[Sanne ten Hoove]

Literatuur, Paper, Referaat, Co-referaat , Slotwerkstuk

Als je hier met de rechtermuisknop klikt, en 'save target as' klikt, kun je dit paper als Word bestand opslaan. Dan kun je het vanaf daar printen. 

De Nederlandse Titanic

De ramp met de veerboot Berlin, februari 1907

Door Sanne ten Hoove

Inleiding

De grootste en gruwelijkste scheepsramp aller tijden voor de Nederlandse kust. Zo is de ramp met de veerboot "SS Berlin" in 1907 te omschrijven. Maar liefst 129 opvarenden verdronken in de nacht van 20 op 21 februari in het ijskoude Noordzeewater vlak voor de kust van Hoek van Holland. De ramp maakte een onuitwisbare op de bewoners van het kustplaatsje. Het gekrijs van de slachtoffers, de tientallen aangespoelde lijken: de Hoekenaren praatten er tientallen jaren later nog over.

Dit onderzoek richt zich op de verslaggeving van de ramp in kranten en weekbladen. Ik zal eerste een beschrijving van de ramp geven. Daarna zal ik mijn keuze voor de kranten en weekbladen toelichten. Vervolgens geef ik mijn stelling die in de rest van het onderzoek centraal zal staan. Tot slot zal ik de geschiedenis van de uitgekozen dag- en weekbladen kort beschrijven.

1. De ramp

Het is kwart over vijf in de ochtend als de stoomboot ‘Berlin’ de haven van Hoek van Holland nadert. De nachtelijk overtocht vanuit de Engelse havenstad Harwich zit er bijna op: de passagiers maken zich op om aan land te gaan. Er woedt een hevige Noord Noordwester storm, windkracht elf, weersomstandigheden die het uiterste vragen van kapitein Precious. Hoewel eerder in de nacht twee schepen de haven van Hoek van Holland niet durfden binnen te lopen, aarzelt hij niet. Vastberaden koerst hij op de kust aan, daarbij vertrouwend op zijn jarenlange ervaring en de kracht van zijn schip. De ‘Berlin’ staat onder zeelui bekend als een betrouwbaar, ijzersterk schip. De twee stoomturbines geven hem een grote stuwkracht. Bovendien beschikt de boot over twee schroeven. Maar honderd meter voor de kust slaat het noodlot toe. De ‘Berlin’ raakt plotseling uit koers en zwiept van links naar rechts. De vuurtorenwachter ziet met zijn verrekijker dat het schip onbestuurbaar is geworden. "Het was reddeloos overgegeven aan de willekeur der torenhooge golven." De ‘Berlin’ komt dwars op de golven te liggen en klapt op de punt van de Noordeerpier, waar hij overdwars blijft liggen: de voorsteven aan de ene kant, de achtersteven aan de andere. Kapitein Precious zet zijn machines vol in de achteruit, maar het wil niet helpen, de ‘Berlin’ zit muurvast. Kapitein Jansen van de reddingsboot "President van Heel" wordt direct ingeseind. Om half zeven zet hij met zijn stoomboot koers naar de gestrande ‘Berlin’.

1.1 De reddingspogingen

De bemanning beseft al snel dat het onmogelijk is om langszij de ‘Berlin’ te komen: het risico om zelf te pletter te slaan is te groot. Daarom vaart schipper Jansen met een boog om de ‘Berlin’ heen en gooit hij op veilige afstand zijn anker uit. De bemanning doet verwoede pogingen om een lijn aan de ‘Berlin’ te bevestigen. Tot drie maal toe mislukt dit, maar de vierde keer is het wel raak. Dan tilt een hoge golf de ‘President van Heel’ op. De reddingslijn schiet los en het anker breekt af. De redders moeten wel terug om een ander anker op te halen. Met de dood in hun ogen zien de passagiers dat het schip weer terugkeert naar de haven van Hoek van Holland. Ze smeken kapitein Jansen om te blijven, want ze weten dat het schip langzaam maar zeker in tweeën breekt.

Terwijl de ‘President van Heel’ een ander anker ophaalt, gebeurt het onvermijdelijke. De ‘Berlin’ scheurt in tweeën. Stuk voor stuk verdwijnen de passagiers in het voorsteven in de golven. Hun gekrijs is tot op het strand te horen. Als de reddingsboot even later arriveert drijven de lijken in het water. Slechts één persoon wordt levend opgevist.

