[Nienke Bakker]

Literatuur, Paper, Referaat, Co-referaat , Slotwerkstuk

Als je hier met de rechtermuisknop klikt, en 'save target as' klikt, kun je dit paper als Word bestand opslaan. Dan kun je het vanaf daar printen. 

‘Brand! En brand is nieuws!’

 

Dagbladen over vier grote branden in Nederland (1868-1977)

 

Inhoud:

0. Vooraf *

1. De Branden *

1.1: 11 maart 1868: De brand te Genemuiden *

1.2: 17 april 1929: Brand in het Paleis voor Volksvlijt *

1.3: 18 mei 1948: Brand in paleis Noordeinde *

1.4: 9 mei 1977: Brand in Hotel Polen *

2. Verantwoording van de dagbladen *

3. De Dagbladen *

3.1 De Amsterdamsche Courant en De Telegraaf *

3.2 De Nieuwe Rotterdamsche Courant / het NRC Handelsblad *

3.3 Provinciale Groninger Courant / Het Nieuwsblad van het Noorden *

4. Vraagstelling *

5. Vervolgonderzoek en Conclusie *

6. Literatuur *

 

0. Vooraf

Een ramp is per definitie nieuws. De vuurwerkramp in Enschede is dagenlang voorpaginanieuws geweest. De zwartgeblakerde flats na de Bijlmerramp waren in elke krant en op elk journaal te zien. Maar ook oudere rampen hebben het nieuws gehaald: het vergaan van de Herald of Free Enterprise in 1987, de watersnoodramp in 1953, de windhoos in Borculo in 1925 tot de kruitontploffing in Muiden in 1883.

De manier waarop verslag is gedaan is in de loop van de tijd wel veranderd. Door de techniek, door de professionalisering van de journalistiek en door de vele maatschappelijke ontwikkelingen. In het onderzoekscollege journalistiek ‘Stop de persen!’ kijken de studenten naar de verslaggeving rond verschillende Nederlandse rampen. De centrale onderzoeksvraag is: hoe heeft de journalistieke conventie rond de behandeling van rampen zich in Nederland ontwikkeld tussen 1883 en 2000?

Voor mijn bijdrage ga ik zelfs nog verder terug; naar 1868. Ik bekijk vier grote branden in Nederland: de stadsbrand van Genemuiden in 1868, de brand in het paleis voor Volksvlijt in 1929, brand in het paleis Noordeinde in 1948 en de brand in hotel Polen in 1977.

Deze paper geeft een overzicht van het vooronderzoek dat ik tot nu toe gedaan heb. Het verloop van de branden komt aan de orde, maar een groot deel van de paper zal gaan over de geschiedenis van de kranten die ik heb bekeken. Na deze oriëntatie op de branden en de dagbladen zal ik mijn vraagstelling presenteren en de manier waarop ik deze denk te gaan beantwoorden.

1. De Branden

1.1: 11 maart 1868: De brand te Genemuiden

Het is woensdagavond 11 maart 1868. De bewoners van het kleine stadje Genemuiden bereiden zich voor op de nacht als om half elf de brandklokken beginnen te luiden.

Het is niet de eerste keer dat het stadje, in de omgeving van Kampen en Zwolle, wordt bedreigd door een vlammenzee. Het stadje leeft van het hooi-etende vee en de productie van biezen matten. De hooibergen en schuren met biezen hebben ook in de jaren 1521, 1580 en 1625 al grote delen van het stadje aan het Zwartewater in de as gelegd.

Maar de grootste brand in de geschiedenis van Genemuiden is de stadsbrand van 1868. De brand breekt uit in de plaatselijke bakkerij en breidt zich door de ongunstige wind snel uit. Binnen een kwartier staan al twintig woningen in brand. De met rieten daken bedekte huizen vatten snel vlam en de drie spuiten uit het stadje kunnen onmogelijk de vlammen bedwingen. De bevolking raakt in paniek als overal brandende stukken hout en huisraad door de lucht vliegen en het loeiende vee door de stad rent. Tijd om inboedel te redden is er niet en de bewoners vluchten naar de haven waar ze in boten trekken of zich met de veerpont naar de andere kant van het Zwartewater laten brengen. Door de machteloosheid en paniek verbrandt één van de drie spuiten.

Elkaar helpen is niet aan de orde, want de brand is overal en pas rond middernacht komt er versterking van twee spuiten uit Zwartsluis en om vijf uur in de ochtend arriveert een spuit uit Vollenhove. De volgende middag rond drie uur komt de brandweer uit Kampen om de mensen uit Zwartsluis af te lossen en de inmiddels defecte spuit uit Vollenhove te vervangen. Hoe ontzettend groot de brand is, blijkt wel uit het feit dat het blussen zesendertig uur lang onverminderd doorgaat.

