[Tjeerd Bijnsdorp]

Literatuur, Paper, Referaat, Co-referaat , Slotwerkstuk

Als je hier met de rechtermuisknop klikt, en 'save target as' klikt, kun je dit paper als Word bestand opslaan. Dan kun je het vanaf daar printen. 

VAN BEHEERST AFSTANDELIJK NAAR EMOTIONEEL BETROKKEN

De emotionele betrokkenheid van de dagbladen bij de Watersnood van 1916

INLEIDING

 

"….Toen we buiten Buiksloot kwamen was het een imposant gezicht. Aan de oostkant één groot watergordijn: de Buikslotermeer was bezig vol te lopen. Na de Slochter begon het lage land, waar al water stond. We brachten het tot halfweg Het Schouw toen de wielen van de auto tot half weg in ‘t water gingen en de chauffeur de weg niet meer kon zien. Wat nu? Bij de Slochter stond indertijd een kruithuis, steeds bewaakt. We zagen twee officieren en ik vroeg advies. Dat luidde: gaat u naar Amsterdam terug, over een uur kunt u dat niet meer en Broek is niet te bereiken. Het was niet eenvoudig om te keren maar het lukte en we gingen naar Amsterdam terug. De boeren besloten lopend naar huis in Broek te gaan en dat is gelukkig gelukt. Wij met onze lange rokken konden dat niet. Terug in Amsterdam besloten we naar ‘De Telegraaf’ te gaan. Prezen deze actieve courant hogelijk en spraken de veronderstelling uit dat ze stellig met een bootje zouden gaan kijken, en of we mee mochten. ’t Mocht, als we maar maakten ’s morgens klokslag 6 uur bij een bepaalde steiger aan de Prins Hendrikkade te zijn en precies te doen wat zij vaststelden. Nu graag natuurlijk. Nooit zal ik vergeten toen we bij de Buiksloter waterkering buiten kwamen wat ons oog zag! De hele meer vol en zowel hier als in de Broekermeer nog hier en daar schapen, ten dode opgeschreven. In bomen katten. Alles verlaten, een zeer triest gezicht."11 N.C. Rümke – Bakker, Mijn jeugd in Broek in Waterland 1890-1916, (Alphen aan de Rijn, 1991) 85.

Voorafgaande is een fragment uit de autobiografie van Nelly Rümke-Bakker, een vrouw die haar jeugd in het plaatsje Broek in Waterland heeft doorgebracht en zodoende getuige was van de watersnoodramp die Nederland, en Noord-Holland in het bijzonder, trof in het weekend van 13, 14 en 15 januari 1916. Het leek mij zeer gepast om hier mee te beginnen omdat het zowel haar indrukken van de eerste dag na één van de vele dijkdoorbraken beschrijft, als de betrokkenheid van het dagblad De Telegraaf bij de watersnoodramp. Zodra de weersomstandigheden het toelieten stuurde de Amsterdamse krant zijn eigen verslaggevers op pad in een bootje om op de plaats van de rampspoed de gebeurtenissen te verslaan. Dat Rümke-Bakker De Telegraaf een actieve krant noemde vond ik interessant. Waarom was ze deze mening toegedaan? Was het slechts een compliment dat als doel had mee te mogen op het vaartuig of genoot De Telegraaf die reputatie inderdaad bij het ‘gewone’ volk en meende ze het werkelijk? Een antwoord daarop zullen we nooit krijgen, maar het maakte mij in ieder geval benieuwd naar de manier waarop de overige dagbladen over de watersnood berichtten. Stuurden zij er ook verslaggevers op uit in gammele bootjes of keken ze vanaf het droge toe? Het mag bekend worden verondersteld dat De Telegraaf een voorloper was waar het de emotionele betrokkenheid bij de gebeurtenissen betrof, maar het kan toch niet zo zijn dat dit het enige dagblad was dat zo te werk ging?

