[Gijs Rademaker]

Literatuur, Paper, Referaat, Co-referaat, Slotwerkstuk

Watersnood 1953

Kranten in een ramptij

In de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953 werd Nederland getroffen door de grootste ramp sinds eeuwen. Een grote depressie boven de Noordzee joeg een watermassa met een breedte van 1000 kilometer richting de Nederlandse kust, vergezeld van windstoten met orkaankracht. Het noodlot wilde dat het twee dagen eerder volle maan was – dit betekende dat de vloed van die nacht extra hoog zou zijn.

Zeelands dijken, die in een miserabele conditie verkeerden, begaven het al voordat de storm haar hoogste punt had bereikt. Op tientallen plaatsen bezweken dijken in Zuidwest Nederland onder de druk van de zee. Vele honderden mensen werden die nacht in hun slaap verrast door het aanstormende water, anderen stierven in de eenzame dagen na de ramp, terwijl ze tevergeefs wachtten op hulp.

De berichtgeving over de watersnoodramp kwam de eerste dagen van de ramp slecht op gang, enerzijds omdat het zondag was (!), anderszijds omdat de communicatie met de getroffen gebieden was verbroken. Zo werd pas aan het einde van de eerste rampdag duidelijk dat Schouwen-Duiveland ook zwaar getroffen is – alle verbindingen met het eiland waren weggevallen.

Hoewel de uiteindelijke omvang van de ramp pas na lange tijd tot de meeste mensen doordrong, was het snel duidelijk dat vele tienduizenden mensen getroffen waren. Bijna alle dagbladen buiten het rampgebied kwamen zondag al met een extra editie. Die dag zaten er al tientallen journalisten in het rampgebied (of erboven, zoals de ploeg van De Volkskrant), de weken erna zouden er enkele honderden verslag doen vanuit een geteisterd Zeeland.

De Nederlandse kranten openden de eerste rampdagen op een wijze die ze nooit eerder hadden gedaan: grote koppen, veel foto’s (voor die tijd), en een maximum aan redactionele ruimte. Foto’s over zeven kolommen waren geen uitzondering. Er zijn echter verschillen te ontdekken in de berichtgeving van verschillende kranten tijdens de watersnoodramp. Kranten maken bij de verslaggeving van zulk een extreme ramp andere keuzes wat redactionele ruimte, fotogebruik, krantekoppen en journalistieke genres betreft. En klopt de cliché-uitspraak dat de journalist van de jaren vijftig zo mak als een lammetje was tegenover autoriteiten?

De eerste vijf rampedities van drie kranten worden naast elkaar gelegd: de katholieke Volkskrant van hoofdredacteur Lücker, de (net weer) populaire Telegraaf, toen pas drie jaar uit de as van WO II herrezen, en de grootste krant in het getroffen gebied, de Provinciaal Zeeuwse Courant (PZC). Alle drie worden ze getoetst op hun journalistieke keuzes tijdens de watersnoodramp van 1953. Hoe komt de populistische benadering van de Telegraaf, de katholieke benadering van de Volkskrant, en de regionale trekken van de PZC tot uiting? En, tenslotte, hoe reageren de drie op het collectieve falen van autorieteiten in die eerste cruciale rampdagen? Want het ging mis zoals het nog niet eerder fout is gegaan.

 

De middagvloed was op de middag voor de ramp al veel hoger dan normaal. Dit kwam voor Nederland niet als een verrassing: het KNMI hield de storm boven de Noordzee bezorgd in de gaten. "De depressie verwoestte eerst miljoenen bomen in Schotland, en begon toen een koers te volgen, die voor ons desastreus was," vertelde de toenmalige verantwoordelijke van het KNMI, K. Postma, in De Ramp: een reconstructie. "Toen de wind op de noordelijke Noordzee draaide naar het zuidwesten liep er een stormveld van duizend kilometer lengte, precies over het water, recht op onze kust af." Het KNMI waarschuwde via de radio voor ‘gevaarlijk hoog water’ en vaardigde een telegram uit, waarin de waterschappen gewaarschuwd worden. Helaas waren maar dertig van de vele tientallen waterschappen op dit telegram geabonneerd.

Die avond trok het water zich niet terug, zoals normaal bij eb het geval was. "Niet ebben, niet vloeien" is een vissersspreuk. Dit betekent dat als het water bij eb niet zakt, de vloed erna ook minder zal zijn. Voor deze nacht zou dit echter niet opgaan. Het water bleef tijdens die avond nog stijgen. Tegen twaalf uur stond het op veel plaatsen bijna aan de rand van de dijk, maar slechts enkele gemeenten sloegen alarm. De meeste dijkgraven en burgemeesters onderschatten het gevaar en gingen naar bed. Van een rampenplan en een dijkleger was geen sprake. En toen de autoriteiten het gevaar tenslotte inzagen overheerste de paniek.