De hele bevolking blijft gespaard, maar de brand verwoest uiteindelijk wel 140 gebouwen waaronder 105 woningen, alle scholen, het raadhuis (met de gemeentearchieven!), een aantal pakhuizen en schuren en verder 39 hooibergen.

Al snel komen de volgende dagen hulpacties uit het hele land op gang: dekens, tenten en voedsel voor de zeshonderd daklozen worden naar Genemuiden gebracht. Genemuidenaren van wie de huizen wel bewaard zijn gebleven, bieden onderdak aan dakloze familieleden. De commissaris van de koningin van Overijssel Graaf van Blijlandt en de minister van Binnenlandse Zaken Heemskerk bezoeken het stadje. Tegelijk met de hulpacties komt het ramptoerisme op gang; zondag 15 maart komen veel nieuwsgierigen met een stoomboot naar Genemuiden om de nog smeulende ruïnes te bekijken.

1.2: 17 april 1929: Brand in het Paleis voor Volksvlijt

Op 7 september 1859 wordt de eerste paal geslagen van het Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam. Dit Paleis zal onder andere gaan dienen als tentoonstellingsgebouw, toneelzaal, muziektheater, rolschaatsbaan en café. Het initiatief komt van Dr. Samuel Sarphati die Amsterdam weer de positie wil geven die zij in de Gouden Eeuw had. Sarphati wil Amsterdam uit de impasse van saaiheid en achterstand halen en naar buiten toe laten zien wat zij aan industrie, landbouw en koophandel te bieden heeft. De architect Cornelis Outshoorn ontwerpt het paleis waarbij hij duidelijk geïnspireerd is door het Londense Crystal Palace.

Vijf jaar na het slaan van de eerste paal vindt de feestelijke opening van Het Paleis voor Volksvlijt plaats, een gebouw van ‘glas en ijzer’. Hoewel het Paleis enkele keren kleiner is dan het voorbeeld in Londen is het een enorm gebouw. Met veel Griekse en Romeinse accenten heeft Outshoorn er een architectonisch en stedebouwkundig meesterwerk van gemaakt.

Jarenlang speelt het culturele leven en het uitgaansleven van de stad zich af in dit Paleis dat van binnen eenvoudig is, maar van buiten sprookjesachtig en imposant; de trots van de Amsterdammers. Tot in de nacht van 17 op 18 april 1929 dit gebouw in vlammen opgaat; de trots van Amsterdam brandt tot op de grond af.

Een journalist van dagblad Het Volk rijdt rond half drie ’s nachts door de stad naar huis als hij plotseling de brand ontdekt. "Een reusachtige vlam schoot uit het Paleis voor Volksvlijt knetterend omhoog. Brand! En brand is nieuws!" In een paar uur gaat het Paleis volledig in vlammen op; het is een enorm schouwspel vanwege het smeltende lood en zink dat voor verschillende kleuren zorgt. Een stevige zuidwestelijke wind wakkert de vlammen flink aan en rond vier uur komt de hoofdingang met geweld naar beneden, de koepel met het Victoriabeeld komt mee omlaag en tenslotte stort om half vijf ook de voorgevel in. Het is de grootste brand van Amsterdam in jaren.

Er zijn geen dodelijke slachtoffers, maar veel Amsterdammers zijn hun baan, hun kostuums of decors kwijt. Over de oorzaak van de brand is niets met zekerheid bekend. Waarschijnlijk is er brand ontstaan in het café. Jarenlang suggereren de Amsterdammers dat de brand is aangestoken, omdat de grond zoveel waard is, het gebouw goed verzekerd is en de administratie van het Paleis niet helemaal op orde is. Enig bewijs van brandstichting wordt nooit gevonden.

1.3: 18 mei 1948: Brand in paleis Noordeinde

Frederik Hendrik wordt in de zeventiende eeuw stadhouder en betrekt als één van de eerste Oranjes het Paleis aan het Noordeinde te Den Haag. Wilhelmina zal aan het begin van de Tweede Wereldoorlog de laatste zijn die in het paleis woont. Na de oorlog wil zij niet meer terug naar Noordeinde en ze vertrekt naar Paleis het Loo. Alleen voor enkele officiële gelegenheden wordt dan nog gebruik gemaakt van Paleis Noordeinde.

Op 18 mei 1948 vertrekt rond drie uur ’s middags één autospuit van de brandweer Den Haag naar Paleis Noordeinde voor een kleine binnenbrand. Een personeelslid meldt dan dat er bij het afbranden van verf een daklijst in brand is geraakt en dat deze maar blijft smeulen. Een half uur later wordt er versterking gevraagd en blijkt de brand al behoorlijk groot te zijn. Toevallig is er op dat moment in Den Haag een grote brandweertentoonstelling waar brandweerlieden uit het hele land naar toe zijn getrokken. Vol ‘vuur’ helpen manschappen uit Assendelft, Alkmaar, Groningen, Arnhem en Hilversum de brand te bestrijden.