In het artikel van Marcel Broersma over de Nederlandse pers tijdens de Eerste Wereldoorlog wordt gesteld dat de meeste kranten een grondige hekel hadden aan de manier waarop De Telegraaf te werk placht te gaan, maar dat ze desondanks naarmate de jaren verstreken zelf ook steeds meer afstand deden van de ‘beheerst afstandelijke’ manier van berichtgeving.22 M. Broersma, ‘Botsende stijlen: de Eerste Wereldoorlog en de Nederlandse journalistieke cultuur’ in: Tijdschrift voor mediageschiedenis, 1999 (2) 64. Omdat ik inderdaad ook in de andere dagbladen verslagen aantrof die meer als ‘emotioneel betrokken’ dan als ‘beheerst afstandelijk’ te typeren zijn heb ik het idee dat de watersnood misschien kan worden beschouwd als een omslag in de manier van werken waar het de binnenlandse berichtgeving betrof. Dit is echter niet makkelijk te onderzoeken omdat het zou betekenen dat ook het belangrijke nieuws in de periodes voor en na de watersnood bestudeerd moet worden. Ik begin mijn onderzoeksvraag daarom met de volgende deelvraag:

Op welke manier toonden de kranten hun betrokkenheid bij de watersnoodramp van 1916?

Deze vraag impliceert echter geen uitgebreid onderzoek, het is slechts een kwestie van de edities uit die tijd goed doorlezen, de manier van berichtgeving onderzoeken en de hoeveelheid aandacht die er aan de ramp werd besteed turven. Daarom koppel ik er nog een tweede vraag aan vast. Het viel mij namelijk op dat een landelijke krant als Het Volk pas twee dagen na de watersnood met de berichtgeving daarover begon. Reden daarvoor was het partijcongres van de SDAP dat datzelfde weekend gehouden werd en dat door de redactie van de socialistische krant als belangrijker nieuws werd gezien. Een andere krant als De Standaard haastte zich om onmiddellijk de toorn Gods te benadrukken, waarbij ook hier de ideologie van de krant de manier van berichtgeving kleurde en de verslaggeving eerder een Bijbellezing leek dan een informatief bericht voor familieleden, kennissen en anderen die baat hadden bij een nauwkeurig verslag van de gebeurtenissen. Dit roept onmiddellijk vragen op want waarom vond de redactie van Het Volk het SDAP-congres belangrijker? En waarom vond De Standaard het nodig om een hogere hand als dader aan te wijzen voor de watersnood? Het brengt me tot de volgende onderzoeksvraag waarmee ik de komende weken aan het werk ga.

Welke motieven lagen bij de redacties van de verschillende kranten ten grondslag om te komen tot de berichtgeving zoals zij die gaven in de dagen na de watersnoodramp van 1916?

Ik heb voor mijn onderzoek uitsluitend gekozen voor landelijke dagbladen omdat dit beter aansluit bij mijn onderzoeksvraag. In tegenstelling tot de meeste regionale kranten hebben de landelijke kranten een duidelijke ideologische achtergrond waar bovendien al veel over geschreven is. In eerste instantie wilde ik de landelijke dagbladen vergelijken met die uit de regio maar al gauw werd mij duidelijk dat er maar weinig verschil was qua aandacht voor de ramp. Slechts een nog persoonlijkere berichtgeving bij de regionale kranten viel op. In plaats van ‘een landbouwer moest grond en bezittingen verlaten’ stond er bijvoorbeeld ‘Boer Van de Made moest aan het Zuideind huis en haard achterlaten’. Ik zag dan ook weinig mogelijkheden om hier een grondig onderzoek op toe te passen. Daar komt nog bij dat mij tijdens de referaten van mede- studenten al was opgevallen dat er meerdere mensen de verschillen tussen regionale en landelijke berichtgeving gaan onderzoeken en ik het idee heb dat mijn onderzoek daaraan niet echt veel zou toevoegen. Als objecten van onderzoek neem ik daarom het Algemeen Handelsblad als liberaal dagblad, Het Volk als socialistisch, De Tijd als vertegenwoordiger van de katholieke dagbladen, De Standaard als gereformeerde krant en tenslotte De Telegraaf als neutraal dagblad.

