[Saskia Bonger]

Literatuur, Paper, Referaat, Co-referaat , Slotwerkstuk

Als je hier met de rechtermuisknop klikt, en 'save target as' klikt, kun je dit paper als Word bestand opslaan. Dan kun je het vanaf daar printen. 

 

Emotie in de krant

Rampenverslaggeving van dichtbij en ver weg

Inleiding

 

,Het was kort na de oorlog, nog geen twee jaar na de bevrijding. Nederland probeerde zich weer te herstellen van de moeilijke en sombere bezettingsjaren. Overal waren nog de sporen van de oorlog te zien. Muiden, het oude vestingstadje aan de Vecht, was tot tweemaal toe de dans ontsprongen en gespaard gebleven voor vernielingen. Maar op vrijdag 17 januari 1947 verstoorde een geweldige explosie de rust en vrede in de wijde omgeving."

 

Met deze woorden begint Guus Kroon zijn boekje De klap van ’47, waarin hij na vijftig jaar probeert deze ramp door middel van ooggetuigeverslagen vast te leggen. Na al deze jaren zit de pijn bij de nabestaanden van de zeventien dodelijke slachtoffers die de ramp bij de Kruitfabriek eiste nog diep. Opvang was er destijds niet of nauwelijks, alleen in materiële zin. Traumateams, langdurige begeleiding intensieve gesprekken zoals nu vaak plaatsvinden na een ramp, bestonden in deze eerste jaren na de oorlog niet. ‘Kom op, het leven gaat verder’ was het motto.

De vraag is of ook de kranten van die tijd dat motto huldigden. In dat geval zullen zij op een zakelijke en afstandelijke manier over de ramp hebben bericht. Maar misschien keken de twee lokale kranten in de regio, De Gooi- en Eemlander en Gooische Klanken, toch anders aan tegen de verslaggeving van deze rampzalige gebeurtenis bij hen om de hoek. Hun lezers waren namelijk tegelijkertijd slachtoffers of bekenden van de slachtoffers. Bovendien was bijna heel Muiden materieel gedupeerd door de ramp. De schade was enorm. Vrijwel geen huis was ongeschonden, talloze mensen raakten gewond door rondvliegend glas en vallende dakpannen, muren scheurden en daken stortten in. Deze mensen wilden weten hoe hun dorpsgenoten het maakten. Ook de verslaggevers zelf waren hoogstwaarschijnlijk onder de indruk van de ramp in Muiden, waar zij zelf toch ook in de buurt woonden.

De stelling die hieruit volgt, luidt: De twee regionale kranten berichtten op een emotionelere manier over de ramp bij de Muidense Kruitfabriek in 1947 dan de twee landelijke dagbladen, omdat de eerste twee dichter bij de slachtoffers en hun nabestaanden en bekenden stonden dan de laatste twee. Om deze stelling te toetsen, onderwerp ik de twee bovengenoemde regionale kranten en twee landelijke kranten aan een grondig onderzoek. De Volkskrant en Trouw vertegenwoordigen hierbij de landelijke geschreven pers.

 

De ramp

Voordat ik dieper inga op de geschiedenis van deze kranten en hun plaats in het journalistieke spectrum van de eerste naoorlogse jaren, eerst aandacht voor de ramp zelf. Zoals gezegd vond deze plaats op 17 januari 1947. Van een lading Duitse artilleriegranaten, die uit heel Nederland naar de Kruitfabriek werden gebracht om gedemonteerd te worden, kwam een projectiel tot ontploffing bij een zij-ingang van de Kruitfabriek.

Over hoe dit heeft kunnen gebeuren, kan alleen nog maar worden gegist. Volgens Jan Kersten, oud-werknemer van de Kruitfabriek, moet onvoorzichtigheid de oorzaak zijn geweest:

 

,,Bij het lossen moest er altijd iemand van de fabriek aanwezig zijn. Maar het was de laatste vracht van die dag en de militairen wilden vroeg klaar zijn. Ze zijn dus maar vast begonnen met uitladen, zonder op de man van de Kruitfabriek te wachten. Een granaat is toen waarschijnlijk op zijn punt terecht gekomen en geëxplodeerd."