Niemand weet dan hoeveel passagiers zich nog op het achtersteven bevinden. De reddingsboot blijft de hele donderdag in de buurt van de ‘Berlin’, maar kan niets uitrichten. Ook blijkt het vanwege de hoge golven onmogelijk om via de pier het gestrande schip te bereiken. Vrijdagochtend om tien uur arriveert Prins Hendrik op de rampplek. Hij neemt per boot polshoogte bij de ‘Berlin’ en ziet in de kombuis drie à vier mensen zitten. Ook brengt de Prins een bezoekje aan de loods waar de lijken liggen opgebaard.

’s Middags is het weer opgeklaard. Vier reddingsboten trekken erop uit voor de volgende poging. Eindelijk lukt het om een lijn te bevestigen. Elf mensen worden gered.

2. Hoek van Holland: de Nederlandse bermudadriehoek

De ramp met de ‘Berlin’ staat niet op zichzelf. Tussen 1873 en 1907 gingen maar liefst 75 schepen voor de kust van Hoek van Holland naar de kelder. Nog steeds geldt dit stuk kust als een van de gevaarlijkste van Nederland. De monding naar zee, de Nieuwe Waterweg, werd in 1872 in gebruik genomen. Bij storm is de vaargeul amper breed genoeg om te kunnen navigeren. Het grootste gevaar kwam van de huizenhoge ‘grondzeeën’, verraderlijke golven die uit het niets opdoemen. De ‘Berlin’ zou wel eens door zo’n grondzee op de Noorderpier zijn gekwakt. Dit was twee schepen in 1901 en 1902 ook al overkomen.

3. De kranten

Na de ramp gaat de aandacht van de meeste verslaggevers uit naar de slachtoffers, de redders en Prins Hendrik. Toch stellen een aantal journalisten kritische vragen. Waarom bleef kapitein Precious niet op volle zee, maar koos hij ervoor om de gevaarlijke haven van Hoek van Holland binnen te varen? Hoe kon het gebeuren dat de ‘Berlin’ plotseling onbestuurbaar werd? En waarom had de ‘President van Heel’ eigenlijk geen extra anker aan boord?

Voor mijn onderzoek heb ik vijf kranten uitgekozen: het Algemeen Handelsblad (AH), de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC), De Haagsche Courant, De Tijd en De Telegraaf. Daarnaast zal ik het weekblad De Amsterdammer en de geïllustreerde tijdschriften Het Leven en De Prins onder de loep nemen.

Topverslaggever Jean Louis Puissuise van het Algemeen Handelsblad gaat op onderzoek uit. Hij spreekt met kapitein Ouwehand van het stoomschip ‘Floris’ die in de stormnacht op volle zee bleef totdat de wind was gaan liggen. "Ik oordeelde het niet raadzaam om de haven binnen te loopen", vertrouwt hij Puissuise toe. Ouwehand vreesde door "de zee die huizen hoog stond, op het strand te worden geworpen." Maar Ouwehand had alle tijd van de wereld, terwijl de ‘Berlin’ de passagiers op tijd aan land moest zetten, omdat de internationale treinen gereed stonden. "En dan gelden wel eens overwegingen, die in een ander geval niet zouden hebben gegolden", zegt hij. Even later laat hij twijfel doorklinken over de kwaliteiten van kapitein Precious van de ‘Berlin’. "Al stem ik dadelijk toe, dat het buitengewoon zwaar weer was, toch kan ik niet ontkennen wel eens méér in mijn 33-jarige ondervinding zo’n storm te hebben meegemaakt."

Weekblad De Amsterdammer vindt dat kapitein Precious veel te veel haast had, een kwaal waar de hele maatschappij onder gebukt gaat. "Wij verkeeren (…) min of meer in den toestand van de Berlin zelve, die, in plaats van op een beter getij te mogen wachten, in toomeloze vaart zijn last van levenden te pletter stootte."

Geïllustreerd weekblad Het Leven besteedt twee nummers lang uitgebreid aandacht aan de ramp. In het eerste nummer gaat het tijdschrift iedere speculatie over de oorzaak van de ramp uit de weg. "Laten wij overwegingen terzijde stellen en ons bepalen tot de feiten", schrijft de journalist deemoedig. Een week later verschijnt in het blad een technische beschouwing van civiel-ingenieur Wouter Cool. Uit piëteit met de slachtoffers houdt hij zich op de vlakte, "weemoedig herdenkend de gevallenen, die hun plicht tot in den dood vervulden." Wel uit Cool felle kritiek op de hulpverlening die "gebrekkig" was door "een gebleken gemis aan organisatie".