Nu duidelijk is geworden hoe ik mijn onderzoek aan wil gaan pakken lijkt het me zinvol om te kijken naar de watersnoodramp van 1916. Van tevoren had ik nog nooit van deze ramp gehoord en al snel werd duidelijk waarom, want het verkrijgen van goede informatie blijkt een hels karwei. Ik wil hierbij dan ook van tevoren duidelijk stellen dat de hoeveelheid informatie die ik heb kunnen vinden zo summier is dat ik er tot op dit moment nog niet eens in ben geslaagd om het juiste aantal slachtoffers te achterhalen. Het enige dat ik ben tegengekomen is dat er in ieder geval op Marken zestien mensen zijn omgekomen en dat er drie kinderen zijn verdronken in Hillesluis, een totaal aantal van negentien doden. In alle grote encyclopedieën wordt de stormvloed van 1916 maar met enkele regels vermeld, zonder dat precies duidelijk wordt wat er gebeurde en wat de precieze economische schade is. In de meeste gevallen was het slechts een verwijzing in een artikel over de Zuiderzeewerken die naar aanleiding van de watersnood van 1916 in werking werden gesteld. In zowel de Universiteitsbibliotheek als de Openbare en de Koninklijke Bibliotheek was nauwelijks geschikt materiaal te vinden en hetzelfde gold voor het internet. Door de verschillende kranten zorgvuldig door te nemen en puzzelstukjes in elkaar te passen is de omvang van de ramp gelukkig een stuk duidelijker geworden, maar het aantal bruikbare bronnen is zeker vergeleken met de watersnood van 1953, ontzettend klein. Wellicht is dit ook de reden waarom ‘mijn’ ramp aanvankelijk niet op de lijst van te onderzoeken rampen stond waaruit in het eerste college gekozen kon worden. Doordat mijn onderzoeksvraag meer ingaat op de kranten zelf dan op de berichtgeving hoop ik het informatieprobleem te omzeilen. Dit houdt echter wel in dat ik in het vervolg van deze paper en tijdens mijn nog te houden referaat uitgebreid in ga op de watersnoodramp van 1916.

DE WATERSNOOD

Op donderdag 13 januari werd heel Nederland getroffen door een zware noordwesterstorm, niet alleen in Noord-Holland zag men zich geconfronteerd met wateroverlast, ook in de Rotterdamse polder Schieland en in het Eemland stonden de weilanden blank, maar de watersnood in deze regio’s was in de verste verte niet te vergelijken met die in Waterland, waar meer dan een kilometer dijk was doorgebroken en op het eilandje Marken, dat geheel verdwenen was. Ik wil me dan ook vooral verdiepen in die specifieke regio, temeer daar het merendeel van de berichtgeving in de landelijke dagbladen ook op dat gebied betrekking had. Wat gebeurde er nu precies op donderdag 13 januari? Was de dijkdoorbraak te vermijden? Wie werden er getroffen en hoe zwaar? De ramp in vogelvlucht.

"Wreedaardig zijn wij opnieuw herinnerd geworden aan het feit, dat onze lage landen aan de baren ontwoekerd zijn. Evenals in den oorlog de verdediger zich tegen den aanvaller beveiligt door vestingen, forten, loopgraven en andere verweermiddelen, hebben onze voorvaderen zich door dijken, dammen en waterkeeringen te weer gesteld tegen de golven, die dreigend op de ontroofde prooi zijn blijven loeren. Gesteund door den hevigen storm hebben de wateren ditmaal bij overrompeling een gedeelte van hun vroeger bezit heroverd….en menschen en dieren zwaar geteisterd….Wat is bestand tegen de overweldigende woeste kracht van een stortvloed, door den storm opgejaagd? Uitgerekte landerijen, akkers en polders zijn ondergeloopen, huizen uit hun fundamenten gerukt, schepen tegen dijken en op de wegen geworpen en daarbij zijn helaas menschenlevens verloren gegaan en ook veel vee en huisdieren omgekomen. En juist zij, die den hardsten strijd om het bestaan te voeren hebben, de visschers en de kleine landbouwers, men denke aan het eiland Marken, zijn het zwaarste getroffen. De overwinning van de golven zal gelukkig tijdelijk zijn; bij honderdtallen hebben kloeke mannen den strijd aangebonden om het verloren terrein te herwinnen en het zal hen gelukken! Maar smartelijke sporen zijn achtergelaten; er is ontzettend veel geleden; velen zijn van hun bestaansbronnen beroofd."33 J. Boon, Herinneringsalbum van den Grooten Watersnood januari 1916 (Amsterdam 1916) 2.