 

Volgens een andere bron in De klap van ’47 was de oorzaak van de ramp aan andere. Deze bron , Bas van Diest, was ten tijde van de ramp gemeenteraadslid te Muiden. Hij hoorde later van een technisch wapendeskundige dat sabotage de oorzaak was. Veel Duitse granaten werden tijdens de oorlog onder meer vervaardigd in bezette Tsjechische wapenfabrieken. De theorie van Van Diest luidt dat Tsjechische dwangarbeiders de desbetreffende granaat opzettelijk op zo’n wijze in elkaar hebben gezet, dat hij na een aantal keren draaien om zijn lengteas spontaan zou exploderen. Wordt de granaat bij het uitladen dan ook maar een beetje nonchalant behandelt, dan vliegt hij de lucht in. Of de kranten ook aandacht besteedden aan dit fantastisch klinkende verhaal zal blijken uit het onderzoek.

Door de explosie van de granaat gingen een dichtbij gelegen magazijntje en een grote hoeveelheid granaten die in de nabijheid in de open lucht was opgeslagen de lucht in. Van de zeventien militairen die het transport verzorgden werden veertien op slag gedood, één werd zwaar gewond, maar bracht het er levend af en de twee overige militairen hadden hun leven slechts te danken aan het feit dat zij toevallig wat verder weg stonden. Drie werklieden, die zich in de onmiddellijke nabijheid van de plaats van de ramp bevonden, werden gedood, drie andere raakten gewond.

De autoriteiten zaten er vrijwel meteen bovenop. In de notulen van de eerste gemeenteraadsvergadering na de ramp (op 14 maart) wordt een brief genoemd van ‘eenige ingezetenen’ van Muiden, waarin zij de burgemeester bedanken voor ‘de voortvarendheid waarmee hij de zaken na de ramp heeft aangepakt, waardoor Muiden zoo spoedig is geholpen’. Jansen en Van Diest schrijven in Beknopte geschiedenis van Muiden in 1953: ,,Gelukkig slaagde het gemeentebestuur erin bij het Ministerie van Defensie een bevredigende financiële afwikkeling van de schade te verkrijgen". Dat duurde echter wel even. Uit de notulen van de gemeenteraadsvergadering blijkt verder dat Van Diest vond dat er eerder een raadsvergadering belegd had moeten worden, ‘gezien de ernst van den toestand’. Van Diest: ,,Wij zijn nu practisch voor een voldongen feit gesteld. Er is over ons geregeerd, maar ook zonder ons."

In het kader van het onderzoek is het interessant om te kijken of er ook in de eerste vijf dagen na de ramp ontevreden geluiden waren te horen over het optreden van de gemeenteraad en hoe de kranten hierop inspeelden. Ik kan me voorstellen dat de regionale kranten meer inspeelden op dit soort zaken, omdat deze voor hun lezers van direct belang waren. Als de journalisten van de twee regionale kranten echt emotioneler omgingen met dit nieuws, waren zij misschien wel eens wat minder nauwkeurig en dus eerder geneigd mee te gaan met allerlei soorten meningen (over het functioneren van de autoriteiten) en speculaties (over de oorzaak van de ramp). Mijn substelling in deze is: De emotionelere regionale kranten lieten zich meer leiden door (uiteraard subjectieve) meningen en speculaties dan de afstandelijkere en zakelijkere landelijke kranten.

Eén belangrijk aspect mag zeker niet over het hoofd worden gezien in de verslaggeving: het feit dat het Duitse granaten waren, die zelfs bijna twee jaar na het einde van de oorlog nog voor ellende zorgden. Het is te verwachten dat de journalist die zijn emoties de vrije loop laat de verleiding niet kan weerstaan de Duitsers de schuld te geven van de ramp bij de Kruitfabriek. De substelling die hierop volgt, luidt: De (emotionelere) regionale kranten stonden meer stil bij het feit dat het hier Duitse granaten betrof dan de landelijke media. Naast de (eventuele) schuldigen zijn er nog drie andere groepen die voor zullen komen in de kranten: de slachtoffers, de hulpverleners en de autoriteiten. Zoals verderop in dit paper nog aan de orde zal komen, was het ontzag voor autoriteiten in de tijd dat de ramp plaatsvond groot. Dat had gevolgen voor de berichtgeving. Het waren vooral, en vaak alleen maar, de autoriteiten die in de kranten aan het woord kwamen en hun woorden werden vaak klakkeloos overgenomen. Journalisten spraken niet met de man op straat, maar met mensen met gezag.