Om drie uur in de ochtend braken de eerste dijken. Nog niet de hoge dijken aan de noord-westkusten van de eilanden, waar de golven tegenaan sloegen. Het waren de lagere, zwakkere dijken in het zuiden die de waterdruk niet langer aankonden. De ‘waakhoogte’ van deze wallen was soms wel anderhalve meter lager, omdat de golven daar niet zo hoog zouden kunnen oplopen – aldus redeneerde Rijkswaterstaat.

Terwijl de weinige dijkbewakers het buitenwater zagen zakken en dachten dat het ergste voorbij was, liepen achter hen de polders razendsnel onder. De slapende dorpjes en stadjes werden bestormd door een muur van water. In de chaos die ontstond verdronken honderden mensen in hun bedstee, tijdens pogingen om de dijken te versterken of weg te komen. Duizenden huizen stortten in onder het watergeweld, tienduizenden raakten zwaar beschadigd. Telefoon- en radioverbindindingen vielen weg omdat de electriciteit uitviel of omdat de leidingen wegspoelden. De storm woedde in alle hevigheid door, wat het spontane reddingswerk van dorpelingen bemoeilijkte. In het donker spelen zich vreselijke taferelen af. Een ooggetuige vertelt:

 

"In het donker ontwaarde ik in het kolkende water een stuk dak, waaraan een man met z’n vrouw en kinderen zich vastklampten. Ze riepen wanhopig om hulp. Een brandweercommandant en helper klommen op de bovenverdieping [van een schooltje, red.] en wierpen een touw naar ze uit. De man wist het te grijpen en liet zich naar de kant trekken. Maar door zijn plotselinge bewegingen begon het dak te kantelen. De vrouw en kinderen verloren hun houvast en verdwenen gillend in de golven, onder wrakhout. Ze kwamen niet meer boven."

Zondagochtend waren de grootste delen van Goeree – Overflakkee en Schouwen – Duiveland al ondergelopen. Het water daalde eventjes – het werd eb – en individuele reddingsacties kwamen nu op gang. Enkele vissers en dorpelingen trokken met bootjes het rampgebied in om drenkelingen te redden en op hogergelegen delen af te zetten. Grootscheepse reddingsacties waren nog niet aan de orde. Omdat de nationale radiozenders ’s nachts uit de lucht gingen, werd nationaal pas om acht uur in de ochtend alarm geslagen. Autoriteiten waren de eerste dag nog onwetend of reageerden lamgeslagen. Over de rampgebieden werden maar een paar verkenningsvluchten uitgevoerd – enerzijds vanwege de harde wind, anderzijds omdat er op zondag een vliegverbod gold. Hoewel enkele autoriteiten de rand van het rampgebied bezochten, was de volle omvang van de ramp na een dag nog steeds niet doorgedrongen. Terwijl de enige Nederlandse helikopter een reddingsvlucht niet aandurfde, bereikte een Belgische Sabena-helikopter Zeeland wel. Hij was de enige. En omdat het vliegen tegen de harde wind in alle brandstof had verbruikt, was reddingswerk onmogelijk geworden. Na de ochtend steeg het waterpeil opnieuw. Het water kwam die middag nog hoger dan het die nacht was geweest. Voor velen betekende die tweede vloed het einde. Veel huizen konden een tweede waterdruk niet meer aan en stortten in, de bewoners met zich meesleurend. Vaak tilde het water de daken gewoon van de muren, waarna degenen die zich op het dak bevonden losgleden en verdronken, of aan een drijvende tocht over de watermassa begonnen. Toen het tegen vijf uur donker werd, gingen duizenden mensen op daken, zolders, of dijken zonder hulp een tweede rampnacht in. Op maandag 2 februari komt de hulpverlening eindelijk op gang. Op de eilanden waren het nog steeds vissers die reddingsacties ondernamen: zo schoot een vloot Urker vissers Schouwen – Duiveland te hulp. Die middag cirkelde het eerste verkenningsvliegtuig daar ook rond, en werden de eerste goederen en boten gedropt. Aan de rand van het rampgebied werd er al op lokaal initaitief geëvacueerd – in totaal zouden er de eerste week na de ramp 20 duizend mensen hun woonplaats moeten verlaten. De eerste Geallieerde troepen kwamen die avond aan in West-Nederland. Zelfs op maandagavond werd de noodtoestand nog onderschat: er werd melding gemaakt van vijfhonderd slachtoffers, met het vermoeden dat het aantal nog met ‘enkele honderden’ zou kunnen oplopen. Vooral op Schouwen – Duiveland en Goeree – Overflakkee wachtten die dag nog vele slachtoffers tevergeefs op hulp, terwijl de vijfde vloed zich alweer aandiende. En De Bilt verwachtte sneeuwbuien met lichte vorst.