De vraag waarom er in eerste instantie maar één brandweerwagen naar het paleis vertrekt is eenvoudig te beantwoorden; de paleisdienst wil in het geval van brand zo min mogelijk opschudding veroorzaken. Een brandje nog eerder die middag had de paleisdienst wél met eigen middelen kunnen blussen.

Kort na de eerste versterking komt een tweede verzoek om versterking en na tien minuten staat het hele wagenpark van de Haagse brandweer rondom het paleis. De brand heeft zich dan inmiddels uitgebreid van de kap van het middendeel aan de straatzijde naar de daaronder gelegen zalen. De grote en de kleine balzaal in het middendeel branden volledig uit en ook de balkonzaal gaat verloren doordat de plafonds naar beneden storten.

Als de intendant van het paleis (ambtenaar belast met het beheer van de huishoudelijke bezigheden) vindt dat er genoeg onbevoegden in de paleistuin staan, geeft hij de opdracht om de pers te laten verdwijnen. Het gezelschap journalisten verlaat braaf de tuin, maar moet zich (net als de militairen) wel eerst laten fouilleren.

Tot een schandaal heeft de brand nooit geleid, al was daar volgens Dalen Gilhuys alle reden toe: de brandweer was te laat gewaarschuwd en aanvankelijk naar de verkeerde plaats gedirigeerd (de achterkant, omdat dat minder ophef zou veroorzaken), zonder overleg met de brandweer waren schilderlieden aan het werk gezet met afbranders en tenslotte de vernederdingen die de pers en de militairen moesten doorstaan. Dalen Gilhuys meent dat de tijd nog niet rijp was voor een schandaal. ‘In die dagen brandden we onze vingers liever nog niet aan het koningshuis.’

1.4: 9 mei 1977: Brand in Hotel Polen

Hotel Polen. De oudste gegevens over het pand dateren van begin zestiende eeuw: tussen de Kalverstraat en het Rokin in Amsterdam is in die tijd een logement gevestigd. Het pand krijgt na uitbreiding in 1891 de naam ‘Hotel Polen’ en in 1968 volgt er een verdere uitbreiding. Halverwege de jaren ’70 wordt het café-restaurant gedeelte gesloten en kunnen de gasten alleen nog ontbíjten in het hotel. De vrijgekomen ruimte wordt verhuurd aan een meubelbedrijf dat er een toonzaal van maakt. Tegenwoordig valt een deel van het pand onder het Krasnapolsky-concern.

In de vroege ochtend van maandag 9 mei bevinden zich 109 gasten in het hotel, waarvan een grote groep Zweden al vroeg zal vertrekken. De portier wekt hen rond 6.20 uur en op dat moment is de ontbijtkok al een kwartier bezig met de voorbereidingen voor het ontbijt. Het is deze kok die rook ontdekt in de goederenlift. Hij alarmeert de portier en tegen de instructies in beginnen begint het personeel zelf te blussen voordat ze de brandweer bellen. Dit doen ze pas als ze ontdekken dat de brand uit de hand gaat lopen.

En dat gaat hard. De brandgevaarlijke meubels in de toonzaal vatten snel vlam en ook nabijgelegen panden (waaronder boekhandel en antiquariaat ‘De Slegte’) staan binnen korte tijd in brand. Om kwart voor zeven arriveert de brandweer en de bevelvoerder geeft aanvankelijk het sein ‘middel-brand’, maar vrijwel direct daarna omschrijft hij het vuur als ‘zeer grote brand’. De bevelvoerder vraagt om alle autoladders en zoveel mogelijk ziekenwagens.

De meeste gasten hebben dan wel door dat er iets aan de hand is. Enkelen van hen weten via de platte daken te vluchten, anderen wachten in de dakgoot op hulp en weer anderen zijn in paniek naar beneden gesprongen. De brandweer besluit zich in de eerste plaats te richten op de veiligheid van de hotelgasten, wat als nadelig gevolg heeft dat de brand zich sneller uitbreidt.

Om zeven uur stort de gevel aan de kant van de Kalverstraat in, niet veel later stort ook een gedeelte van de boekhandel in en het zwaarste deel van de constructie van het hotel begeeft het rond half negen. Een uur later geeft de brandweer aan het vuur onder controle te hebben. Op dat moment zijn ongeveer tachtig brandweerlieden in touw om de vlammen te bedwingen. In de loop van de middag wordt begonnen met het zoeken naar slachtoffers; daarvoor moet voorzichtig puin worden verwijderd. Vijf dagen lang is men hier mee bezig. De brand heeft uiteindelijk het leven gekost aan 33 personen (32 hotelgasten en één omwonende) en 46 hotelgasten raken gewond, waarvan 21 zwaar en 25 licht. De totale schade aan gebouwen en inventaris wordt geschat op 16 miljoen gulden. Na de ramp komen van verschillende kanten vragen (tot in de Tweede Kamer) hoe de brand zo uit de hand heeft kunnen lopen. Een belangrijk aspect bij de beantwoording hiervan is de vraag in hoeverre het hotel aan de brandveiligheidsvoorschriften heeft voldaan.