Ik kan me voorstellen dat de regionale kranten die werkwijze ditmaal aan de kant zetten en de straat opgingen, als ze werkelijk vooral de emotionele kanten van de ramp wilden belichten. De landelijke kranten zullen, als ze inderdaad zakelijk en afstandelijk berichtten over de ramp, juist op de autoriteiten zijn afgestapt. De substelling die hieruit volgt, luidt: De journalisten van de (emotionelere) regionale media spraken minder met de autoriteiten en meer met de man op straat dat hun collega’s van de (zakelijkere) landelijke pers.

Dan zijn er nog de hulpverleners, een onmisbare groep na elke ramp. Zij doen goed werk en ik kan me voorstellen dat kranten die op een emotionele manier berichten over de ramp hen graag in het zonnetje zetten. De (sub)stelling die hieruit volgt, luidt: De (emotionelere) regionale kranten besteden meer positieve aandacht aan de hulpverleners dan de (zakelijkere) landelijke pers. En dan zijn er natuurlijk de slachtoffers. Zonder hier verder over uit te wijden, doe ik de stelling: De (emotionelere) regionale kranten besteedden meer redactionele ruimte aan de situatie van de slachtoffers en aan oproepen tot hulp aan de slachtoffers. Hoe ik de vijf substellingen die ik hier heb geponeerd ga onderzoeken, komt aan bod in het paragraaf ‘plan van aanpak’.

 

De politiek en de media: onlosmakelijk verbonden

 

Na zoveel vooronderstellingen over de landelijke en regionale media is het tijd stil te staan bij het politieke landschap waarin zij opereerden en de journalistieke stijl van alle vier de kranten. Na de oorlog wilde heel Nederland zo snel mogelijk orde op zaken stellen. Voor dit gezamenlijke doel werd al het partijgekrakeel aan de kant gezet. De consensus die daarvan het gevolg was, werd hoofdzakelijk gerealiseerd in de toplaag van de maatschappij. De elites, de leidinggevende functionarissen van de sociale en politieke organisaties, regelden hun problemen onderling in een geïnstitutionaliseerd en goed gesmeerd overleg van topconferenties. Om wederzijds ingrijpende concessies te kunnen doen in ideologisch beladen kwesties, was geheimhouding ten opzichte van de media en de achterbannen een elementaire politieke vuistregel. Het gevolg hiervan was dat het politieke bedrijf een saaie en tamme indruk maakte.

In de bovenlaag heerste er consensus, maar de verzuiling van voor de oorlog kwam na de beëindiging daarvan sterker dan ooit terug. De kranten speelden in deze samenleving een grote bindende rol. Katholieken, protestanten, socialisten en liberalen, allemaal lazen zij hun eigen kranten, die vaak verkapte partijbladen waren. Ondanks de duidelijke richting die deze kranten hadden, waren zij in de eerste jaren na de oorlog erg braaf. Er bestond bij sommige leidinggevende journalisten in Nederland een neiging zich te richten naar de wensen van de overheidsinstanties. Daarbij kwam dat de dagbladen werden beheerst door dezelfde elites als de politieke partijen en andere maatschappelijke organisaties. Daardoor waren zij bij uitstek de vertolkers van de cultuur van ondoorzichtigheid, geslotenheid en depolitisering van na de oorlog.

In 1947 ondervonden de Nederlandse kranten nog steeds de gevolgen van de oorlog. Zet- en drukmachines waren verloren gegaan of in zeer slechte staat. Ook de veel te geringe hoeveelheid papier die toegewezen kon worden, werkte remmend op de herontplooiing van de dagbladpers na de oorlog. Dientengevolge behoorden de Nederlandse kranten wat de kwantiteit van de berichtgeving betreft in de eerste naoorlogse jaren tot de kleinste in de ontwikkelde landen. Gooische Klanken en De Gooi- en Eemlander waren ten tijde van de ramp bijvoorbeeld elke dag van de week maar twee pagina’s dun. Trouw en De Volkskrant stelden daarbij vergeleken nog best iets voor. Trouw was op zaterdag en woensdag zes pagina’s dik, op maandag, dinsdag en donderdag vier. De Volkskrant telde alleen op zaterdag zes pagina’s. Op maandag, dinsdag, woensdag en donderdag bestond de krant uit maar vier pagina’s.

