s in mijn onderzoek de belangrijkste plaats in. Teksten zijn nodig bij dit onderzoek om te kunnen zien of de foto’s aan de tekst zijn gelieerd of los staan. Een inhoudsanalyse van de teksten in de tijdschriften beschouw ik echter niet tot doel van dit onderzoek.
6. Tot slot
Ik heb in het kort een aantal aspecten die van belang zijn bij mijn onderzoek aangestipt. Een aantal onderwerpen zal ik in mijn slotwerkstuk verder uitwerken. Zeker de geschiedenis van de persfotografie zal daarin uitgebreider behandeld worden.
Verder zal ik in mijn slotwerkstuk nog ingaan op de verhouding tussen kranten en tijdschriften. Op dit moment ben ik daar nog niet aan toegekomen. Verder zal ik nog proberen het tijdschrift Panorama te bemachtigen. Tot nu toe is dat diet gelukt, maar als ik alsnog in slaag zal ik een aantal wijzigingen aanbrengen in het lijstje met tijdschriften. Eén van de tijdschriften die ik rond de ramp in Zeeland behandel zal dan vervangen worden door Panorama.
Literatuurlijst