 

2. Verantwoording van de dagbladen

In mijn onderzoek laat ik de weekbladen buiten beschouwing; in het kader van dit college zou dit te ver voeren, omdat ik voor vier branden, vijf edities van de weekbladen zou moeten bekijken. Ik heb daarom besloten het bij dagbladen te laten en heb gekozen voor De Telegraaf, het NRC Handelsblad en het Nieuwsblad van het Noorden.

Er waren voor mij twee criteria waaraan de dagbladen moesten voldoen:

Ten eerste moesten ze minstens verschijnen van 1868 tot 1977; de jaren waarin respectievelijk de branden in Genemuiden en Hotel Polen uitbraken. Het bleek niet mee te vallen om drie kranten te vinden die deze hele periode verschenen.

Ten tweede wilde ik de berichtgeving van een zogenaamde ‘populaire’ krant die het grote publiek als doelgroep heeft, vergelijken met een zakelijke krant die kwaliteit verkiest boven kwantiteit. Deze twee kranten wilde ik weer vergelijken met een neutrale regionale krant.

De Telegraaf en de NRC bleken te voldoen aan deze criteria, al hebben beide kranten wel te maken gehad met verschillende fusies zoals hierna duidelijk zal worden. En de regionale krant? Die moest aan het eerste criterium voldoen en mocht verder niet verschijnen in de regio Zwolle (Genemuiden), Amsterdam (Paleis voor Volksvlijt en Hotel Polen) en Den Haag (Paleis Noordeinde). Zo kwam ik uiteindelijk bij het Nieuwsblad van het Noorden terecht.

Omdat De Telegraaf in 1948 nog een verschijningsverbod had, ben ik op zoek gegaan naar een vergelijkbare krant voor de verslaggeving van de brand in Paleis Noordeinde. Tot dusver heb ik die nog niet kunnen vinden omdat meerdere kranten in die tijd nog te maken hadden met een verschijningsverbod. Ik sta uiteraard open voor suggesties.

3. De Dagbladen

3.1 De Amsterdamsche Courant en De Telegraaf

De Telegraaf wordt pas in 1893 opgericht en kan de Nederlandse bevolking in 1868 daarom nog niets melden over de ramp in Genemuiden. De Amsterdamsche Courant bestaat dan al wel. De Amsterdamsche Courant krijgt haar naam in de loop van 1776 en komt voort uit de Courante uyt Italien ende Duytslandt, de eerste Nederlands gedrukte krant. Het oudst bekende nummer hiervan is vermoedelijk van 14 juni 1618.

De Amsterdamsche Courant verschijnt sinds 1848 (het jaar van de persvrijheid!) als dagblad. De krant lijdt in die tijd nog onder de zware kosten van het dagbladzegel dat pas in 1869 wordt afgeschaft. Over de inhoud van de Amsterdamsche Courant in de 19e eeuw schrijven Hemels en Schneider in ‘De Nederlandse krant’ weinig. Over de 18e eeuw zeggen zij dat de uniformiteit van de kranten in die dagen heel normaal is. Kranten hebben altijd dezelfde indeling: algemeen vooral buitenlands en officieel binnenlands nieuws, handels- en gemengde berichten en tenslotte de advertenties. Toch zijn er ook verschillen. Amsterdam schrijft relatief veel over geldzaken en de scheepvaart en de ‘gemengde berichten’ verschillen vaak sterk per krant. Gemengd nieuws bestaat in die tijd vooral uit sensationeel en wonderlijk nieuws, vaak nogal plastisch beschreven. De indeling van de berichten is veelal chronologisch; het oudste nieuws wordt het eerst verteld. Foto’s staan pas sinds 1891 in deze krant.

Mede door de komst van het Algemeen Handelsblad wordt de krant in 1882 als zelfstandige krant opgeheven. Op 31 januari 1903 neemt krantenmagnaat Holdert (toen al in bezit van De Telegraaf) de krant over.

Als in 1929 het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam afbrandt is De Telegraaf al wel op de markt en bericht zij over de ramp. Aan de wieg van De Telegraaf staat Henry Tindal, actief in de politiek en sinds 1888 in bezit van De Amsterdammer. Tindal richt in 1892 De Telegraaf op, waarvan op 1 januari 1893 het eerste nummer verschijnt. Volgens Scheffer die een boek over Tindal heeft geschreven, heeft Tindal De Telegraaf in eerste instantie als een complement op De Amsterdammer gezien: ‘De Amsterdammer is een avondblad en dus dient De Telegraaf een ochtendblad te zijn. De Amsterdammer is voor alles een politiek blad en daarom moet de nieuwe krant zich in politiek opzicht gedistantieerd opstellen. De Amsterdammer richt zich vooral tot een politieke en intellectuele elite, vandaar dat De Telegraaf bedoeld is voor een algemenere lezerskring en binnen die kring zich vooral wendt tot hen, die meer geïnteresseerd zijn in handel en nijverheid dan in politiek. Tezamen moeten Amsterdammer en Telegraaf de strijd tegen het Handelsblad voeren. Zo ongeveer moet Tindal hebben geredeneerd.’