 

Richting en stijl van de vier kranten

 

De redactie van De Volkskrant was zelfs voor toenmalige begrippen dan ook niet groot. In 1946 waren er in Amsterdam twintig redacteuren werkzaam, daarbuiten waren het er negen. Van de acht grootste landelijke dagbladen had de krant volgens haar eigen jaarverslag van 1946 de kleinste bezetting. Pas toen in 1948 een zeer geleidelijke uitbreiding van het beschikbare papier plaatsvond, werd de redactie wat verder vergroot.

Katholiek dagblad voor Nederland. De ondertitel die De Volkskrant in de eerste naoorlogse jaren voerde, is veelzeggend voor de richting van de krant. In het eerste nummer na de bevrijding (op 4 oktober 1941 hief een door de Duitsers ingestelde ‘commissie voor de persreorganisatie’ de krant op), dat op 8 mei verscheen, kondigde de krant aan gereed te zijn om ‘als katholiek dagblad voor ons gehele volk – arbeiders én middenstanders – ideeën en idealen uit te dragen’. De hoofdredactie zag het als haar opdracht voorlichting te geven met inachtneming van de rooms-katholieke kerkelijke dogma’s en de algemene katholieke leer, zoals die vervat zijn in de decreten van de algemene concilies en de voorschriften van de Heilige Stoel. Hoofdredacteur Lücker zag het mede als zijn ideaal ‘de katholieke cultuur te spreiden onder de niet-katolieken’.

Lücker was niet de enige hoofdredacteur van De Volkskrant. Naast hem was Romme, vanaf 17 mei 1946 fractievoorzitter van de Katholieke Volkspartij (KVP), staatkundig hoofdredacteur. Hij gebruikte de krant vaak als persoonlijke spreekbuis en onder zijn politieke hoofdredacteurschap verleende de krant regelmatig hand- en spandiensten aan de politiek van de KVP. Daarnaast was er sprake van een zekere zelfcensuur bij de journalisten die bij De Volkskrant werkten. De krant kreeg, zonder dat dit bij het herverschijnen op 8 mei 1945 de bedoeling was geweest, steeds meer het karakter van een partijblad.

De Volkskrant zag zichzelf als een landelijke krant, waarin het plaatselijke nieuws zou moeten wijken voor het grotere doel van invloed verwerven in zoveel mogelijk bevolkingsgroepen ten dienste van het katholieke volksdeel (Mogelijk speelt deze opstelling ook een rol in de verslaggeving rond de ramp te Muiden. Onderzoek zal het leren.). De ‘Nederlandse Katholieke Arbeidersbeweging’ (KAB), eigenaar van De Volkskrant, was niet blij met deze ontwikkeling. De KAB wilde meer zeggenschap over wat er in de krant kwam en wat niet. Nieuws voor en over arbeiders moest een prominente plaats hebben. De Volkskrant-nieuwe-stijl voelde daar niets voor, want ‘niets is dodender dan een pagina met agenda’s en verslagen van vergaderingen’, vond de krant. Uiteindelijk zou ook de werkende klasse gebaat zijn bij de bredere nieuwe krant.

Wat De Volkskrant voor het katholieke deel van de Nederlandse bevolking was, was Trouw voor de protestanten. Het gezicht van de krant werd bepaald door hoofdredacteur Bruins Slot, die deze functie bleef vervullen nadat hij in 1946 werd gekozen tot lid van de Tweede Kamer voor de Anti-Revolutionaire Partij (ARP). Hij wenste geen ‘christelijk-nationaal dagblad’ als ondertitel te voeren, omdat hij een meer internationale blik had. Dat kon echter niet verhinderen dat Trouw als een echt antirevolutionair dagblad werd aangemerkt. Bruins Slot kon immers als lid van de Tweede Kamer niet in conflict komen met wat hij als hoofdredacteur van zijn dagblad schreef.

Trouw, in de oorlog als ondergronds blad ontstaan, moest na de oorlog journalisten aantrekken om te overleven. De enige journalist van beroep in het leidende Trouw-team was E. van Ruller en hij kon natuurlijk niet alleen een dagblad op poten zetten. In de loop van de jaren 1945-1946 werden daarom oud-journalisten van De Standaard en de Telegraaf aangetrokken. Ondanks het feit dat deze journalisten dus niet direct uit de eigen kring kwamen, werkten zij mee aan het beleid van de krant om zich te richten tot de eigen groep. Nieuws uit en over de eigen kring werd groot gebracht en opvallend goed geplaatst. Het gebeurde niet zelden dat het verslag van een bijeenkomst van een gereformeerde mannen- of vrouwenbond forser opgemaakt en beter geplaatst werd dan belangrijk algemeen nieuws over binnen- of buitenland.