Noord-Holland is een polderlandschap dat gekenmerkt wordt door water en weilanden. Op enkele gebieden na ligt praktisch de gehele provincie onder de zeespiegel. Het is dan ook letterlijk aan de zee onttrokken wat vanaf de zeventiende eeuw gebeurde door middel van de fameuze droogmakerijen. Deze vorm van landontginning gebeurde volgens de beroemde methode van Jan Adriaansz. Leeghwater. Er werd een dijk gelegd om een watergebied, waarna met behulp van windmolens het water werd weggevoerd via speciaal daarvoor aangelegde kanalen. Nadat de drooggelegde grond na verloop van tijd een steeds lager zoutgehalte bevatte werd hij geschikt voor bebouwing, in de regel grasland voor het vee. Om het ontgonnen land te beschermen tegen het zeewater dat vanuit de Zuiderzee kon komen vertrouwde men op hoge dijken langs de oostkust. Regelmatig werden deze gecontroleerd op scheuren, een karwei dat onder de verantwoordelijkheid viel van het Hoogheemraadschap Waterland waarin de dijken lagen. Tegen de weersomstandigheden van donderdag 13 januari 1916 was echter geen dijk, hoe goed onderhouden ook, bestand, waarmee de schuldvraag meteen grotendeels beantwoord kan worden.

Uit een rapport van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut blijkt dat de gemiddelde windsnelheid in de twee weken voorafgaande aan de ramp ruim drie keer hoger was dan het normale gemiddelde over januari. Omdat de windrichting voornamelijk west en zuidwest was zorgde dat voor toeloop van het water in de oostelijke Noordzee. Toen de storm, met zestien uur lang zelfs windkracht tien en hoger, naar het noorden draaide zorgde dat voor een enorme stroom van water uit de Noordzee richting de Zuiderzee. Vooral aan de zuidkust, waar het water niet verder kon, kwam het waterpeil ruim twee meter hoger te liggen dan normaal. 44 ?, Mededeelingen betreffende den watersnood 1916 en de in verband daarmede genomen maatregelen, (z.p., z.j) 1.

Dit bleek funest voor de dijken langs de Noord-Hollandse kust. Ze hadden zwaar te leiden onder de hoge waterstanden en op verschillende plaatsen braken ze door. In de regio Waterland, in Noord-Holland, waren de gevolgen van de storm het grootst. Over een lengte van anderhalve kilometer werd de dijk weggeslagen. Meer dan veertienduizend hectare land kwam blank te staan. Het eilandje Marken voor de kust verdween in zijn geheel in zee. Slechts de daken van de vissershuisjes verrieden dat de plek tot voor kort bewoond was geweest en het pittoreske plaatsje liep zware schade op.55 J. Boon, Herinneringsalbum van den Grooten Watersnood januari 1916 (Amsterdam 1916) 3.

DE BERICHTGEVING IN DE KRANTEN

Een ramp van grote omvang en geen televisie of radio om direct het nieuws te verspreiden. Dat betekende dat de mensen op de nieuwsbladen waren aangewezen om de details en gebeurtenissen uit het rampgebied te vernemen met als gevolg dat de verslaggevers op pad moesten. In kleine bootjes voeren ze rond in het ondergelopen gebied, daarbij vooral de informatie die hen door de overheid werd verstrekt optekenend. Tegenwoordig zou elke reporter onmiddellijk het eerste slachtoffer aanschieten wat hij tegenkomt, op zoek naar een persoonlijk relaas. In 1916 ging dat anders. Als er, met uitzondering van De Telegraaf, al sprake was van emotionele betrokkenheid dan uitte zich dat niet in rechtstreeks contact met de slachtoffers. Hoogstens werd er een schrijnend verhaal opgetekend dat op de sentimenten werkte van de lezer. Dagbladen als de Nieuwe Rotterdamse Courant, De Telegraaf en Het Algemeen Handelsblad hielden inzamelingsacties ten behoeve van de mensen in nood. Schenkingen werden met naam en geschonken bedrag in de krant gepubliceerd. Bij de berichtgeving omtrent de ramp bleken er duidelijke verschillen te zijn tussen de grote landelijke dagbladen. Ter afsluiting zal ik in het kort de manieren waarop de vijf geselecteerde kranten op de eerste dagen van berichtgeving over de watersnood te werk gingen analyseren.