Tindal is een ware krantenmagnaat en bezit naast de Amsterdammer het weekblad Algemeen Belang en het Geïllustreerd Politienieuws. Later dus ook De Telegraaf en als hij tegelijk met de Telegraaf het dagblad De Courant opricht, laat hij hier het Algemeen Belang in op gaan. Zijn succes is niet zo als hij heeft gehoopt en in 1901 wordt Tindal failliet verklaard. De Telegraaf en De Courant worden overgenomen door de drukker Holdert die iets meer verstand van zaken heeft. Hij brengt beide kranten onder in de NV Dagblad De Telegraaf. Hoofdredacteur wordt J.C. Schröder. In de oprichtingsakte laat Holdert vastleggen: ‘Het dagblad De Telegraaf en Het Zondagsblad, zullen nimmer de beginselen van eenige staatkundige of kerkelijke richting mogen voorstaan en steeds te dien opzichte volkomen neutraal zijn’. Volgens Scheffer zijn Holderts bladen rond de Eerste Wereldoorlog tamelijk ingetogen als je ze vergelijkt met buitenlandse bladen. Volgens Nederlandse maatstaven zijn ze echter erg sensationeel.

L.J. Plemp van Duiveland, hoofdredacteur van de Nieuwe Courant in 1901, zegt in 1930 over De Telegraaf dat deze krant na de Eerste Wereldoorlog wel fatsoenlijker geworden is, maar toch de krant van de ‘sportslieden en de financiers’ is gebleven. Als opinievormend blad zou ze zonder betekenis zijn: ‘Men mist alle vertrouwen in de consistentie harer denkbeelden’. De Telegraaf zou de Nederlandse pers in zoverre verbeterd hebben, ‘dat zij meer is overgegaan tot een betere indeeling, tot het aanbrengen van niet te schreeuwerige hoofden, tot het losser maken van den toon, tot vermijding en besnoeiing van veel vervelends, tot bekorting van langdradige verslagen, tot illustreering. Maar de sensatiezucht heeft zich niet van haar meester kunnen maken…’ Het is in deze tijd dat het Paleis voor Volksvlijt afbrandt.

 

In 1948 is er opnieuw brand. Nu in het paleis Noordeinde. Maar weer is De Telegraaf er niet om verslag te doen van de brand. Voor alle tot de bevrijding legaal verschenen kranten, dus niet alleen voor De Telegraaf, geldt na de oorlog een verschijningsverbod tot de zuiveringsprocedures voltooid zijn. Pas in 1949 verschijnt de krant weer.

Holdert stelt in de oorlog zijn persen beschikbaar voor nationaal-socialistische en Duitse dagbladen. Hierdoor slaagt hij er in eigenaar te blijven van De Telegraaf, al heeft dit wel gevolgen voor de inhoud. De meningen verschillen, maar veel reden om met trots terug te zien op de oorlog, heeft De Telegraaf niet.

 

In 1977 staat De Telegraaf vol over de brand in hotel Polen te Amsterdam. Deze krant heeft zich dan ontwikkeld tot de grootste en populairste krant van Nederland en één van de grootste dagbladen van Europa. In een in 1991 uitgegeven boekje, geschreven door C. Verwey, vertelt De Telegraaf haar formule voor selectie. Deze formule bestaat uit drie delen.

Het eerste deel is de inhoud. De Telegraaf opent de krant vaak met binnenlands nieuws en streeft ernaar op pagina één een berichtje te hebben dat de lezer verwondert, amuseert of ontroert. Altijd echter staat de leesbaarheid van het bericht centraal. Een massakrant als De Telegraaf richt zich vooral op praktische informatie, op menselijke verhalen en verstrooiing. De Telegraaf heeft een sterk elk-wat-wils karakter.

Deel twee is de opmaak. De Telegraaf wil zó’n vormgeving dat de lezer aan het lettertype voor zowel de koppen als het verhaal kan zien dat het artikel uit De Telegraaf komt.

Als laatste deel van de formule noemt De Telegraaf haar menselijke benadering. Het uitgangspunt is dat de mensen belangrijker zijn dan de dingen. Verwey schrijft: ‘De Telegraaf wil de vinger aan de pols van de geschiedenis houden: van dag tot dag, van uur tot uur, om de hartslag te voelen van wat er gebeurt. Voor mensen die willen lezen over mensen. Daar heeft De Telegraaf het druk mee. Journalistiek en technisch’.