De lezers van de krant wilden dat ook zo. Vooroorlogse gedachten over toewijding aan het eigen, christelijke organisatieleven en een negatieve instelling tegenover veel ‘werelds’ vermaak vonden ook na de oorlog een hechte voedingsbodem onder het lezerspubliek van Trouw. De krant stemde haar keuze van onderwerpen hierop af en ook de toon van de artikelen werd erdoor beïnvloed. Al te populaire taal zou niet gewaardeerd worden.

Dat betekent overigens niet dat Trouw gezapig was. De krant kon juist erg fel van leer trekken, vooral tegen degenen die mensen uit de protestants-christelijke groep aanvielen. Ook mensen die in politiek opzicht als afgedwaalde broeders werden gezien, konden rekenen op stevige taal. Soms werd dat de lezers te veel en beschuldigden zij de krant ervan dat zij te negatief was, personen kwetste, christelijke zachtmoedigheid ontbeerde en de christelijke overtuiging van haar tegenstanders niet erkende.

Tegenover Trouw als oude verzetskrant staat de regionale krant De Gooi- en Eemlander, die in de oorlog meewerkte met de Duitse bezetter. Dat gebeurde om meerdere redenen, waarvan de belangrijkste waarschijnlijk was dat directeur Klene van de N.V. Dagblad De Gooi- en Eemlander zijn personeel wilde behoeden voor de nare gevolgen van een sluiting. Armoede of gedwongen tewerkstelling in Duitsland waren zeker niet ondenkbeeldig. Een andere noemenswaardige reden is dat Klene zich wilde verzetten tegen de nazi-opdracht om het WA-blad De Zwarte Soldaat te drukken. Als de krantenproductie werd gestaakt, kwamen de zet- en drukmachines vrij om dit krantje te drukken. Dat wilde Klene in ieder geval voorkomen.

Nadat de Duitsers hadden besloten dat deze krant mocht blijven bestaan, kreeg deze medio december 1941 een nieuwe hoofdredacteur aangewezen, de NSB’er Graumans. Directeur Klene stelde persoonlijk contact met een opgedrongen hoofdredacteur niet op prijs. De ontmoetingen tussen de twee werden tot het hoogst noodzakelijke beperkt. Toch had de krant het slechter kunnen treffen met de hoofdredacteur. Graumans was allerminst een fanatieke nazi. Hij heeft nooit geprobeerd de journalisten onder zijn hoede tot zijn zienswijze te bekeren en bovendien was hij een bekwaam journalist. De redactie deed ondertussen het hare om de Duitsers te saboteren. Uit opgedrongen kopij werd zo veel mogelijk geschrapt en foto’s bracht men het liefst terug tot het formaat van een postzegel. Redacteur Klaas van Vliet zag als ‘bewaker’ van de telex voortdurend de kans om heel wat nazi-kopij, waarop publicatieplicht rustte, ongezien te laten verdwijnen.

Op 1 augustus 1944 werd Graumans, die in de loop van de jaren steeds meer was gaan twijfelen aan het nut van de oorlog en die tegenover de redactie openlijk had toegegeven dat hij zich in het nationaal-socialisme had vergist, vervangen door de fanatieke NSB’er Goedhart. Deze intimideerde de redacteuren van De Gooi- en Eemlander met brutaal en luidruchtig gedrag. Echt onder de indruk was de redactie niet en deze zette haar stille verzet dan ook als vanouds voort.

Na de bevrijding werden alle kranten die na 1 januari 1943 hun uitgave hadden voortgezet verboden, dus ook De Gooi- en Eemlander. De gezamenlijke Hilversumse ondergrondse pers, verenigd in de ‘Hilversumse Perscommissie’, had al voor het einde van de oorlog besloten dat er na de bevrijding één plaatselijk dagblad zou worden uitgegeven onder de naam Gooische Klanken. De mensen die aan deze krant zouden meewerken, kwamen allemaal uit de illegaliteit en hadden geen flauw benul van de wijze waarop een echte krant gemaakt moest worden. De redactiestoelen werden gevuld, maar niemand wist precies wat er gedaan moest worden, ook hoofdredacteur E. van Uye Pieterse niet. De directeur van de nieuwe krant werd Niek Vlot, voorzitter van de Hilversumse Perscommissie. Ook hij bezat niet veel kennis van zaken. Dat Gooische Klanken de eerste weken toch kon verschijnen lag dan ook grotendeels aan de hulp van oude technisch medewerkers van De Gooi- en Eemlander.

