[Yilka Wissink]

Literatuur, Paper, Referaat, Co-referaat , Slotwerkstuk

Als je hier met de rechtermuisknop klikt, en 'save target as' klikt, kun je dit paper als Word bestand opslaan. Dan kun je het vanaf daar printen. 

‘Wij hebben de hel gezien’

 

Een onderzoek naar het verschil in berichtgeving over de vuurwerkramp in Enschede tussen de populaire en serieuze dagbladpers

Inleiding

"Wij hebben de hel gezien" Dit is de kop boven de paginabrede foto waarmee het Algemeen Dagblad op maandag 15 mei 2000 haar krant van die dag opent. De woorden beschrijven op dramatische wijze de ramp die zich twee dagen daarvoor, op zaterdag 13 mei 2000, afspeelde in de wijk Mekkelholt in Enschede. De foto er onder toont de harde realiteit: een vuurwerkfabriek ontploft midden in de woonwijk en laat een enorme ravage en een op dat moment nog onbekend aantal doden en gewonden achter. Nederland is met stomheid geslagen.

Vanzelfsprekend vult de gebeurtenis de dagen daarna de kolommen van de krant en de zendtijd van de nieuws- en actualiteítenprogramma’s. Alles wat met de ramp te maken heeft, wordt breed uitgemeten en elk nieuw detail over de ramp blijft tot op de dag van vandaag, ruim zes maanden na de ramp, voorpaginanieuws.

Dit paper is geschreven als voorbereiding op een onderzoek naar de uitgebreide berichtgeving in de Nederlandse kranten over de vuurwerkramp in Enschede. Om een duidelijk beeld te krijgen van datgene wat zich die rampzalige zaterdagmiddag in Enschede afspeelde, zal om te beginnen de ramp beknopt worden beschreven. Vanwege het feit dat de ramp relatief kort geleden is gebeurd, zijn de gegevens in deze paragrafen afkomstig van krantenartikelen en van internetpagina’s van kranten. Boeken over de vuurwerkramp zijn nog nauwelijks verschenen, laat staan verkrijgbaar.

Na de beschrijving van de ramp worden de vraagstelling voor het uiteindelijke onderzoek naar de berichtgeving omtrent de vuurwerkramp beschreven en worden de aspecten waarop gelet zal worden, uit de doeken gedaan.

Vervolgens wordt er in aparte paragrafen aandacht besteed aan de geschiedenis van de verschillende kranten die in het onderzoek worden bekeken en komt hun identiteitsverklaring aan de orde.

Ook wordt geprobeerd de journalistieke cultuur in Nederland van de afgelopen tien jaar in een aparte paragraaf te beschrijven en krijgt het verschil tussen de kwaliteitskranten en populaire kranten aandacht. Dit paper eindigt tenslotte met een slotwoord.

De explosies

Even voor drieën ’s middags op zaterdag 13 mei 2000 worden de inwoners van de stad Enschede opgeschrikt door een harde knal. Het lijkt op een explosie. Binnen enkele minuten wordt het de politie en de brandweer via de alarmcentrale duidelijk waar de explosie vandaan kwam: een vuurwerkopslagplaats van de vuurwerkfabriek SE Fireworks, die gevestigd is aan de Tollenstraat in de wijk Mekkelholt, staat in brand. Binnen tien minuten na de ontploffing zijn de eerste brandweerwagens op het terrein van de vuurwerkfabriek en meer eenheden zijn onderweg. De brandweerlieden ter plaatse bekijken de situatie onder belangstelling van enkele honderden toeschouwers en beginnen met het blussen van de brandhaarden.

Danny de Vries, journalist van RTV-Oost die op dat moment aanwezig was, verklaarde later in het NRC wat er vervolgens gebeurde: "Er begon vuurwerk te knallen. Het zag er mooi uit. Ik filmde. Daarna kwamen de wat grotere knallen. Er braken ruiten. We werden door de politie de straat uitgestuurd. Ik liep naar een huis waar ik in de voortuin ging staan om verder te filmen. De knallen werden harder. Ik had geen idee dat het zo uit de hand zou lopen. Er hing wel iets in de lucht, iets dreigends. Maar als ik had geweten hoe het zou gaan, was ik allang weggeweest. Ik ben eigenlijk niet zo’n held."