Op dinsdag 3 februari keerde het tij: met honderden boten kwamen hulpverleners de getroffen gebieden binnen. Particuliere initiatieven en reddingsacties werden overgedragen aan de autoriteiten – lokale bestuurders die tot bezinning waren geworden, overheidsfunctionerissen of militairen. Twee tegengestelde bewegingen kwamen op gang: de evacuatie van tienduizenden inwoners naar veilig gebied, en de toestroom van duizenden helpers richting het rampgebied. De coördinatie van de reddingsoperatie liet te wensen over. Er ontstond vaak frictie tussen lokale bestuurders, militairen en de particuliere redders die de operaties de eerste twee dagen hadden geleid. De grote toestroom van welwillende vrijwilligers zorgt voor een enorme bestuurlijke chaos. Toch was de echte ramp dinsdagavond wel voorbij. De storm was uitgewoed, de wind matig tot zwak en het water kalm. Her en der zaten nog mensen geïsoleerd, maar er vielen geen dodelijke slachtoffers meer. Binnen enkele dagen was de evacuatie voltooid, en kon begonnen worden met het opmaken van de schade en het herstel van de dijken.

De economische schade is geschat op ruim anderhalf miljard gulden. Dat was toendertijd 8 procent van het nationale inkomen. Het verlies aan mensenlevens, huizen en landbouwgrond telt echter vele malen meer: in totaal verloren 1825 mensen het leven – waarvan eenderde een leeftijd had van onder de twintig jaar. Er stierven 200 duizend stuks vee. 133 Duizend hectare land liep volledig onder water, en nog eens 100 duizend hectare werd ernstig door het water aangetast. Er werden 4500 huizen en gebouwen verwoest, en veertigduizend beschadigd. De 20 duizend evacuees in de eerste week werden gevolgd door nog eens 80 duizend in de weken daarop.

De stormvloed werd in de eerste weken gevolgd door een tweede vloed, maar dan van geld en hulpgoederen. De Nederlandse bevolking doneerde zoveel, dat men bang was dat het onttrekken van zoveel geld aan andere uitgaven de Nederlandse economie zou verstoren. Ook uit het buitenland stroomden gulle gaven binnen – het bleek veel te veel te zijn: na twee weken raamde het Rode Kruis dat er voor 8 miljoen mensen aan kleren was verzameld, terwijl er in het hele rampgebied slechts 600 duizend mensen woonden.

In de nacht van 6 op 7 november 1953 werd het laatste van de ruim honderd stroomgaten die waren ontstaan bij Ouwerkerk gedicht. De Ramp zorgde voor veel veranderingen in het landschap van Zeeland, zo verdween het paard vrijwel van de velden (verdronken) en werd vervangen door de tractor. De emotionele schade die honderdduizenden mensen tot op de dag van vandaag met zich meedragen, is echter een van de grootste gevolgen van de watersnood. De eerste februari is nog steeds een dag van rouw in Zeeland.

De dijken zijn gedicht en het Zeeuwse land is nu weer vruchtbaar. Doch er blijven littekens, en één daarvan is het feit dat er nooit een kritisch onderzoek is geweest naar het ernstig falen van autoriteiten. Er zijn nooit serieus kamervragen gesteld, en – erger nog - het lijkt wel alsof er geen journalist was die zich daarover verbaasde! Was Nederland gek geworden?

Voor een kritische benadering van de watersnoodramp zitten we niet in de goede tijd. De jaren vijftig is één van de decennia uit de vorige eeuw waar de journalist het minste trots op is. De Nederlandse pers zou slaafs en kritiekloos zijn: "Tot het einde van de jaren vijftig is de Nederlandse pers in veel hoger mate aandeelhouder in de gevestigde politieke belangen van de Nederlandse orde geweest dan in overeenstemming was met de onafhankelijkheid die ze zichzelf toeschreef," noteerde journalistiek coryfee Henk Hofland al in 1957. Collega’s uit de journalistiek en wetenschappelijke wereld volgden hem in de jaren daarna; de journalist uit de jaren vijftig werd verweten ‘als knipmessen te buigen voor autoriteiten’, te lijden aan ‘tekort aan zelfstandigheid’ en ‘instrument te zijn van de heersende elite’.

En niet helemaal onterecht. Een aantal gevallen in deze periode onderschrijft dat journalistieke kritiek vaak ver te zoeken was – het belang van het volk en van de staat stond voorop, zelfcensuur was het gevolg. In de praktijk betekende dit vaak dat verslaggevers autoriteiten met (te)veel respect en vertrouwen benaderden.