De Telegraaf vindt de kritiek op de redders onterecht. Alleen wereldvreemde journalisten ‘zij die dit doen vanaf de schrijftafel’, maken zich hier volgens de correspondent schuldig aan. Een dag na de ramp concludeert hij al dat er sprake moet zijn van overmacht bij de redders.

Dagblad De Tijd is niet met een eigen verslaggever ter plaatse en neemt de berichtgeving van het Algemeen Handelsblad en De Telegraaf en de Engelse kranten vaak integraal over. Hierdoor zijn de verhalen verschillend van toon. De redders worden meestal als volkshelden gejubeld, maar het verwijt dat de reddingsboot ‘President van Heel’ niet had mogen terugkeren naar de haven klinkt ook door.

De Haagsche Courant stuurt wel een eigen verslaggever op de ramp af. Deze schrijft uitgebreide sfeerreportages, maar stelt weinig vragen. Het staat voor hem vast dat kapitein Precious niets te verwijten valt. De krant besteedt veel aandacht aan de slachtoffers, begint een sponsoractie en neemt het initiatief voor een staande ovatie voor Prins Hendrik op het Binnenhof in Den Haag.

Deze keuze voor de kranten en de weekbladen is natuurlijk niet een toevallige. Het Algemeen Handelsblad en de NRC waren liberale dagbladen en stonden te boek als ‘kwaliteitskranten’. De Haagsche Courant en De Telegraaf waren minder moeilijk en bedoeld voor het gewone volk. Bovendien zijn de NRC en de Haagsche Courant regionale kranten. De conservatieve krant De Tijd tenslotte, vormt een mooi tegenwicht voor het liberale Algemeen Handelsblad en de NRC. De geïllustreerde tijdschriften De Prins en Het Leven zijn twee concurrenten van elkaar: beiden zijn bedoeld voor de gewone man. Ze vormen zo een mooi contrast met het serieuze weekblad De Amsterdammer.

Na een eerste inventarisatie blijkt dat de kranten en de weekbladen niet in gelijke mate de schuldvraag stellen. Ik vermoedt dat de ‘populaire’ kranten meer aandacht besteden aan de slachtoffers en minder aan de technische aspecten van de ramp. Ook lijken zij minder kritiek te hebben op de redders. Wellicht dat de Haagsche Courant nog meer geneigd is om aandacht te besteden aan de slachtoffers, omdat de lezers in de regio zich hier het beste mee kunnen identificeren. De weekbladen tenslotte, richtten zich met een kritische insteek op de achtergronden.

Mijn stelling zal dan ook luiden:

"De ‘populaire’ kranten en weekbladen besteden verhoudingsgewijs meer aandacht aan de slachtoffers van de ramp dan de serieuzere kranten en de weekbladen. Ze zijn minder geneigd tot het stellen van de schuldvraag."

4. Geschiedenis van de gekozen kranten en weekbladen

De Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC)

De NRC wordt in 1844 opgericht door de boekverkoper H. Nijgh. Het succes laat niet lang op wachten. De NRC publiceert geregeld scoops uit het Verre Oosten en tussen 1843 en 1892 ontpopt de krant zich onder leiding van de hoofdredacteuren Tels en Lamping tot een gezaghebbend politiek orgaan. Vanaf 1878 geeft de NRC als enige krant in Nederland zowel een ochtend als een avondeditie uit, zonder de prijs te verhogen. Het Algemeen Handelsblad en De Amsterdammer volgen een paar jaar later. Eind negentiende eeuw staat de NRC bekend als een liberale kwaliteitskrant, die de vergelijking met grote buitenlandse kranten kan doorstaan. De krant bericht snel, veelzijdig en betrouwbaar en beschikt over een groot arsenaal aan correspondenten. De stijl is zakelijk, emotieloos en soms saai. De belangrijkste redenen waarom het grote publiek liever De Telegraaf blijft lezen.