Kort daarop, om half vier precies, vindt de zwaarste explosie plaats. De vuurwerkopslagplaats vliegt in de lucht en het wordt plotseling donker. De enorme drukgolf die wordt veroorzaakt door de explosie verwoest honderden huizen en is tot ver in de omgeving voelbaar. Er ontstaat een enorme rookwolk boven de stad, die tientallen kilometers verderop te zien is.

De Schade

Al snel worden de enorme gevolgen van de ramp duidelijk. Om vier uur ’s middags, een half uur na de zwaarste explosie, zet de politie buurt af. Er wordt gevreesd voor vele doden en gewonden en vanwege de mogelijke ontploffing van de vlakbij gelegen Grolschfabriek, is het gevaar nog niet geweken. Die ontploffing blijft gelukkig uit. Een kwartier later verklaart burgemeester Mans van Enschede het getroffen stadsdeel tot rampgebied. Hij roept de hulp in van politie, ambulance diensten en brandweerkorpsen uit de regio en er komt ook hulp uit het Duitse Rheine. Om zeven uur dezelfde avond verklaart Mans op een persconferentie dat waarschijnlijk twintig mensen zijn omgekomen. Het exacte aantal dodelijke slachtoffers is op dat moment nog niet bekend en die avond trekken hulpverleners het rampgebied binnen op zoek naar slachtoffers.

In totaal liepen 944 mensen verwondingen op tijdens de vuurwerkramp in Enschede en in de nacht van zondag 14 mei op maandag 15 mei na de ramp worden nog tweehonderd mensen vermist. De onzekerheid over het lot van die mensen is groot, maar in de dagen daarna melden zich steeds meer mensen en neemt het aantal vermisten steeds verder af. De maandagochtend na de ramp zijn er vijftien lijken geborgen, waaronder vier brandweerlieden en konden er drie slachtoffers worden geïdentificeerd. Uit definitieve cijfer is gebleken dat de ramp aan zeker 21 mensen het leven heeft gekost.

De schade aan de huizen is enorm. In totaal zijn er zo’n 400 huizen geheel weggevaagd en ongeveer 1000 andere huizen liepen schade op. De directe omgeving van de opslagplaats zag er volgens ooggetuigen uit als een verwoest oorlogsgebied. De schade loopt in de honderden miljoenen en woningcorporaties schatten dat de wijk de komende twee jaar niet meer kan worden bewoond.

Premier Kok, die het Enschede de dag na de ramp bezocht, pleitte direct voor een diepgaand en onafhankelijk onderzoek naar de oorzaak van de ramp. Het onderzoek kwam er: op 26 mei, 13 dagen na de ramp, werd de commissie-Oosting geïnstalleerd. Deze commissie zou de ramp gaan onderzoeken en kreeg de opdracht om het onderzoek op 1 november te voltooien en naar buiten te brengen. Deze deadline werd niet gehaald. Op 10 november is het rapport alsnog uitgebracht, maar naar weten mijn media zijn de resultaten van het onderzoek vooralsnog niet in de media verschenen.

 

 

De vuurwerkramp en de media

De Nederlandse media heeft vanaf het begin veel aandacht besteed aan de ramp. Met name de eerste dagen van de ramp lijkt het in de geschreven pers, op de radio en de televisie en op het internet nergens anders over te gaan. Slachtoffers zijn uitgebreid in beeld gebracht en er is veel aandacht besteed aan de vraag hoe de ramp ooit heeft kunnen gebeuren. Ook de verbazing over het feit dat een vuurwerkfabriek ‘zomaar’ midden in een woonwijk kon staan, heeft veel discussie doen opwaaien.

We zijn nu inmiddels een half jaar verder, maar de aandacht voor de ramp in Enschede is zeker nog niet voorbij. Veel deskundigen en niet deskundigen hebben de afgelopen maanden in de media hun licht over de oorzaak van de ramp laten schijnen, maar het blijft een feit dat die tot op de dag van vandaag nog steeds niet met zekerheid is vastgesteld. Een gevolg hiervan is dat elk nieuw detail dat met de ramp te maken heeft nog steeds op uitgebreide aandacht in de media kan rekenen.