De Telegraaf

De Telegraaf toont zich op vrijdag 14 januari 1916 zeer accuraat. In het avondblad staat een uitgebreid verslag vanuit het getroffen gebied, waarmee het samen met Het Algemeen Handelsblad de eerste landelijke krant in Nederland is die een reporter op pad heeft gestuurd. Weliswaar opent ook de Nieuwe Rotterdamse Courant met de watersnood op vrijdag, maar dit is een informatief artikel, waarin uitvoerig wordt beschreven hoe het kon gebeuren dat de waterstand zo hoog was komen te staan. De reportage in De Telegraaf heeft als kop ‘Groote watersnood in ons land’. Het betreft een ‘sensationeel’ verhaal van een ‘speciale verslaggever’ die, zodra het bericht van de overstroming de redactie heeft bereikt, met zijn auto over de polderdijken naar het gebied rijdt en beschrijft wat hij ziet.

Al in de tweede alinea citeert hij een vrouw aan het woord die voor haar woning staat. Op zijn vraag waar de dijkdoorbraak heeft plaatsgevonden antwoordt ze "Dat weten we geen van allen hier, maar d’r moeten menschen en beesten verdronken zijn, bij hoopen!" Een leuke binnenkomer, want nieuwsgierig lees je verder. ‘Meeuwen scheren over den waterspiegel, krijschen schril en zetten zich eindelijk neer op een zwart voorwerp dat de vloedgolven telkens tegen een dijk doet bonken. Het is het kadaver van een koe.’ Een naargeestig beeld wordt opgeroepen, deze ramp moet ontzettend zijn, vooral omdat de verslaggever amper op weg is. Even later schroomt hij ook niet om de ellende van de getroffen boeren wat te vergroten. De auto kan nauwelijks verder over de smalle dijkweg, waarover boeren hun koeien in veiligheid trachten te brengen, maar het nieuws is heilig. ‘Vooruit we moeten het wagen. En voort gaat ons voertuig, wringt zich door troepen koeien, die in doodsangst elkander van den dijk trachten te duwen. De drijvers schreeuwen ons toe, loopen met knuppels op ons af, maar onze auto is hen te vlug af.’ Uiteindelijk bereikt de dappere reporter het plaatsje Broek, episch centrum van de watersnood. Hier zijn mannen druk bezig om de kerk geschikt te maken als stalling voor de koeien. Bewonderend kijkt hij toe hoe de mannen ‘werken als paarden’. Vervolgens rijdt hij naar de rand van het plaatsje en is hij getuige van de verdrinkingsdood van een koe. Uitgebreid beschrijft hij de doodsnood van het beest voordat het definitief onder water getrokken wordt. Dan luidt de klok elf uur en dit geluid grijpt de verslaggever aan om de lezer terug te nemen naar die ochtend, toen om zeven uur dezelfde klok alarm sloeg. In vogelvlucht beschrijft hij de gebeurtenissen van die dag in Broek om te eindigen met de mededeling dat er zich gelukkig nog geen persoonlijke ongelukken hebben voorgedaan. Dan rijdt hij weer terug naar Amsterdam, onderweg een moeder met een ziek kind meenemend en een koe van de dijk af rijdend. De reis is geslaagd. 66 De Telegraaf, vrijdag 14 januari 1916, avondblad, tweede blad, pagina 6.