De Greet Hofmans – affaire is hier een goed voorbeeld van: hoofdredacteuren van verschillende grote Nederlandse dagbladen spraken toen af terughoudend over de invloeden van de gebedsgenezeres op koningin Juliana te schrijven, om zo "het nog uit vele van zijn wonden bloedende land door een absurde koningskwestie in gevaar moest worden gebracht". Kort daarvoor had de ‘affaire – Schokking’, over de collaboratie van de Haagse burgemeester, ook al voor veel beroering gezorgd: "Zo mocht men een man niet belasteren!" En al in 1949 was een ‘gentlemen’s agreement’ ondertekend, waarin werd afgesproken dat over de vakanties van de koningin niet langer bericht zou worden.

Toch is het veel te eenvoudig om de bovenstaande cliché’s te laten gelden voor de gehele jaren vijftig. Wel kan worden vastgesteld dat het journalistieke klimaat hevig in beroering was. De pers was na de oorlog duidelijk op zoek naar een nieuwe vorm. Wat was de precieze functie van de journalist, en hoe moest hij zich richten tot de overheid? Paul Koedijk stelt in zijn artikel ‘Vrijheid in verantwoordelijkheid’ dat het functioneren van de pers gedeeltelijk werd bepaald door externe oorzaken, zoals de enorm toegenomen betekenis van de overheid en de noodzaak tot een politieke consensus over belangrijke maatschappelijke thema’s. Ook de overheid zelf was in beweging: de breuk in de rooms-rode coalitie en de val van het laatste kabinet - Drees was het uiteindelijke resultaat van. Veel oude politieke zekerheden kwamen op losse schroeven te staan, en vanzelfsprekende uitgangspunten hielden op te bestaan. Een voorbeeld hiervan is de opkomst van de ‘Derde Wereld’ in de tweede helft van de jaren vijftig. Het eenvoudige sprookje van goed-kwaad bleek een stuk complexer te zijn. Ook zochten veel politieke partijen (en kranten) naar standpunten in belangrijke politieke thema’s – zoals kernbewapening.

Een ander thema is de opkomst van de overheidsdrang tot regulering van de pers. Ze werd meer en meer gezien als een massamedium, een middel tot communicatie naar de burger toe, dat volgens strakke regels bespeeld diende te worden. De scheiding tussen nieuws en propaganda was in de oorlog verdwenen, en de nieuwe grenzen waren nog vaag. Daarbij had de staat behoefte aan een consensus in deze periode van opbouw en grote economische- en sociale projecten. Er zijn verschillende pogingen gedaan om de pers in te dammen, de aanstelling van persvoorlichters is hier een voorbeeld van. Een ander voorbeeld is de pogingen tot invoering van een tuchtrecht of een Wet op de journalistieke verantwoordelijkheid. Het voorstel werd in 1949 gelanceerd en gedurende het hele volgende cennium besproken. Pas in 1960 verdween het van tafel.

Maar het rommelde niet alleen in de politieke wereld. Ook in de journalistieke wereld zelf kwamen grote veranderingen aan het licht. De grootste beroering wekte wel de intrede van het medium televisie. Dit zorgde voor grote onzekerheid bij de schrijvende pers, die zich op de eigen positie moest herbezinnen. Zowel op het commerciële als op het journalistieke vlak hadden kranten veel van de televisie te duchten. Overheidsvoorlichters sloten het jonge medium in de armen, terwijl de schrijvende media knarsetandend toekeken: hun speelruimte werd ingeperkt. Dieptepunt was de verloving van prinses Margriet in 1965. ‘Journalisten die met de pen werken werden naar de radio- en televisie-uitzendingen verwezen. "Wat had u dan nog meer willen vragen?" vroeg de voorlichtingsfunctionaris’ rapporteerde het Algemeen Handelsblad verontwaardigd.

Toch waren er ook positieve effecten op journalistiek terrein. De opkomst van de tv dwong kranten met een kritische blik naar zichzelf en de eigen functie te kijken: de schrijvende pers werd door de toegenomen concurrentie gedwongen tot herbeschouwing en verdieping. De grootste bedreiging kwam echter op commercieel terrein: de STER was een belangrijke nieuwe speler op de advertentiemarkt.

Bovenstaande nuances tonen aan dat het cliché van een immer volgzame pers wat eenzijdig is. Koedijk stelt dat er buiten het Koninklijk Huis bovendien geen sprake was van vaststaand geaccepteerde omstandigheden, waarbij speciale ‘erecodes’ golden. Ook moet bij de bepaling van de onafhankelijkheid van een krant een onderscheid gemaakt worden tussen het hoofdredactionele (vaak door partijleiders geschreven) commentaar en de ontwikkeling naar een vrijere nieuwsgaring.