Plan van aanpak onderzoek

In het uiteindelijk onderzoek naar de berichtgeving over de vuurwerkramp in Enschede zal ik mij richten op de landelijke dagbladen. Als invalshoek heb ik gekozen voor het vergelijken van de ‘populaire’ en de zogenaamde ‘kwaliteitskranten. Ik heb gekozen voor de volgende vier kranten: De Telegraaf, Het Algemeen Dagblad, De Volkskrant en Het NRC Handelsblad. De eerste twee worden over het algemeen gezien als populaire dagbladen terwijl de laatste twee beschouwd worden als kwaliteitskranten. Een ander belangrijk argument voor de keuze van deze vier dagbladen lag ten grondslag aan het feit dat zij op dit moment de vier grootste dagbladen van Nederland zijn en dus de meeste lezers trekken.

In het onderzoek wil ik bekijken of er verschil is in de manier waarop de twee populaire en de twee kwaliteitskranten over de ramp berichtten. Mijn analyse zal zich richten op de berichtgeving in de kranten tijdens de eerste vijf dagen na de ramp. Mijn vraagstelling zal zijn:

Verschillen het NRC Handelsblad en De Volkskrant in de manier waarop zij in hun krant berichten over de ramp in Enschede ten opzichte van de manier waarop Het Algemeen Dagblad en De Telegraaf dat doen?

Als er sprake blijkt te zijn van verschil in de manier van berichtgeving, wat wel waarschijnlijk is, zou ik de volgende twee vragen ook willen beantwoorden:

Waar zit dat verschil in en sluit dat verschil aan bij de identiteit van de verschillende kranten?

Om deze hoofdvragen goed te kunnen beantwoorden, heb ik een aantal deelvragen opgesteld:

  1. Hoeveel ruimte krijgt de ramp van Enschede in de kolommen?
  2. Welke genres gebruiken de kranten in hun berichtgeving over de ramp?
  3. Op welke aspecten van de ramp wordt de nadruk gelegd? (bijv. schuldvraag of slachtoffers)
  4. Wat is over het algemeen de toon van de artikelen (bijv. zakelijk, kritisch of emotioneel)
  5. Hoeveel aandacht krijgt de ramp in het redactioneel commentaar? En waar gaat dat commentaar dan over?
  6. Met welke snelheid neemt het aantal themapagina’s over de ramp af?

Deze deelvragen zal ik voor elke krant beantwoorden en het resultaat daarvan vergelijk ik met de andere kranten.

Hoewel de behandeling van de bovenstaande deelvragen al heel wat werk op zal leveren, neem ik, hetzij minder uitgebreid, toch het gebruik van foto’s in mijn analyse mee. Ik heb hiervoor gekozen omdat ik denk dat de verschillende kranten hierin zullen verschillen. Ik wil de volgende deelvragen beantwoorden:

  1. Welke beelden tonen de foto’s die geplaatst worden?
  2. Hoe groot zijn de foto’s?
  3. Dienen de foto’s als illustratie of staan ze op zichzelf?

De operationalisering van de in de deelvragen genoemde aspecten zal vorm krijgen in het tweede trimester.

De oplages van de vier dagbladen in de afgelopen vijf jaar

De vier dagbladen die in het onderzoek naar de berichtgeving van kranten over de vuurwerkramp in Enschede onder de loep worden genomen, zijn zoals al eerder werd genoemd de vier grootste dagbladen van Nederland. Ter illustratie wordt in onderstaande tabel de ontwikkeling weergegeven van de oplagecijfers van de kranten in de afgelopen vijf jaar:

Figuur 1 Oplages van kranten in de afgelopen vijf jaar

 