Het Algemeen Handelsblad (AH)

Het Algemeen Handelsblad wordt in 1828 opgericht door J. W. Van den Biesen. Hoewel de redactie het blad in 1831 als neutraal bestempelde neemt het AH al snel liberale standpunten in. Onder leiding van Van den Biesen komt het AH tot grote bloei. Hij voert nieuwe rubrieken in zoals een kunstagenda en recensies. Het AH bereikt een oplage van vijf en half duizend exemplaren, voor die tijd buitengewoon hoog. Als Van den Biezen op tragische wijze verdrinkt wordt de krant voor maar liefst 250.000 gulden verkocht aan redacteur mr. L. Keyzer. Hij neemt nog liberaler standpunten in dan zijn voorganger. De AH wordt eind negentiende eeuw voorbijgestreefd door de NRC. Toch staat ook het AH bekend als een echte kwaliteitskrant met een enorme lezerskring. Dit komt door het ingenieuze systeem van tweede en derde lezers. Die kregen de krant in huur en moesten hem doorgeven; wie hem het laatst las betaalde het minst.

De Telegraaf

De Telegraaf wordt in 1893 opgericht door Henry Tindal, in die tijd de krantenmagnaat van de Lage Landen, en gezegend met de veelzeggende bijnaam ‘Ceasar der Nederlandsche pers’. Behalve De Telegraaf heeft hij ook nog dagblad De Courant, het weekblad Algemeen Belang, het Geïllustreerd Politienieuws en dagblad De Amsterdammer in handen. Onder het bewind van Tindal (1893-1902) heeft De Telegraaf nog niets van de sensationele krant die het later zou worden. Ondanks de hoogconjunctuur weet De Telegraaf toch geen winst te maken. Na een paar mislukte krantenavonturen gaat Tindal in 1901 failliet en komt De Telegraaf in bezit van de drukker H. Holdert. Hij legt de neutraliteit van de krant schriftelijk vast. Hij belooft plechtig dat De Telegraaf "nimmer de beginselen van eenige staatkundige of kerkelijke richting zal voorstaan." De krant spreekt vooral lezers in de middenklasse aan en verovert een steeds sterkere marktpositie. De krant doet volgens de lezers niet moeilijk en heeft een aangename toon: perfecte eigenschappen voor een echt volksblad.

De Tijd

De Tijd wordt in 1845 opgericht door de priester Judocus Smits. In het begin is De Tijd een weinig succesvol piepklein krantje. Het heeft in 1851 slechts honderd abonnees en is daarmee een echte dreumes in de markt. (Ter vergelijking: het Algemeen Handelsblad heeft in die tijd 5400 abonnees) Smits zegt in zijn eerste hoofdartikel dat De Tijd niemand vertegenwoordigt. "Noch de geestelijkheid, hetzij hoogere of lagere, noch de katholieken, niemand is aansprakelijk voor onze opinies." Toch wil Smits dat De Tijd "duurzaam echt katholieke denkbeelden aankleeft". Geleidelijk neemt de krant steeds conservatiever standpunten in, zonder emotioneel te worden. Op 9 juli 1868 draagt Smits de krant over aan M. van der Aa. Smits spreekt af dat Van der Aa geen hoofdredacteuren mag benoemen zonder de goedkeuring van tenminste de helft van de Nederlandse bisschoppen. Bovendien krijgen de bisschoppen de bevoegdheid om de hoofdredacteur te ontslaan als tenminste de helft daarmee instemt. Eind negentiende eeuw komen de liberalen steeds meer in aanvaring met de katholieken waardoor De Tijd ook steeds roomser wordt.

De Haagsche Courant

De Haagsche Courant verscheen op 9 april 1883 voor het eerst. De krant richt zich op de kleine burgerij en weet zo een omvangrijk lezerspubliek te bereiken. Den Haag ontwikkelde zich in de negentiende eeuw als derde perscentrum van Nederland, na Rotterdam en Amsterdam. Talloze kranten worden opgericht zoals het conservatieve Haagsch Dagblad, het Vaderland en het dagblad van Zuid-Holland en ’s Gravenhage. Maar de Haagsche Courant is een van de weinige kranten die de concurrentie aankan en niet ten onder gaat.

De Prins der Geïllustreerde Bladen

De Prins wordt opgericht om een gat in de markt te vullen. "Door een degelijken en variëerenden inhoud", gecombineerd met een "zeer lagen abonnementsprijs" heeft het blad een nieuwe formule in handen. Een zeer succesvolle formule blijkt al snel. Van het eerste nummer (1901) worden dertigduizend exemplaren verkocht. Later bereikt De Prins zelfs een oplage van honderdduizend, wat in die tijd zeer hoog is. De Prins richt zich op de gewone man en besteedt veel aandacht aan moorden, branden en ongevallen. Daarnaast staan er novellen, detectiveverhalen, reisverslagen, portretten en humoristische stukjes in. Kenmerkend voor De Prins zijn de vele foto’s. Na 1906 krijgt het blad geduchte concurrentie van Het Leven, dat ook mikt op een breed publiek. Waarschijnlijk brengt De Prins daarom ook na de ramp met de ‘Berlin’een extra editie uit, waarvoor het veel adverteert in de kranten. Saillant detail is dat de abonnees van De Prins gratis verzekerd zijn tegen ongelukken met treinen, trams en boten binnen Europa.