 

 

3.2 De Nieuwe Rotterdamsche Courant / het NRC Handelsblad

Als in 1868 de brand woedt in het stadje Genemuiden is De Nieuwe Rotterdamsche Courant één van de kranten die verhaal doet. Op 23 september 1844 verschijnt de NRC onder leiding van boekverkoper H. Nijgh voor het eerst als dagblad. Het jaar daarvoor verschijnt de krant al als weekblad. In het eerste nummer motiveert Nijgh zijn uitgave met de gedachte dat Rotterdam als tweede stad van Nederland een eigen orgaan moet hebben om de stedelijke belangen te behartigen en vooral die van de handel. Tegelijk verklaart de redactie ‘echt constitutionele begrippen’ te willen verspreiden, alle regeringsdaden te zullen toetsen aan de grondwet, ‘de hoeksteen onzer vrijheid’, en vooral de vrijhandelsgedachte te zullen propageren.

In technisch opzicht heeft de NRC de andere Nederlandse bladen al snel ingehaald, maar op het politieke vlak blijft ze eerst wat achter. Maar al snel zal hoofdredacteur Tels in de jaren 1843-1885 de NRC tot een politiek orgaan van de eerste rang maken.

De krant van directeur Nijgh moet volgens hemzelf ‘het denkend publiek’ kunnen bevredigen. Dit zegt iets over de markt waarop de krant moet verschijnen, maar ook over het niveau van de krant. Deze moet de lezer voeden met informatie en met denkbeelden en beschouwingen over de actuele ontwikkelingen in het land en in de wereld. In 1844 wordt de krant grotendeels gefinancierd door liberale aandeelhouders. De NRC verschijnt in de liberale sfeer die doordrongen is van verlangen naar constitutionele vernieuwing en naar geestelijke en economische vrijheid. Toch is de redactionele leiding nooit gekoppeld geweest aan een politieke partij.

Volgens hoofdredacteur Tel wil de NRC niet toegeven aan de waan van de dag en zij wil geen oppositie bedrijven alleen ter wille van de oppositie. Gematigdheid is voor hem steeds de leidraad geweest: ‘gematigdheid zonder flaauwheid’. De NRC wil in het politiek commentaar geen kritiek op de persoon geven, maar wil de daden en het beleid beoordelen.

Als in 1929 de brand in het Paleis voor Volksvlijt uitbreekt, heeft de NRC al een hele ontwikkeling doorgemaakt. Op 1 november 1877 komt de NRC naast een ochtendblad ook met een avondblad, zonder de abonnementsprijzen te verhogen. Dit niet alleen uit het oogpunt van de service maar ook om te kunnen concurreren met het Rotterdamsch Nieuwsblad dat het volgende jaar zal verschijnen. De NRC schrijft zelf: ‘Op den duur is de volgende situatie ontstaan: de NRC bleef het landelijke blad van liberale signatuur […] en het Rotterdamsch Nieuwsblad werd een blad voor Rotterdam en omstreken, behorende tot wat tegenwoordig heet de ‘neutrale’ plaatselijke en regionale pers.’ De krant verwerft door zijn in omvang steeds toenemende, veelzijdige en snelle berichtgeving én door zijn betrouwbare voorlichting de reputatie van een wereldkrant. De krant heeft eigen correspondenten en telegrafische diensten wat als gevolg heeft dat de krant vaak als bron dient voor andere kranten. De opmaak van de NRC blijft heel lang ouderwets en rustig; tot het begin van de jaren twintig van de twintigste eeuw staan er zelfs geen foto’s tussen het nieuws. Door tijdgenoten wordt de krant hoog gewaardeerd: ‘De NRC […] voldoet aan al de eischen die men aan een dagblad van den eersten rang kan stellen’.

 

Tijdens de Tweede Wereldoorlog is de bezetter opvallend coulant tegenover de NRC. Onder hoofdredacteur Luijts blijft de NRC verschijnen en zelfs zo dat in het buitenlands overzicht voor de goede lezer heel wat staat dat in die tijd niet overal in de bovengrondse pers te lezen is. Aan de andere kant schrijft Luijts zelf in die tijd dingen die concessies zijn aan de bezetter. Toch krijgt de naoorlogse NRC al vrij snel een verschijningsvergunning, al is het onder de bedrijfsnaam Nationale Rotterdamsche Courant N.V. De eerste naoorlogse NRC verschijnt op 28 juli 1945. Om even te vergelijken: dit is vier jaar eerder dan De Telegraaf. De nieuwe hoofdredacteur Van Rooij schrijft in het hoofdartikel van de eerste naoorlogse NRC dat hij terug wil naar de reputatie van de vooroorlogse NRC.