1995

1996

1997

1998

1999

De Telegraaf

732.860

736.490

738.090

771.010

782.810

Het Algemeen Dagblad

393.370

395.290

385.900

390.150

363.322

De Volkskrant

358.350

366.000

342.545

347.055

349.626

Het NRC Handelsblad

267.170

268.695

262.085

266.250

268.131

Bron: van der Plasse, J., Kroniek van de Nederlandse dagbladpers, Amsterdam 1999, p 142, 143

Uit bovenstaande cijfers blijkt dat De Telegraaf verreweg de grootste krant van dit moment is in Nederland. Op grote afstand volgt Het Algemeen Dagblad. Met uitzondering van de Telegraaf laten de dagbladen in 1997 een daling van het oplagecijfer zien. De twee jaar daarna nemen de oplages weer toe, maar bereiken geen van allen het niveau van 1997. De Telegraaf daarentegen laat vanaf 1995 een continue stijging zien.

Geschiedenis en identiteitsverklaringen van de kranten

De Telegraaf

Het dagblad de Telegraaf bestaat in vergelijking met de drie andere kranten verreweg het langst. De krant werd opgericht door Henry Tindal en verscheen voor het eerst op 1 januari 1893. In de Telegraaf van Tindal zouden, blijkens de beginselverklaring, persoonlijke aanvallen niet plaatsvinden. De politieke stellingname van de krant werd samengevat in de begrippen ‘hervormingsgezind’ en vooruitstrevend’, ‘kalm en humaan.’ Wat dit nieuwe dagblad ook moge tot stand brengen’, zo kondigde Tindal zijn krant aan, ‘het strekke zich bovenal tot heil van het vaderland’

In de Tweede Wereldoorlog nam de Telegraaf echter een dubieuze positie in wat betreft het behartigen van de belangen van het vaderland. De toenmalige directeur Holdert, had tijdens de duitse bezetting maar een doel voor ogen: het voortbestaan van de krant. Dat hij daar heel ver in ging, bleek bijvoorbeeld uit het feit dat drukorders voor de Deutsche Zeitung en het antisemitische Weekblad de Misthoorn grif werden aanvaard. Toch schaarde de krant zich niet geheel aan de kant van de Duitse bezetters. Vooral tijdens de eerste jaren van de bezetting werden Deutschfreundliche artikelen afgewisseld door anti-duitse berichtgeving. Dat laatste leidde meerdere malen tot boetes en wekte dikwijls de woede van de collaboratiepers op. Na de oorlog werd de Telegraaf in eerste instantie een naamsverbod van dertig jaar opgelegd vanwege zijn gedragingen in de oorlog, maar bij de Raad van Beroep werd dit vonnis in 1949 herroepen. Dit nam niet weg dat Telegraaf nog decennia na de Tweede Wereldoorlog zijn naam als collaboratiekrant niet kwijtraakte. Pas na het verschijnen van het proefschrift ‘Niet voor publicatie’ van Rene Vos in 1988, over de berichtgeving van Nederlandse kranten tijdens de Duitse bezetting, moest algemeen erkend worden dat De Telgraaf zich in de oorlogstijd niet veel beter of slechter had gedragen dan de meeste andere dagbladen.

Volgens Free-lance journalist Theo van Stegeren is de Telegraaf van de jaren negentig zo onvoorspelbaar als zijn verslaggeverskorps heterogeen is. In zijn artikel voor intermediair uit1992

schrijft hij: "Op de werkvloer zijn vrijwel alle gezindten vertegenwoordigd, een enkele anarchist incluis. Boven die vloer neemt de diversiteitlangzaam af. Iedere redacteur weet het te vertellen: hoe hoger op de telegraafladder, hoe rechtser de persoon die erop staat. Dat die rechtse top zich niet geroepen voelt zijn stempel op de krant te drukken, heeft twee redenen. In de eerste plaats wil zij de traditie van neutraliteit van de krant in tact laten. De krant denkt niet christelijk, niet liberaal en niet socialistisch. Zij is van huis uit ‘niks’, heeft de daarbij horende mentale en moderne lenigheid in de genen zitten en wil dat graag zo houden Daarbij komt dat een te rechtse koers een deel van het lezerspubliek zou afschrikken. Onder de lezers is een schakering aan partijvoorkeuren en kerklidmaatschappen zo groot, dat de krant er niet onderuit kan een beetje van alles te zijn. Prettige bijkomstigheid is de manoeuvreerruimte die dat de redactie verschaft."