Verderop in de kolommen van De Telegraaf staan korte berichten van medewerkers uit verschillende getroffen dorpen. Vrijwel allemaal zijn het korte samenvattingen van de gebeurtenissen die in de dorpen plaatsvonden. Duidelijk is dat de wil om persoonlijk ter plekke te zijn zeer serieus wordt genomen. Het feit dat hij met zijn roekeloze gedrag anderen schade berokkent wordt ondergeschikt bevonden aan de nieuwswaarde van een reporter ter plaatse. Desondanks is zijn verhaal wel duidelijk en helder. Pakkend bovendien, ondanks het gevoel van plaatsvervangende schaamte dat je als lezer af en toe bekruipt. De verslaggever neemt beheerst afstand van hetgeen hij ziet, door er bijvoorbeeld geen moment aan te denken om een handje te helpen, maar zijn schrijfstijl is wel degelijk emotioneel betrokken omdat hij, bijvoorbeeld door slachtoffers aan het woord te laten, sentimentele gevoelens oproept bij de lezer.

De Tijd

Anders dan De Telegraaf komt De Tijd pas op zaterdag met een beschouwing voorzien van redactioneel commentaar, maar lijkt wel een iets grotere nieuwswaarde te hebben door overzichtelijker te werk te gaan. Wat nuchterder van toon worden de gebeurtenissen per plaats kort en haast zakelijk beschreven, hoewel hier en daar de dramatiek toch wel naar voren komt, ‘Voor zoover bekend vielen geen persoonlijke ongelukken te betreuren…maar men moet bedenken dat de koeien van een goed landbouwer deel uitmaken van het gezin…en wat het hem kosten moest vele beesten te zien verdrinken; maar wat een vreugde ook, enkele zijner dieren terug te vinden. Want eigenaardig…al zijn zij niet gemerkt, de boer herkent zijn koebeest toch!’ In de loop der dagen wordt de nadruk verlegd van het ‘harde’ nieuws naar wat meer achtergrondverhalen waarbij telkens de positieve berichten benadrukt worden. Zo heeft de krant al snel door waar de ramp het grootste is en aan de gebeurtenissen op het eiland Marken wordt uitgebreid aandacht besteed door het lange verhaal van een bekende eilandbewoner vrijwel letterlijk over te nemen. Dit is echter niet iemand die een van de zestien omgekomen eilandbewoners verloren heeft, maar iemand die met zijn hele gezin de watersnood overleefd heeft door op een kleine zolderkamertje te schuilen. Die nadruk op het goede nieuws valt mij op. Tot slot vond ik nog een kenmerkende passage in het vermoedelijke hoofdredactioneel commentaar, tekenend voor de verzuiling, die zelfs in tijd van rampspoed kennelijk moest worden benadrukt. ‘Te Monnickendam stelde de pastoor met groote bereidvaardigheid de katholieke gebouwen open ten dienste der vluchtelingen en ter berging van het vee, voor zoover dit natuurlijk doenlijk was. Het Kerkbestuur der Ned. Herv. Gemeente maakte bezwaar, het mooi gerestaureerde aloude kerkgebouw open te stellen, maar nood breekt wet..’.77 De Tijd, zaterdag 15 januari 1916, tweede blad, pagina 3. De stijl van De Tijd komt mij toch vooral beheerst afstandelijk voor, met name vanwege de nadruk op de goede berichten. Iemand heeft driekwart van zijn veestapel verloren, maar gelukkig, daar ziet hij een koebeest dat hem toebehoort. Hierdoor lijkt de ramp minder erg dan hij in werkelijk misschien wel was.