De belangrijkste journalistieke ontwikkeling uit de jaren vijftig is de inhoudelijke aanpassing van de pers, en de zoektocht naar een nieuwe relatie met de overheid. Toch is de journalist niet vrij van kritiek – dat was hij in het betreffende tijdvak ook al niet. Ook tijdens de watersnoodramp 1953 viel de kritiekloze houding van de meeste verslaggevers op. De rampverslaggeving is een goed voorbeeld van het begin van de periode, toen de veranderingen nog op stapel stonden. Tekenend is het verhaal van de Elsevier-journalist Looman, die de enige is die in 1952 luistert naar verontrustende geluiden van de kant van Rijkswaterstaat. Hij schrijft een reportage, waarin wordt gesteld dat ‘een nieuwe Sint Elisabethsvloed mogelijk is. Onze dijken tellen zoveel kwetsbare en gevaarlijke plaatsen dat een zeer zware sormvloed er grote bressen in zal slaan. (…) Het kan gebeuren. Morgen zelfs.’ Het artikel wordt echter niet door Elsevier geplaatst, omdat het blad de burger, die net is bekomen van de oorlog, niet wil verontrusten.

Tijdens de ramp is het overheidsfalen overduidelijk, doch kritische noten zijn schaars. Verslaggevers die in het rampgebied aankomen interviewen de plaatselijke autoriteiten (burgemeesters, dijkgraven) en publiceren hun ‘heldenverhalen’ klakkeloos. Zeeland werd volgens journalist Kees Slager afgeschilderd als "een land van leed en kerels". Over schuld wordt nauwelijks nagedacht, het officiële rampverslag van de regering wordt zonder morren geaccepteerd en hier en daar wordt zelfs openlijk tegen kritische vragenstellers geprotesteerd. Een hoofdredactioneel commentaar in de Provinciaal Zeeuwse Courant op 26 februari: "Waar zovelen in de dagen zichzelf wegcijferden en alles gaven voor anderen, zwijgt de kritiek. (…) Terecht."

Een interview met Herman Besselaar, journalist van het Algemeen handelsblad en tijdens de ramp als journalist aanwezig in het rampgebied, illustreert de houding van de pers. Besselaar citeert vrijwel alleen autoriteiten: burgemeesters, militaire commandanten of dijkgraven. Burgers komen er niet aan te pas: ‘die spraken niet veel, treurnis snoerde hen de mond.’ Over de burgemeester van Boeijeschrijft hij echter: ‘Een sterke figuur. Door zijn duidelijke woorden is Nederland wakker geschud.’ Voor het gebrek aan kritische toon heeft hij een verklaring: ‘Ik verloor nooit uit het oog dat ik converseerde met de eerste burger. En deze mensen deden hun best. Vergissingen maken we allemaal wel eens, end at komt ook niet meteen in de krant. Vroeger was men nog fatsoenlijk.’

Met dit gebrek aan kritisch vermogen heeft de journalistiek bijgedragen tot de mythische verhalen rond de ramp, en is ze in grote mate verantwoordelijk voor het feit dat vele ernstig falende autorieteiten gewoon op hun plaats konden blijven zitten. En, sterker nog: geprezen werden om hun ‘heldenmoed’.

De benadering van de ramp door verschillende dagbladen is erg afhankelijk van de positie van de krant tijdens de jaren vijftig. Ook de kritiek op de overheid hangt hiermee samen. Iedere krant bekijkt de ramp vanuit zijn eigen perspectief: de Volkskrant vanuit het katholieke, de Telegraaf vanuit het populaire, de PZC vanuit het Zeeuwse.

 

De Volkskrant was in ieder geval erg tevreden over haar verrichtingen tijdens de watersnood: "Zeer veel inspanning en inzicht werden gevraagd bij het behandelen van de stormramp in februari," vermeldt de krant in haar jaarverslag van 1953. "We kunnen met trots verklaren dat onze krant in de voorste rijen stond van de bladen welke deze natuurramp (…) op waardige wijze hebben behandeld. (…) van de journalisten werd alles gevraagd wat ze maar konden geven." De Volkskrant had al op zondagmorgen vanuit een vliegtuig het rampgebied verkend.

Dit was geheel in de geest van de toenmalig hoofdredacteur Lücker (afkomstig van De Telegraaf). Onder zijn leiding liet de krant de journalistieke benadering vaak gelden boven de traditionele katholieke beginselen die de rest van de roomse pers aanhing. De Volkskrant was katholiek in haar keuze van onderwerpen en medewerkers en in de aandacht die de krant had voor de katholieke vakbeweging KAB en KVP. De toon was echter vele malen lichter dan die van De Tijd. Lücker spiegelde zijn krant graag aan Engelse kranten als de Daily Telegraph. De angelsaksische pers had tempo, helderheid, overzicht en stijl. Hij wilde zijn krant dit graag bijbrengen.