Op 7 mei 1945 nam de nieuwe krant het hoofdkantoor van De Gooi- en Eemlander in beslag en diezelfde dag verscheen het eerste nummer van Gooische Klanken. Daarin werd nadrukkelijk vermeld dat deze krant een tijdelijk karakter droeg. Zij zou haar verschijning staken zodra ,,de Pers" – en hiermee werd uiteraard de voorlopig verboden Gooi- en Eemlander bedoeld – door de bevoegde instanties gezuiverd was. Dat ging echter niet zo vlot en de redactionele medewerkers van Gooische Klanken begonnen zich wat ongemakkelijk te voelen. Er ontstond een behoefte aan echt journalistiek vakmanschap en dit werd gevonden bij een aantal Gooi- en Eemlanderredacteuren. Gooische Klanken werd langzaam aan een professionelere organisatie met een eigen Raad van Toezicht en Advies om de ideële doelstellingen van de krant ook in het redactionele beleid tot uiting te laten komen. Deze doelstellingen behelsden dat de krant aan geen enkele zuil gebonden was en een progressief-sociale inslag had. Kritiek aan het adres van de regering werd geuit als dat nodig was.

Ondertussen zat de directie van De Gooi- en Eemlander ook niet stil. Deze deed zijn beklag bij het Militair Gezag over de inname van haar gebouwen en apparatuur door Gooische Klanken en kreeg zijn gelijk. De directie van de laatste krant moest in september 1945 het oude Gooi- en Eemlanderkantoor verlaten. Op 29 september kwam de directie met de verklaring dat Gooische Klanken zou blijven bestaan, omdat de situatie in het land aantoonde dat de taak van deze krant nog niet afgelopen was:

 

,,Zolang het mogelijk is, dat rechtschapen mensen, welke tijdens de bezetting enorm goed werk verricht hebben, thans terzijde gesteld worden, omdat zij het kwaad in de wortel durven aantasten, zolang is onze strijd nog niet volstreden en zijn wij verplicht, ook aan hen die vielen, ons werk voort te zetten."

 

De Gooi- en Eemlander werd officieel tot vijand verklaard. Op vrijdag 29 maart 1946 verscheen het eerste naoorlogse nummer van deze krant, die net als voor de oorlog een nette, neutrale krant voor de kleine burgerij wilde zijn.

Op die dag produceerde de drukpers in het oude hoofdkantoor van De Gooi- en Eemlander twee dagbladen. Dat bleek geen simpele zaak, vooral omdat de verhoudingen tussen de directies en medewerkers van beide kranten grondig verstoord waren. De slinkse pogingen, waarmee Gooische Klanken had getracht De Gooi- en Eemlander blijvend buiten spel te plaatsen, hadden bij de werknemers van dit bedrijf grote wrevel gewekt en het was bepaald geen grote liefde meer, waarmee het technisch personeel zich wijdde aan de opdracht om Gooische Klanken te blijven zetten en drukken. Ook beide redactieteams waren vijandig tegenover elkaar. Ze wilden niets met elkaar te maken hebben en beschouwden elkaar officieel als lucht en dat terwijl ze in hetzelfde gebouw waren gehuisvest.

In de maanden die volgden werd de sfeer er niet beter op. Gooische Klanken moest met lede ogen en verbazing toezien hoe een niet onaanzienlijk deel van het lezerspubliek weer oude vertrouwde huisvriend De Gooi- en Eemlander ging lezen. De eerste krant startte een campagne om dat tegen te gaan. Medewerkers trokken langs de deuren om de lezers op het oorlogsverleden van haar concurrent te wijzen, maar zonder succes. De Gooi- en Eemlander groeide door.