Pas in 1947 krijgt de krant weer haar oude naam Nieuwe Rotterdamsche Courant, de nummering van de jaargangen hervat ze dan. In hetzelfde jaar begint de NRC als eerste dagblad in Nederland met een weekendbijvoegsel. In het algemeen hebben de naoorlogse kranten er moeite mee om de opinievormende taak die zij voor de oorlog hadden weer op te pakken. Er wordt gezegd dat de weekbladen deze functie hebben overgenomen. De NRC daarentegen krijgt in 1950 een eervolle internationale vermelding; een onderscheiding van de universiteit van Missouri. Met als motivatie: ‘in erkenning van haar hoge aanzien gedurende meer dan een eeuw als leidster van de openbare mening in Nederland en van haar huidige positie als een der geachtste dagbladen van Europa’. In dit naoorlogse klimaat, waarin de kranten weer proberen op te krabbelen – wat de NRC blijkbaar redelijk lukt – breekt op Paleis Noordeinde brand uit. Hoewel de NRC nog een dunne krant is, zal ze op de plek van de brand zijn om verslag te doen.

 

1977, brand in hotel Polen. In plaats van de NRC zal nu het NRC Handelsblad verslag doen.

Tot in de jaren zestig is het heel gebruikelijk dat kranten, de zogenaamde richtingbladen, zich aansluiten bij levensbeschouwelijke of politieke denkbeelden; dit zijn de zogenaamde richtingbladen. Deze kranten zijn christelijk-nationaal, rooms-katholiek, socialistisch, communistisch of liberaal. Door de ontzuiling in Nederland in de jaren zestig, verdwijnen deze etiketten langzaam maar zeker. De NRC is sinds 1970 gefuseerd met het Algemeen Handelsblad en verschijnt nu onder de titel NRC Handelsblad. De krant is progressief-liberaal. Beide kranten zijn vóór de fusie vanwege hun stedelijk karakter liberaal-vrijzinnig, maar enkele jaren na het samengaan van de kranten is er geen ruimte meer voor plaatselijke accenten. Aanvankelijk daalt de oplage van 110.000 van AH en NRC samen tot 89.000 van NRC Handelsblad in 1973. De krant herstelt zich snel door meer aan eenheid te winnen en een belangrijke forumfunctie te vervullen. Vanaf 1974, mede onder invloed van het opgeheven dagblad De Tijd, stijgt de oplage weer tot boven de 100.000.

 

 

3.3 Provinciale Groninger Courant / Het Nieuwsblad van het Noorden

Op 9 oktober 1787 verschijnt het eerste nummer van de Provinciale Groninger Courant, dan nog onder de naam Ommelander Courant. Bijna honderdvijftig jaar later zal de liberale krant zichzelf uit de markt prijzen. In het laatste hoofdartikel van de Provinciale staat: ‘Een courant voor de grote massa is de Provinciale Groinger Courant nooit geweest en heeft zij ook niet willen zijn. Met het liberalisme is de Provinciale Groninger groot geweest.’ Trouw aan het liberalisme is de krant ook nog als in 1868 het stadje Genemuiden afbrandt en de krant daar verslag van doet.

In 1935 verdwijnt de Provinciale Groninger Courant. Deze op één na oudste krant van Groningen wordt dan opgenomen in het veel jongere Nieuwsblad van het Noorden.

Het Nieuwsblad van het Noorden bestaat dan al 47 jaar. Opgericht in 1888 heeft Het Nieuwsblad altijd een eigen koers gevaren. Op 2 juni van dat jaar verschijnt onder leiding van Joan Nieuwenhuis – die net een nederlaag heeft geleden met het Groninger Weekblad – het eerste Nieuwsblad. Het zal Nieuwenhuis niet lukken uit de schulden te komen en in augustus van het oprichtingsjaar koopt Ruurt Hazewinkel voor 250 gulden het Nieuwsblad over van Nieuwenhuis.

Aanvankelijk richt Hazewinkel zich, net als Nieuwenhuis, niet op de gebieden buiten de Groninger provinciegrenzen. Wel stelt hij extra hoofdagenten aan en start hij een campagne om kleine advertenties en familieberichten aan te trekken. Ook de abonneewerving krijgt grote aandacht, en met succes: al in september wordt de duizendste abonnee geboekt. De drukker Hazewinkel is dan courantier geworden. Hij heeft goed gezien dat er behoefte bestaat aan een fatsoenlijk ‘onpartijdig volks- en advertentieblad voor stad en dorp’, zoals vanaf 1893 de ondertitel van de krant zal zijn. Hazewinkel zal het Nieuwsblad van het Noorden uitbouwen tot de grootste krant van Noord-Nederland. In 1929 bericht de krant over de brand in het Paleis voor Volksvlijt. Als kop staat boven de krant: ‘Nieuwsblad van het Noorden’, met daaronder: ‘waarin opgenomen de Provinciale Groninger Courant opgericht 1787’.