Dit werd hem van katholieke zijde niet altijd in dank afgenomen. De krant kreeg de bijnaam ‘De katholieke Telegraaf’ niet voor niets: er zijn enkele opvallende overeenkomsten tussen beide kranten te ontdekken. De katholieke telegraaf lijkt op de echte wat het gebruik van koppen – kort en helder in plaats van hele zinnen en afkortingen – en de variatie aan artikelen. Met name de grote aandacht voor sport is opvallend. Met deze twee kenmerken houdt de vergelijking echter op.

In de eerste jaren na de oorlog is De Volkskrant de grootste stijger onder de dagbladen. In 1948 had ze een oplage van honderdzeventigduizend exemplaren. Dit kwam om te beginnen omdat ze het enige ochtendblad was met een landelijke dekking (De Telegraaf verscheen pas in 1949). Een andere factor was de steun van de katholieke vakbeweging. Een groot gedeelte van de lezers behoorde tot de middenstand: technici, onderwijzers en leraren. De krant drong vrijwel niet door op het platteland. Het succes van de krant hing samen met de veranderingen die zich in het katholieke deel van de bevolking voltrokken. Georganiseerde arbeiders en stedelijke middengroepen voelden zich niet meer thuis bij de katholieke elite, die voornamelijk benaderd werden door De Tijd en De Maasbode. Statistieken wijzen uit dat katholieken veel vaker voor een katholiek blad kiezen, dan leden van andere kerkgenootschappen voor een blad van eigen richting.

De Volkskrant is in de eerste jaren na de oorlog dus een goed voorbeeld van een richtingkrant – ‘een krant die zich openlijk bekend hebben tot een politiek of levensbeschouwelijk beginsel’. In dit geval was dat beide; van 1945 tot 1953 werd de stoel van de (staatkundig) hoofdredacteur ingenomen door C.P.M. Romme, die tevens katholiek fractieleider was in de Tweede Kamer. De redactie zag zich hierdoor beperkt in de publicatie van o.a. vergaard nieuws over kabinetsformaties. Romme gaf de krant wel prestige en politiek gewicht mee. Toen hij eind 1952 vertrok behield de krant zijn gunst en invloed. De onderkop van de krant, ‘Katholiek dagblad voor Nederland’, werd in het eerste deel van de jaren vijftig dus nog goed nageleefd.

 

Dagblad De Telegraaf had helemaal geen onderkop, en dat was maar goed ook. Hoefde er tenminste weinig te worden nageleefd. In 1953 bestond de krant zestig jaar, maar was het dagblad eigenlijk bezig aan een tweede leven. Het eerste was tijdens de oorlog een roemloze dood gestroven, nadat de redactie tevergeefs had geprobeerd de krant is stand te houden – ten koste van de eigen intergriteit. Na de bevrijding in 1945 kreeg ze een verschijningsverbod. Een oude roep weerklinkt echter al vier jaar later: De Telegraaf! Op 12 september 1949 rolde het eerste na-oorlogse exemplaar van de pers. In een intro van vijf kolommen stelt de redactie orde op zaken: "Weer stellen wij ons tot taak een krant te bieden, die godsdienstige belijdenissen en partijen eerbiedigend maar aan gene gebonden, het nieuws brengt, onafhankelijk van belangen en met als kenmerk: betrouwbaarheid." De Telegraaf was (en is) een krant die door een breed lezerspubliek wordt gelezen. Ter illustratie volgt hier een overzicht van de genoten opleiding van het Telegraaf-publiek in 1955*.

 

Lager onderwijs: 23 procent

ULO / Vakonderwijs: 35 procent

Middelbaar onderwijs: 15 procent

Universiteit: 10 procent

(Geen gezinshoofd: 17 procent)

 

Dat de krant zich niet bond aan godsdienstige belijdenisssen en partijen wilde niet zeggen dat ze volledig neutraal was. De Telegraaf kon in de jaren vijftig op grond van de inhoud van zijn commentaren rechts-conservatief worden genoemd. De selectie en presentatie van binnenlands-politiek nieuws werd hierdoor bepaald. Journalist Theo van Stegeren karakteriseert de krant in Intermediair verder als "krant met de minste consistentie en de meeste menselijke trekjes" . De meningen van de krant kunnen met de dag veranderen.