 

Datum

Abonnementen

31 december 1946

18945

31 december 1947

26400

31 december 1948

28600

Oplagen van De Gooi- en Eemlander

 

Naarmate het openbare leven zijn vooroorlogse beloop grotendeels hernam en de aandacht van het publiek zich weer ging richten op het traditionele plaatselijke nieuws, bleek De Gooi- en Eemlander over de beste troeven te beschikken. Zijn redacteuren waren degelijk ingevoerd in de circuits die vanouds het sociale leven beheersten. Daarom was informatie die via deze kanalen verkregen moest worden vaak beter bereikbaar voor De Gooi- en Eemlander dan voor Gooische Klanken. De eerste krant was in zulke gevallen vollediger. De concurrentiestrijd tussen de twee kranten was heftig en werd vaak niet netjes gestreden. Op maandag 28 oktober 1946 liet Gooische Klanken dan ook weten dat haar redactie was verhuisd.

De publieke belangstelling voor deze krant nam ondertussen steeds verder af. Het dagblad raakte in een zorgelijke financiële situatie. Het slechte management maakte de problemen alleen nog maar groter. Na een lange doodstrijd volgde op 25 april 1949 de faillietverklaring. De Gooi- en Eemlander had hele andere zorgen. In april 1948 kreeg de krant te horen dat ze haar naam moest veranderen, omdat deze samenhing met het oorlogsverleden van de krant en dat zou bij het Nederlandse publiek ergernis wekken. Het argument dat de oplagen toch duidelijk stegen, werd in de wind geslagen. Tot nader order zou de krant onder een andere naam verder moeten gaan. Dat werd Het Gooi- en Ommeland.

 

Plan van aanpak

 

Voordat ik meer vertel over de wijze waarop ik dit onderzoek wil aanpakken, eerst nog eens de stelling waarom het allemaal draait. Deze luidt: De twee regionale kranten berichtten op een emotionelere manier over de ramp bij de Muidense Kruitfabriek in 1947 dan de twee landelijke kranten, omdat de eerste twee dichter bij de slachtoffers en hun nabestaanden en bekenden stonden dan de laatste twee. De in het voorgaande gedane substellingen met betrekking tot de aandachtspunten van de kranten moeten mede helpen dit te bewijzen, te ontkrachten of te nuanceren.

Dat zal ongeveer op de volgende manier in zijn werk gaan. De eerste substelling (De emotionelere regionale kranten lieten zich meer leiden door (uiteraard subjectieve) meningen en speculaties dan de afstandelijkere en zakelijkere landelijke kranten) is te onderzoeken door te simpelweg te tellen. Hoe vaak nemen de kranten speculaties en meningen over en hoeveel ruimte besteedden ze daaraan? Uiteraard zal ik ook naar de inhoud en het waarheidsgehalte ervan kijken. De tweede substelling (De emotionelere regionale kranten stonden meer stil bij het feit dat het hier Duitse granaten betrof dan de landelijke media) is ook te onderzoeken met behulp van een paar optelsommetjes. Werd er aandacht aan dit feit besteedt en zo ja, hoeveel en op wat voor manier? Daarbij zal ik de volgende vragen in mijn achterhoofd houden: Werd het alleen genoemd als feit, of werd er dieper ingegaan op dit onderwerp? In het laatste geval is het de vraag: Op wat voor manier gebeurde dat?

De andere drie substellingen (- De journalisten van de emotionelere regionale media spraken minder met de autoriteiten en meer met de man op straat dat hun collega’s van de zakelijkere landelijke pers. - De emotionelere regionale kranten besteedden meer positieve aandacht aan de hulpverleners dan de zakelijkere landelijke pers. - De emotionelere regionale kranten besteedden meer redactionele ruimte aan de situatie van de slachtoffers en aan oproepen tot hulp aan de slachtoffers) kunnen ook vooral door rekenwerk onderzocht worden. Bij de eerste van deze drie substellingen zal ik niet vergeten te kijken naar met wie en waarover er precies gesproken werd. Ook bij de andere twee substellingen zal ik het hoe en waarom nader bekijken.

Het is dus belangrijk te bepalen welke facetten van de ramp de kranten belichtten, maar dat is niet het enige. Emotionele berichtgeving, maar ook zakelijk-afstandelijke verslaglegging is erg goed te herkennen aan de woordkeuze van de media, zowel in de artikelen als in de koppen die daarboven staan. Het gebruik van bijvoeglijke naamwoorden mag daarbij zeker niet onderbelicht blijven, omdat juist daardoor emoties op papier goed tot uiting komen. Als mijn stelling klopt, dan zullen de twee regionale kranten een stuk scheutiger zijn met dramatische bewoordingen dan de twee landelijke dagbladen.