Hoewel ik de officiële tekst van het redactiestatuut niet in de literatuur heb kunnen vinden, wordt die bovengenoemde neutrale invalshoek en de nadruk op het belang van het vaderland nog elke dag linksboven aan pagina drie van de krant aangeduid met de tekst: ‘Het dagblad De Telegraaf geeft onpartijdig nieuws, zonder gebonden te zijn aan enige staatskundige partij, kerkelijke richting of belangengemeenschap, uitsluitend in dienst van ’s lands belang.’

Het Algemeen Dagblad

Over de geschiedenis van het Algemeen dagblad is niet veel literatuur verschenen. De krant verscheen onder zijn huidige naam voor het eerst op 29 april 1946 en werd aangekondigd als de voortzetting van het dagblad van Rotterdam. Het jaar daarna had de krant een oplage van 45.000 exemplaren per dag. Deze oplage was te vergelijken met die van landelijke dagbladen in die tijd als Het Algemeen Handelsblad (55.000) en De Nieuwe Rotterdamsche Courant (40.000). Echt groot was het Algemeen dagblad nog niet als de oplage wordt vergeleken met de oplage andere landelijke dagbladen als Het vrije volk (300.000) en Trouw (175.000) van dat zelfde jaar. In de vier decennia daarna maakte de krant echter, net als de meeste andere landelijke dagbladen in Nederland een snelle groei door. De snelste oplagegroei deed zich voor tussen 1970 en 1975. In de periode ging de krant van 213.800 naar 309.000 exemplaren per dag. Deze groei zette zich jammer genoeg voor de krant niet door en vlakte in de jaren daarna geleidelijk aan af. In 1990 lieten de oplagecijfers zelfs voor het eerst in de geschiedenis van de krant een forse daling zien van 26.890 exemplaren per dag ten opzichte van 1985. Deze daling was vooral opvallend omdat alle andere landelijke dagbladen in die periode een licht stijging lieten zien.

Wat betreft de ideologische grondslag heeft Het Algemeen dagblad altijd verkondigd een neutrale krant te zijn. In het nieuwste redactiestatuut van de krant, geschreven in 1992, staat de volgende beginselverklaring: Het Algemeen Dagblad heeft geen binding met enige politieke partij, enig kerkgenootschap of andere maatschappelijke groepering. Het algemeen dagblad wordt in vrijzinnige geest geredigeerd vanuit de beginselen die ten grondslag liggen aan de parlementaire democratie en vanuit de beginselen van een sociaal-economische orde op basis van de ondernemingsgewijze produktie

In de daarop volgende "uitgangspunten" is de redactionele formule vastgelegd:

Het algemeen Dagblad is een populair, betrouwbaar, landelijk ochtendblad. Het legt zich toe op het verschaffen van nieuws, commentaar, beschouwingen en onderhoudende bijdragen in woord en beeld aan een breed lezerspubliek.

De Volkskrant

Rond het jaar 1919 was de katholieke Arbeidersbeweging sterk in opkomst in Nederland en de behoefte aan een spreekbuis voor die beweging werd steeds groter. Om aan die behoefte te voldoen, richtten een aantal katholieke arbeidersbonden, verenigd in de Federatie der Diocesane Rooms-Katholieke Volks- en Werkliedenbonden in 1919 een krant op: De Volkskrant. De krant verscheen voor het eerst op 2 oktober van dat jaar. Hoewel de krant in het begin slechts een keer per week op de donderdag verscheen en uit slechts vier pagina’s bestond, duurde het nog geen twee jaar voordat de krant dagelijks verscheen.