Officieel zijn er geen yellow papers in ons land, maar de Telegraaf schurkt zich toch tegen hetzelfde principe aan, al is ze kwalitatief onvergelijkbaar met de grote roddelkranten. De Telegraaf was zich altijd al goed bewust van de wensen van de lezers, en bracht een zeer gevarieerd aanbod van nieuws, in simpele taal gesteld. Iedereen moest de krant immers kunnen lezen. Niet iedereen deed dat ook grif: de eerste naoorlogse oplagecijfers vielen tegen. Twee jaar later moest de krant, die in 1927 nog de grens van honderdduizend lezers overschreed, door geldschieters van de ondergang worden gered. Vanaf 1952 veranderde de krant van hoofdredacteur en keerde het tij. Acht jaar later had de krant dubbel zoveel lezers als in 1927, en in 1966 is de Telegraaf de grootste krant van Nederland.

De sleutel van het succes werd toendertijd verwoord in de ‘Demokrant’: "De inhoud is verfoeilijk, maar de weergave is van perfecte journalistieke vaardigheid". De krant was layouttechnisch opgezet naar het voorbeeld van de yellow papers: grote, heldere koppen en veel foto’s. In Nederland – met een abonneesysteem – lag dit minder voor de hand, aangezien het niet nodig was iedere dag opnieuw lezers te prikkelen. Toch sloeg de formule aan. De krant speelde in op de behoefte naar persoonlijk en emotioneel nieuws. We zullen zien dat dit duidelijk terug te vinden is in de watersnood-edities. Begin 1953 is de krant net in rustiger vaarwater terecht gekomen. Ze stortte zich dan ook adequaat op de watersnoodramp.

Het ‘vaarwater’ van de Provinciaal Zeeuwse Courant (PZC) was echter lang niet zo rustig: in de eerste rampnacht van de watersnood werd de redactie van het dagblad – net als heel Vlissingen – overvallen door het wassende water (zie foto’s). Er stond ongeveer anderhalve meter water in het bedrijf. Zetmachines, gietapparaten, letterbakken en de rotatiepers waren onbuikbaar geworden. De grote schoonmaak kostte vijf weken en duizenden guldens. Dit weerhield de krant er echter niet van uit te komen. Met de hulp van het Zeeuws dagblad te Goes werd een noodeditie gedrukt. Ook de rampdagen daarna bleef de krant gewoon verschijnen met het laatste nieuws, geholpen door het Rotterdamsch Nieuwsblad..

De PZC is al tientallen jaren de grootse regionale krant van Zeeland. Het dagblad kan volgens het eigen redactiestatuur beschouwd worden als onafhankelijk:

 

"Het redactionele beleid gaat ervan uit dat in Nederland de parlementaire democratie onverkort dient te functioneren. Op basis van dit uitgangspunt wordt een onafhankelijk, niet partijgebonden standpunt ingenomen. In het bijzonder bij eigen nieuwsgaring en verslaggeving wordt rekening gehouden met het bestaan van verschillende levensbeschouwelijke, politieke en culturele opvattingen en stromingen."

 

Het onafhankelijke beleid kwam in de loop van jaren meermalen onder druk te staan, omdat de PZC veel andere regionale kranten (waaronder de Middelburgse Courant en de Vlissingse Courant) die wel ‘gekleurd’ waren, in zich opnam. In de vele onderhandelingen is de redactie strak achter dit grondbeginsel blijven staan.

Specifiek aan het lezerspubliek van de PZC is niet de godsdienst, politieke achtergrond of opleidingsniveau, maar het verspreidingsgebied: de krant schrijft specifiek voor Zeeuwen. De stijl van de krant is in vergelijking met de twee behandelde landelijke dagbladen strak en formeel. Zelfs als de eigen provincie getroffen wordt door de grootste ramp in de geschiedenis wijzigt de PZC deze stugge stijl niet. En met succes: de krant overleefde de watersnood glansrijk en is nu nog steeds de grootste krant van Zeeland met een oplage van zestigduizend exemplaren.

 

‘Admiration mutuelle is geen kenmerk van de Nederlandse journalistiek,’ begint De Journalist in maart 1953. ‘Voor eenmaal maken wij een uitzondering: we spreken onze waardering uit voor de collega’s in de rampgebieden van Zeeland, Zuidholland en Brabant, die vorige maand onder de moeilijkste omstandigheden een krant hebben gemaakt.’ Het blad vervolgt met een korte analyse van de kranten tijdens de watersnood. De hele week kregen lezers dikkere kranten, grotere koppen en meer foto’s dan normaal. Men las het nieuws onder koppen die varieerden van drie kolom zestig punten (Handelsblad) tot zeven kolom 120 punten biljetletter in het Vrije Volk van maandag 2 februari. Bijna elke krant bracht meer dan één fotopagina uit in die eerste week. Overzichtskaarten besloegen soms een hele pagina (De Telegraaf).