De Standaard

Geen beschouwing of verslaggeving. De Standaard spaart de eerste dagen na de ramp simpelweg alle berichtjes uit de verschillende correspondentschappen en plakt die achter elkaar zonder ze daadwerkelijk te selecteren op nieuwswaarde. En dus lees je een bericht als ‘Heele swermen koeien die zonder geleide waren, trokken door de Gemeente Zaandam naar den Westzanerdijk. Een vrouw, die naar den dokter moest, was verplicht terug te keeren, omdat zij geen gat zag door de koeien heen te komen.’ eerder dan een kort verslag waarin de dramatische gebeurtenissen waarbij drie kinderen omkomen beschreven worden. ‘Bij een vrouw wier man in dienst is en die met haar acht kinderen in een der lage huisjes in den ondergeloopen Varkenoordschen polder woonde, werden maar zes kinderen en de vrouw gered. Twee bleven in het huis en verdronken. Gisteren vond men een der kleinen onder de kachel. Bij het redden van de andere kinderen was de moeder met een der kleinen op den arm eenige malen in het koude water uitgegleden, en gisteren is ook dit kind overleden.88 De Standaard, zaterdag 15 januari 1916, eerste blad, pagina 1. Pas op dinsdag 18 januari, vier dagen na de ramp komt De Standaard met een uitgebreid sfeerverslag van het bezoek van een dominee aan Marken. ‘Langzaam komen een paar visschers den dijk af, de handen in de zakken der wijde broeken, even blijven zij staan, en dan zijn wij getuige van een ontmoeting, zoo hartelijk als wij elken herder met zijn gemeente toewenschen. "Dat dacht ik wel dominee, dat u komen zou!" hoe vaak hebben wij dat gehoord, of "Dag dominee" zoo uit een vletje hem toegeroepen, "wat een toestand hè?" en herhaaldelijk hebben wij den dominee Dr. Rutgers als met geweld uit de hem omringende menschen, Hervormden zoo Gereformeerden, moeten wegroepen, want anders- dan zaten we nu nog op Marken.’99 De Standaard, dinsdag 18 januari 1916, pagina 1. Op pagina 2 komt pas het bezoek van koningin Wilhelmina aan de getroffen streek, maar de anderhalve kolom die zij bemeten krijgt steekt schril af tegen de vier van de dominee. Wat de berichtgeving betreft is De Standaard zeer onder de maat, hoewel de prietpraat van dominee die een kopje thee krijgt van enkele Marker gelovigen ongetwijfeld naar de zin van de christelijke lezers zal zijn geweest. In zijn berichtgeving is De Standaard zeer afstandelijk, behalve waar het zoals gezegd om berichten gaat die belangrijk zijn voor de eigen achterban. Deze worden wel emotioneel betrokken beschreven.

Het Volk

Zeer opmerkelijk komt de redactie van Het Volk pas op maandag 17 januari met de eerste berichtgeving over de watersnood. Het SDAP-congres dat de donderdag en vrijdag gehouden werd nam alle ruimte in beslag en in de getroffen gebieden woont maar weinig achterban, doordat vrijwel alle arbeiders in de eerste plaats gelovig zijn. Om het eerdere gebrek aan aandacht goed te maken is een, zeker voor die tijd, goed geschreven maar eigenlijk vrij nietszeggend verhaal van een verslaggever geplaatst die als passagier, ‘Als men geen dure auto of motorboot betalen kan om den omvang der ramp te benaderen moet men wel van goedkoopere middelen van vervoer gebruik maken’, op een veerboot stapt en beschrijft wat hij ziet.110 Het Volk, maandag 17 januari 1916, pagina 6.0 Leuk en aardig, maar hij ziet dus ook vrij weinig en dit verhaal is dan ook allerminst toereikend, zeker niet wanneer gelet wordt op de stroom aan informatie die kranten als De Telegraaf en Het Algemeen Handelsblad publiceren. Het blijft, afgezien van het sfeerverslag, bij de algemene berichten die van regionale journalisten worden overgenomen. Wel opmerkelijk is dat Het Volk als enige krant in haar berichtgeving, weliswaar verkapte maar toch duidelijke, vragen stelt omtrent de schuldvraag en merkbaar vindt dat de overheid een onderzoek naar het Hoogheemraadschap Waterland moet instellen. ‘Er zijn er die enkel maar het hoofd schudden, er zijn er ook die rondweg de vreeselijke beschuldiging uitspreken, dat zij, die verantwoordelijk zijn voor den toestand van den dijk, hun plicht niet hebben gedaan. Wij denken er niet aan, om ons tot tolk te maken van deze onbewezen beschuldigingen door ondeskundigen uitgebracht. Maar waar zoo algemeen over dit punt gesproken wordt, hebben wij getracht inlichting en opheldering te krijgen. Men wees ons erop, dat ten aanzien van de waterkeering in Holland, nog altijd gehandeld wordt volgens het aloude rijmpje: Wie het water deert, die het water keert. De belanghebbenden bij de waterkering hebben door middel van hun waterschappen, heemraadschappen en hoogheemraadschappen te zorgen voor de inrichting en het onderhoud van een goede waterkeering, en dragen daarvan binnen zekere grenzen de kosten. Die kosten kunnen nog wel eens hoog oploopen en het is in Nederland wel voorgekomen dat de betrokkenen aan onderhoud van hun dijken minder deden dan noodzakelijk was om wat goedkoper uit te komen."111 Het Volk, dinsdag 18 januari 1916, pagina 6.1 Het Volk als enige waakhond van de samenleving? Toch niet.