 

Ook het Nieuwsblad van het Noorden ontkomt niet aan de perszuivering. Na veel brieven en zelfs rechtszaken verschijnt de krant een jaar na de bevrijding al weer. De terugkomst van het Nieuwsblad is enigszins omstreden. De krant zou in de oorlog te loyaal ten aanzien van de bezetter zijn geweest. Toch krabbelt ze er weer bovenop. In 1948 heeft het Nieuwsblad een oplage van 50.422 exemplaren; dat is 37% van de dagbladen die in dat jaar in de provincie Groningen verschijnen. De krant blijft haar neutrale koers varen, ook als in 1948 brand uitbreekt in paleis Noordeinde.

 

In 1977, het jaar van de brand in Hotel Polen, zijn vrijwel alle dagbladen uit het Noorden verdwenen, met uitzondering van Het Nieuwsblad en de Winschoter Courant. De oplage is dan 131.105, dat is 83% van de dagbladen in de provincie. In 1964 is dhr. Vaders de enige hoofdredacteur van het Nieuwsblad. Een nieuwe lichting met andere opvattingen is dan aangetreden. De tijd van de krant als opvoeder is voorbij. Het Nieuwsblad schrijft zelf in 1969: ‘De krant die probeert zijn lezers te veranderen, zal alleen bereiken, dat de lezers van krant veranderen. De lezer wil niet veranderen.’ De krant wil ‘een goedkoop dagblad zijn voor iedereen, dat in ruime mate voorlichting biedt, met een sterk regionaal karakter en vastverankerd in het noordelijke leven.’ De veranderingen passen in ‘de tendens naar professionalisering en specialisatie’ zoals die zich bij in die tijd bij meer kranten voordoet. Er komt meer ruimte voor een gespecialiseerde berichtgeving, evengoed als er meer aandacht en ruimte komt voor de verstrooiende functie van de krant. Met haar nieuwe visie wil het Nieuwsblad de concurrentie met de landelijke dagbladen aangaan.

4. Vraagstelling

Wat mij opvalt bij een eerste blik op de kranten uit 1868, is de oproep om geld en goederen in te gaan zamelen voor de slachtoffers. De ene krant besteedt hier veel meer aandacht aan dan de andere. In het ene artikel is sowieso veel meer aandacht voor de slachtoffers dan in het andere artikel. Maar ook de manier waarop men over slachtoffers spreekt, is verschillend. Soms is het een oproep aan de lezer om geld en medeleven, soms wordt er alleen bekend gemaakt wat de slachtoffers hebben meegemaakt of verloren. Ik realiseer me dat het leed van de slachtoffers natuurlijk per brand verschilt. In verband met deze waarneming kom ik tot de volgende vraagstelling:

"Waarin wijken de verschillende dagbladen tussen 1868 en 1977 van elkaar af in de wijze waarop zij bij de verslaggeving van een grote brand aandacht besteden aan de slachtoffers?"

Verschillende aspecten zullen hierbij aan de orde komen, zoals: in hoeveel artikelen wordt aandacht geschonken aan de slachtoffers? Gaat het om materiële schade of om geestelijke schade? Toont een krant betrokkenheid met de slachtoffers of wordt er zakelijk melding gemaakt van de ellende? Doet een krant zelf pogingen om de slachtoffers te helpen?

Uiteindelijk probeer ik twee lijnen te ontdekken. Ten eerste de lijn per krant door de tijd: wijzigt een krant in de loop der tijd de wijze waarop zij aandacht besteedt aan de slachtoffers? Ten tweede wil ik de kranten onderling vergelijken: waarin wijken de kranten van elkaar af in de berichtgeving over de slachtoffers? Beantwoording van deze twee deelvragen moet uiteindelijk een antwoord geven op de hoofdvraag van mijn onderzoek.

 

5. Vervolgonderzoek en Conclusie

Hoe pak ik dat aan? Alle artikelen die ik inmiddels heb gekopieerd, ga ik voor zover ik dat nog niet heb gedaan, doorlezen. Elk fragment dat over slachtoffers gaat, markeer ik en houd ik apart. Ik ga deze fragmenten op de onder paragraaf 4 genoemde aspecten bekijken. Tijdens het onderzoek kom ik ongetwijfeld nog andere belangrijke aspecten tegen die ik dan uiteraard ook ga bekijken. Met deze paper heb ik geprobeerd een overzicht te geven van mijn vooronderzoek. De vraagstelling die ik heb geformuleerd, is een voorlopige vraagstelling. Het is dus best mogelijk dat ik hem in de loop van het onderzoek moet bijstellen.

Brand is er elke dag. De ene keer groter, ernstiger of zelfs rampzaliger dan de andere keer. Brand leeft onder de mensen, brand maakt angstig, brand is verwoestend. Bijna elke dag vermelden dagbladen kleinere en grotere branden. Het is erg interessant om deze veel voorkomende berichtgeving te bekijken over een periode van ruim een eeuw. Dit onderzoek kan geplaatst worden tussen de onderzoeken van mijn medestudenten. Zo zullen we gezamenlijk proberen om de ontwikkeling in kaart te brengen van de journalistieke conventie met betrekking tot rampberichtgeving tussen 1883 en 2000.

6. Literatuur