In het openingsartikel van die eerste verschijning, werd het al direct duidelijk welke koers de krant zou gaan varen in het verzuilde Nederland van die tijd: "De Volkskrant moet erin: zij moet gelezen worden door alle katholieke arbeiders; want zij is de vlag voor ons leger; het symbool voor onzen strijd. Laat de arbeiders liefde toonen voor hunne pers. Alle schouders eronder en het zwaarste werk wordt licht. Onze arbeiderspers zal tot uitbreiding moeten komen, omdat er zoveel te zegge valt elke dag"

De Volkskrant ging zoals de oprichters voor ogen hadden gehad een belangrijke rol spelen als spreekbuis voor de katholieke arbeidersbeweging. Na het uiteenvallen van de verzuiling in de jaren zestig is deze spreekbuisfunctie net als bij zoveel voormalige richtingsbladen op de achtergrond geraakt.

Het huidige redactiestatuut van De Volkskrant, dat dateert van 27 juni 1991, bevat dan ook een wat neutralere identiteitsverklaring, maar verwijst nog steeds naar de Katholieke geschiedenis van de krant: De Volkskrant is een landelijk ochtendblad, dat zich tot taak stelt de lezers eerlijk en zo veelzijdig mogelijk te informeren. Zij is voortgekomen uit de katholieke arbeidersbeweging. Mede daarom wil zij vooruitstrevend zijn en vooral opkomen voor verdrukten en onrechten. Zij is zelfstandig in haar meningsvorming. In het bijzonder beoogt zij ontwikkelingen te bevorderen, die een belofte inhouden voor een menswaardiger samenleving

Kort samengevat ziet De Volkskrant zich dus blijkende uit de bovengenoemde beginselverklaring als een vooruitstrevende krant, die zelfstandig haar mening wil vormen en menswaardigheid hoog in het vaandel draagt. De Volkskrant wil feiten en engagement zoveel mogelijk gescheiden houden. De feiten moeten zo eerlijk mogelijk worden weergegeven. Ze mogen niet worden verdraaid of weggelaten, als ze niet in het straatje van de krant passen. Wie dat wel doet maakt zich volgens de krant schuldig aan manipulatie. Lezers moeten de kans krijgen zelf een oordeel te vormen. In persoonlijk ondertekende artikelen of in commentaren kan de betrokkenheid van de redactie naar voren worden gebracht.

 

Het NRC Handelsblad

Het NRC Handelsblad is de jongste van de vier dagbladen die in dit paper aan de orde zijn gekomen. Het dagblad verscheen voor het eerst op 1 oktober 1970 door de samenvoeging van twee liberale kranten: De Nieuwe Rotterdamse Courant en het Algemeen handelsblad. De jaren daarvoor hadden beide kranten te kampen met een dalende oplagecijfers. Een fusiemogelijkheid was al een aantal keren ter sprake gekomen, maar afgeketst omdat beide kranten hun eigen identiteit wilden behouden en besloten te vechten tegen de dalende oplages. Zowel de oplage van het NRC als Het Algemeen dagblad bleven in 1969 echter dalen en in januari 1970 liet de directie van de Nederlandse dagbladunie, waar beide kranten toe behoorden, weten dat de maat vol was: een fusie was onvermijdelijk.

In de jaren na de samenvoeging in 1970 groeide Het NRC Handelsblad uit tot een liberale krant, die het nieuws op een serieuze en kritische manier benadert. Deze koers werd al in 1970 aangekondigd in een commentaar getiteld ‘Onze beginselen’ In dat commentaar definieerde NRC Handelsblad zichzelf als "modern liberaal" en onderschreef ze onder meer het volgende gedachtegoed: "De vrijheidsgedachte die wij voorstaan, verdraagt zich niet met geloof in enig dogma, aanvaardt niet bij voorbaat enig gezag. Dat betekent een niet aflatende zelfwaakzaamheid jegens onszelf, ook zelfonderzoek, want de mens is een gewenningsdier, dat moeilijk afstand doet van vertrouwde gewoontes en denkpatronen- en niets menselijks is ons vreemd." Tot op de dag van vandaag heeft de krant deze instelling niet gewijzigd. Het NRC Handelsblad ziet het als haar taak om snel en goed verslag te doen van nieuwe ontwikkelingen en gebeurtenissen die van betekenis zijn voor de lezer.