Het Algemeen Handelsblad

Verreweg de beste verslaggeving met de meest uitgebreide berichtgeving is te vinden in Het Algemeen Handelsblad. Net als De Telegraaf heeft ook Het Algemeen Handelsblad al in de avondeditie van vrijdag 14 januari ruimschoots aandacht voor de watersnoodramp. Maar liefst acht kolommen zijn er aan de overstroming gewijd, daarbij natuurlijk veel aandacht voor de situatie in Rotterdam. Ook Het Algemeen Handelsblad stuurt reporters op pad, maar hun ervaringen worden niet zo prominent geplaatst als bij De Telegraaf. In tegenstelling tot hun collega van De Telegraaf, begrijpen de mensen van Het Algemeen Handelsblad wel dat hun auto de boeren belemmerd en zij gaan te voet verder naar Broek. Ook in hun beschrijvingen van het leed dat ze zien zijn de verslaggevers wat voorzichtiger. Natuurlijk ook hier aandacht voor het verdronken vee, maar in mindere mate. De volgende dagen gaat de stroom informatie onverminderd door, al op zondag 16 januari voorzien van een overzichtelijk kaartje. Bovendien wordt op dezelfde dag ook de schuldvraag gesteld en zelfs beantwoordt, hoewel de bron dubieus is. ‘Zie hier wat iemand, die het weten kan, mededeelde: Het waterschap Waterland moet den zeedijk van Waterland onderhouden. De provincie Noord-Holland geeft daarvoor subsidie en ook het Rijk geeft er subsidie voor. De achterliggende waterschappen moeten echter ook hun deel bijdragen. Maar niet alle betrokkenen doen dit met animo. En nu konden de betrokkenen wel gedwongen worden hun plicht te doen, doch in de Staten verhieven zich steeds stemmen tegen dwangmaatregelen. Het gevolg van een en ander is geweest, dat de dijk niet onderhouden is geworden, zoals dit behoorde. Ware de dijk goed onderhouden geweest dan had die dijkdoorbraak nooit plaatsgehad. In hoever het bovenstaande al of niet juist is, kunnen wij niet beoordelen.’112 Het Algemeen Handelsblad, zondag 16 januari, pagina 5.2 Op dinsdag 18 januari komt Het Algemeen Handelsblad met een inzamelingsactie voor slachtoffers. Hoewel de krant erg volledig is in zijn nieuwsgaring en ook sfeerverslagen plaatst van bijvoorbeeld het bezoek van de koningin aan Marken is nergens sprake van de haast opdringerige manier van verslaggeving zoals dat wel het geval was bij De Telegraaf. Beheerst afstandelijk maar niet op onverschillige wijze, zo zou ik de stijl van Het Algemeen Handelsblad willen typeren.

CONCLUSIE

Bij het eind van mijn paper gekomen ben ik tot de conclusie gekomen dat er een enorm verschil is in de manier van berichtgeving. Nog sterker dan nu het geval is, hadden de landelijke dagbladen hun eigen identiteit. Over de beweegredenen achter de manier van werken tijdens de watersnoodramp van 1916 hoop ik in mijn verdere onderzoek meer te weten te komen.