Wat het emotionele of zakelijke karakter van een verslag kan versterken of juist verzwakken, is de opmaak van het artikel en de kop. Springen de letters bij wijze van spreken van de pagina af, of is de opmaak bescheiden? De vorm is belangrijk voor de inhoud, omdat deze mede bepaalt hoe de inhoud op de lezer overkomt. Wat daarnaast belangrijk is voor de manier waarop een verhaal op de lezer overkomt, is de vraag of het verhaal is geïllustreerd met beeldmateriaal. Het idee ‘een foto vertelt meer dan duizend woorden’ is volgens mij bij uitstek van toepassing op emoties in de krant. Een foto van een huilende vrouw, die naast haar in puin geraakte huis staat, maakt in één keer duidelijk wat er aan de hand is en roept bij de lezer snel gevoelens van medelijden of verdriet op. Ik verwacht dat de regionale kranten meer foto’s van de ramp hebben geplaatst dan de twee landelijke kranten om hun emotionelere verslaggeving kracht bij te zetten.

Als laatste speelt het natuurlijk ook een rol in wat voor genre de kranten hun artikelen goten. De reportage leent zich bij uitstek voor emotionele verslaggeving. Nieuwsberichten daarentegen behoren alleen feiten te bevatten. Het hoofdredactionele artikel is weer uitermate geschikt voor meningen en speculaties. Ik zal dus ook letten op het genre van de artikelen.

 

Conclusie

 

Natuurlijk zal ik mij bij dit alles niet blindstaren op het landelijke of regionale karakter van de kranten. Niet voor niets heb ik in het voorgaande geprobeerd een beeld te schetsen van de vier kranten, die allemaal op een andere manier uit de oorlog waren gekomen en die al dan niet een rol speelden in de verzuilde samenleving die Nederland na de oorlog nog steeds, of eigenlijk weer, was. De journalistieke stijl van de vier kranten werd uiteraard niet alleen bepaald door de grootte van hun verschijningsgebied.

Wat minstens een evenzo grote rol speelde, was de richting van deze dagbladen en de plaats die zij al of niet hadden in de verzuiling. Mijn onderzoek zal hopelijk mede aantonen wat de doorslaggevende rol speelde bij de verslaggeving rond de ramp bij de Muidense Kruitfabriek in januari 1947; de richting van de krant of het landelijke of regionale karakter. Ik denk dat het de richting van de krant moet zijn geweest die de doorslag heeft gegeven, als blijkt dat mijn stelling niet klopt en de regionale kranten niet op een emotionelere manier hebben bericht over de ramp dan de twee landelijke kranten. Onderzoek zal mijn gelijk of ongelijk in deze bewijzen.

Literatuurlijst

- Hemels, Joan, De emancipatie van een dagblad. Geschiedenis van de Volkskrant (Baarn 1981).

- Hoek, Jaap, Herstel en vernieuwing. De Nederlandse politiek in de jaren 1945-1955 (Alphen aan den Rijn 1979).

- Kroon, Guus, De klap van ’47 (Muiden 1997).

- Notulen van de Vergadering van den Raad der gemeente Muiden van 14 maart 1947.

- Pikkemaat, Guus, Dagblad De Gooi- en Eemlander: tijdens de oorlogsdagen, de bezettingstijd en de eerste jaren na de bevrijding, 1940-1950 (Hilversum 1991).

- Ros, B. van der, Geschiedenis van de christelijke dagbladpers in Nederland (Kampen 1993).

- Schneider, Maarten en Joan Hemels, De Nederlandse krant 1618-1978. Van ‘nieuwstytinghe’ tot dagblad (Baarn 1979).

- Thijs, J.G.A., Verzet verjaart niet. Momenten uit de veertigjarige geschiedenis van het dagblad Trouw (Amsterdam 1983).

- Velde, Henk te, Piet de Rooy en Herman de Liagre Böhl, Het Koninkrijk der Nederlanden. Een politieke geschiedenis 1848-1998 (Amsterdam 1997).

- Vree, Frank van, ‘De vuile was van het gezag; Dagbladpers en journalistieke cultuur in de jaren vijftig en zestig’, in: Jaarboek Mediageschiedenis 3, (Amsterdam 1991), 215-237.