Het Leven

Het Leven stelt zich bij de oprichting ten doel om voor ieder wat wils te brengen "in een prettigen vorm". De eerste hoofdredacteur N. Wolf wil zich niet mengen in politieke of religieuze zaken. Hij wil een neutraal en onafhankelijk blad maken dat weldra "den vriend van elken Nederlander" is. Aanvankelijk wijkt Het Leven niet af van de andere geïllustreerde tijdschriften. De inhoud bestaat uit foto’s van actuele gebeurtenissen en personen die in de belangstelling staan. Maar al snel ontpopt het blad zich tot een echte sensatiezoeker boordevol agressieve en opdringerige verhalen. Zo verkleden verslaggevers zich voor een sfeerreportage als bedelaar. Ook de foto’s hebben een hoger sensatiegehalte dan in andere bladen. Hiermee zorgt Het Leven voor een journalistieke doorbraak in Nederland. Ook de abonnees van dit weekblad zijn verzekerd tegen allerlei onheil.

De Amsterdammer

 

Weekblad De Amsterdammer wordt in 1877 opgericht door de twee letterkundigen Taco H. de Beer en Manuel van Loghem. Na een jaar wordt De Amsterdammer een landelijk weekblad en krijgt J. de Koo de leiding. Dan al heeft het weekblad in de wandelgangen de bijnaam ‘Groene Amsterdammer’, vanwege de kleur papier waarop het is gedrukt. Onder het bewind van De Koo groeit De Amsterdammer uit tot een graag gelezen politiek en cultureel orgaan met een progressieve inslag. Collega-journalisten roemen De Koo om zijn scherpzinnige columns die hij elke dag schrijft. Hij drijft regelmatig de spot met allerlei heilige huisjes en weet op die manier de Nederlandse journalistiek te verlevendigen.

Conclusie

De ramp met de veerboot ‘Berlin’ roept bij mij veel vragen op. Wat ging er fout tijdens de

hulpverlening? Heeft de kapitein een verkeerde keuze gemaakt door de haven van Hoek van Holland binnen te varen? Heeft Rijkswaterstaat indirect schuld door het creëren van een uitermate gevaarlijke vaarroute, zoals de Nieuwe Waterweg? Dit onderzoek zal hopelijk uitwijzen in hoeverre de journalisten dezelfde vragen opwierpen. Of beperkten ze zich toch voornamelijk tot berichtgeving over de slachtoffers? Voor de analyse van de weekbladen De Prins en Het Leven wil ik speciale aandacht besteden aan het effect van de foto’s. In de concurrentiestrijd tussen die twee bladen kan het fotomateriaal een belangrijke rol spelen.

Literatuurlijst

Amerongen, M. van, Luizen in de pels; honderd jaar journalistiek in Nederland, Amsterdam 1984.

Bool, F. (ed.), Het Leven, 1906-1941 : een weekblad in beeld.

De Bruijn, K.J., ‘Honderd jaar Haagsche Courant’ in: Die Haghe (1983) p. 175-185.

Heijstek, P. en Van Veldhoven, G.R., In het zicht van de haven; scheepsstrandingen bij Hoek van Holland 1875-1940, Utrecht 1984.

Hemels, J. en M. Schneider, De Nederlandse krant 1618-1978; van nieuwstijdinghe tot dagblad, Baarn 1979.

Hemels, J. en R. Vegt, Het Geïllustreerde Tijdschrift in Nederland deel I, 1840-1945, Amsterdam 1993.

Pisuisse, J. Louis, De schipbreuk van de "Berlin", 21 februari 1907: volledig verhaal van de scheepsramp aan den Hoek van Holland, Goes 1997.

Scheffer, H.J., In vorm gegoten: het Rotterdamsch Nieuwsblad in de negentiende eeuw, Den Haag 1981.

Schrama, Nic., Dagblad De Tijd, 1845-1974, Nijmegen 1996

Visser, W, De papieren spiegel : honderd-vijf-en-twintig jaar Algemeen Handelsblad, 1828-1953.