Journalistieke cultuur in Nederland anno 2000

Hoewel het lastig is om over een journalistieke cultuur te schrijven, als je er middenin zit, is er wel wat literatuur over het onderwerp verschenen.

Joan Hemels zegt in haar artikel ‘journalisten: spelbrekers en onruststokers in de samenleving?’ over de huidige journalistiek in Nederland: "Aan het eind van de twintigste eeuw omvat journalistiek, behalve de dagblad- en de tijdschriftenjournalistiek, ook de radiojournalistiek en - nog in een ontwikkelingsfase – de internetjournalistiek. (….) De diversificatie van mediatypen en mediasoorten is slechts één ontwikkelingslijn van de communicatiegeschiedenis. Een andere is die van zich in de loop van de tijd ontwikkelende nieuwe vormen van journalistiek. De journalist is inmiddels niet meer uitsluitend of voornamelijk gericht op nieuwsvoorziening, maar ook op nieuwsanalyse, het bieden van achtergrondinformatie, opinievorming, educatie, voorlichting, verstrooiing, agenda-achtige servicerubrieken, enzovoort."

De dagbladjournalistiek speelt zich volgens Hemels geheel af in de setting van commerciële ondernemingen. Bij iedere krant speelt de behoefte om zo veel mogelijk kranten te verkopen. Dat wil niet zeggen dat dit streven bij iedere krantenredactie evenzeer aanwezig is, maar zeker op het ‘hoogste’ niveau, bij de directie en de uitgeverijen, spelen verkoopcijfers een belangrijke rol.

In dit licht gezien is het niet verwonderlijk dat de aandacht in de serieuze journalistiek voor sensationele en ongewone verhalen door de jaren heen gegroeid is. Daarnaast drong bijvoorbeeld de persfoto door tot de serieuze kranten, is de schrijfstijl van deze kranten losser geworden en werden de koppen boven artikelen groter

De ontzuiling heeft bij deze ontwikkeling ongetwijfeld een belangrijke rol gespeelt. Het was voor de richtingbladen tijdens de verzuiling niet moeilijk om het hoofd boven water te houden, omdat de achterban de natuurlijke afzetmarkt vormde. Dit veranderde tijdens het ingrijpende proces van ontzuiling en deconfessionalisering. Toen de rook halverwege de jaren zeventig was opgetrokken, bleek de landelijke populaire pers heel wat vroegere confessionele, liberale of socialistische lezers te hebben gewonnen.

Een andere manier om iets te weten te komen over de journalistieke cultuur in Nederland is de journalisten te vragen naar hun opvattingen. Medewerkers van het journalistieke weekblad De Journalist deden dat aan het begin van dit jaar. Ze stelden vragen over de journalistiek in het algemeen aan 1010 journalisten in Nederland.

Een van de meest opvallende uitkomsten van dat onderzoek was, dat in Nederland de populariteit van de kritische waakhondfunctie van de pers, gekoppeld aan het bieden van een platform voor discussie met een zo breed mogelijk publiek, groot is. Ook het eventueel invloed uitoefenen op dat publiek krijgt in Nederland aanzienlijk meer steun dan bijvoorbeeld in de Verenigde Staten en Duitsland.

Wat ook opviel, is dat de entertainmentfunctie van de media bij meer dan de helft van de deelnemers aan het onderzoek als belangrijk dan wel zeer belangrijk werd gezien. Deze opvatting zou een reden kunnen zijn van de ontwikkeling van nieuwe vormen van journalistiek waar Hemels het al eerder over had. Slechts een kwart van de Nederlandse journalisten vindt het bieden van ontspanning en vermaak in het nieuws onbelangrijk ten opzichte van 14 procent in Amerika. Deze cijfers zijn vooral opmerkelijk als je bedenkt dat lichtere vormen van journalistiek door journalisten vaak in verband worden gebracht met ‘Amerikaanse toestanden’, die in Nederland niet gewenst zouden zijn.

Het belangrijkste doel van de journalistiek was volgens de ondervraagde journalisten, het bieden van analyses en interpretaties van het nieuws. Daarnaast vonden ze het heel belangrijk om het nieuws zo snel mogelijk te brengen en de overheid en het zakenleven kritisch te volgen. Aan het bieden van een goede omgeving voor adverteerders werd het minste belang gehecht.

Het verschil tussen een populaire en een kwaliteitskrant

Hoewel de serieuze kranten door de jaren heen hun stijl hebben aangepast, betekent het niet dat het traditionele onderscheid tussen de zogenaamde ‘kwaliteitsbladen’ en de populaire kranten niet meer herkenbaar is. Kwaliteitskranten schenken meer aandacht aan beleidsinformatie dan de populaire massakranten. De massakranten plaatsen op hun beurt meer human interest, praktische informatie en verstrooiing.

Vooral de landelijke dagbladen verschillen nogal van elkaar van lezerspubliek. Het verschil zit voor een groot deel in het welvaartsniveau van de lezers en opleiding speelt daarbij een belangrijke rol. De hoger opgeleiden in Nederland lezen graag een kaderkrant. Het Financiële dagblad en het NRC Handelsblad werden in 1991 het meest gelezen door mensen met een hogere opleiding. De telegraaf en het Algemeen Dagblad daarentegen scoren hoog onder de mensen met een lager inkomen. De Volkskrant neemt een middenpositie in.

 

Slot

Hoewel ik in deze paper betrekkelijk uitvoerig ben ingegaan op de beginselverklaringen van de vier kranten die ik wil gaan onderzoeken, heb ik behalve over de Volkskrant, nergens kunnen vinden hoe deze verklaringen worden omgezet in de manier van berichtgeving. Wel heb ik wat informatie gevonden over het verschil in berichtgeving tussen de populaire en de kwaliteitskranten. Ik heb er echter bewust voor gekozen om de hypothesen, die ik naar aanleiding van die informatie zou kunnen vormen, in dit paper achterwege te laten. Aan de ene kant heb ik dat gedaan vanwege het gebrek aan ruimte voor een grondige onderbouwing van die hypothesen. Aan de andere kant speelt de overweging een rol dat ik tot nu toe slechts een tekst over het onderwerp heb kunnen vinden. Dat vond ik nogal weinig. Ik vond het echter wel nuttig om naar aanleiding van deze informatie een paragraaf aan het onderwerp te besteden. Ik hoop dat ik die literatuur voor het uiteindelijke onderzoek wel te pakken kan krijgen.

Ik realiseer mij dat de beschrijving van de journalistieke cultuur in Nederland verreweg van volledig is. Het is een onderwerp waar je eindeloos over kan schrijven. In dit paper is daar helaas de ruimte niet voor, maar ik hoop dat ik toch de belangrijkste aspecten heb beschreven.

 

 

Literatuurlijst

Boeken:

Plasse, J. van der, Kroniek van de Nederlandse Dagbladpers, Amsterdam 1999

Teeuwen, W., Het dagblad onderscheidt zich; Redactiestatuten voor Dagbladen in Nederland en Duitsland, Maastricht 1993

Gessel, H van, ‘Een beeld van een Dagblad, De Volkskrant’, Amsterdam 1990

Es, G van et al, ‘Door onze redacteuren: NRC-handelsblad 1970-1975’, Amsterdam 1995

J. Bardoel en J. Bierhof(ed), ‘Media. Feiten en structuur’, Groningen, 1991

Artikelen:

Plasse, J. van der, ‘Een eeuw de Telegraaf deel 1’ in: De journalist 22 (1992)

Plasse, J. van der, ‘Een eeuw de Telegraaf deel 2’ in: De journalist 23 (1992)

Stegeren, Theo. Van, ‘De grillige Telegraaf’ in: Intermediar 52(1992)

Deuze, M, ‘Onderzoek naar journalisten in Nederland 02’ in: De Journalist 7(2000)

Kranten:

De Telegraaf, maandag 15 mei 2000

Algemeen Dagblad, maandag 15 mei 2000

NRC Handelsblad, maandag 15 mei 2000

De volkskrant, maandag 15 mei 2000

Internetpagina’s:

Http:// www.nrc.nl/ dossier Enschede