‘De verhalen over de ramp drongen al het andere nieuws uit de kranten. De schaatswedstrijden werden op 2 februari nog vrij uitvoerig gemeld, maar behoudens een enkele uitzondering was dit het enige niet-rampnieuws in de bladen van die eerste februari-week.(…) Strips, feuilletons en variarubrieken verschenen over het algemeen in de tweede week weer in de bladen.’ Het is zeer waarschijnlijk dat de Journalist dit artikel met een natte vinger heeft geschreven – anders heeft de auteur de Volkskrant en De Telegraaf in ieder geval niet gelezen. Uit de drie onderzochte bladen blijkt bovenstaande namelijk helemaal niet. Inderdaad wordt het Europees kampioenschap schaatsen uitvoerig gemeld. Maar er is gedurende de rest van de week nog genoeg ander nieuws dat de kolommen weet te halen.

De beide landelijke dagbladen konden het zich veroorloven om groots en spectaculair uit te pakken, die eerste maandagochtend. De PZC niet, aangezien er anderhalve meter water in de redactie stond. Ze komt de eerste week uit in edities van vier of vijf pagina’s, terwijl de Volkskrant en Telegraaf uitkomen in dubbele aantallen: De Volkskrant begint met tien en zakt dan naar acht pagina’s, de Telegraaf begint met twaalf, om eveneens te eindigen op acht pagina’s per dag. In de drie kranten stonden in totaal de eerste vijf dagen ruim vijfhondervijftig (!) berichten over de ramp, vergezeld van 135 foto’s.

Hier rechtsboven staat het percentage rampnieuws per dag afgebeeld. Dit is een percentage van het totaal aantal kolommen in de krant – en niet van de redactionele ruimte (de gegevens daarover volgen nog). Het lijkt duidelijker dan het is: de Telegraaf besteedt ‘slechts’ 43 procent van haar kolommen aan de watersnood, terwijl de PZC de hele week het meeste rampnieuws heeft. Dat lijkt tegengesteld aan de natuur van de populaire krant. De situatie is echter door en aantal factoren vertekend.

Allereerst heeft de PZC zoals gezegd slechts vier pagina’s. Het is eenvoudiger om die vol rampnieuws te zetten. Doch het belangrijkste argument ligt bij de Telegraaf zelf. De krant komt die maandagochtend uit met maar liefst twaalf pagina’s. Dit grote aantal zorgt ervoor dat het percentage rampnieuws wordt vertekend. Zoals eerder gezegd heeft de Telegraaf een brede keur aan onderwerpen en een grote voorkeur voor sport. De krant heeft er dan ook voor gekozen om die eerste maandag veel ander nieuws te brengen. Zo beslaat de sport van dat weekend twee pagina’s en het overige nieuws ook een pagina. Toch beslaat het rampnieuws zeven pagina’s – dat is in absolute aantallen meer dan de Volkskrant en PZC. De Telegraaf levert dus niet minder rampnieuws, maar is die dag gewoon een completere krant. Als de krant in de dagen daarop hetzelfde aantal pagina’s gaat uitgeven als de Volkskrant vallen de statistieken mee. Toch is het een opmerkelijke keuze van het dagblad om met zoveel ‘ander’ nieuws uit te komen.

De hoge aandacht voor de ramp van de PZC komt waarschijnlijk niet alleen door het lage aantal pagina’s (De advertenties blijven een behoorlijk gedeelte innemen, dus aan papiertekort lag het niet). Het is niet meer dan logisch voor een regionale krant, als er in de provincie een ramp gebeurt. De statistieken van de kolommenverhouding van de PZC wijzen uit dat de aandacht voor ander nieuws constant erg laag is – de krant beperkt zich door enkele berichtjes in de marge.

Tenslotte is het opvallend hoe gelijk de percentages van alle kranten blijven als de week vordert. Op de eerste dag van de Telegraaf na blijven de verhoudingen exact hetzelfde. De strips en feuilletons, waar De Journalist het over had, blijven in de eerste rampweek gewoon in de kolommen van de landelijke dagbladen verschijnen. De grote kranten hadden waarschijnlijk ruimte genoeg – of de ramp was naar verhouding nog niet groot genoeg.

Het precentage aan rampnieuws is nu in kaart gebracht. Het is nu interessant om te bekijken hoe deze ruimte precies wordt ingevuld. Elk bericht is getaxeerd in in één van de onderstaande categorieën ondergebracht:

 

Het is meteen duidelijk dat genres als het achtergrond-verhaal of interview, genres die toch niet geschuwd worden in de krant, nauwelijks worden beoefend. De ramp doet de variatie aan berichtgeving dus geen eer aan. De reportage is erg in trek, maar de meeste gepubliceerde ‘artikelen’ zijn nieuwsberichten en losse foto’s (die vergezeld zijn van een kort bijschrift). Alleen de PZC heeft in verhouding meer reportages. De Telegraaf is het meest veelzijdig in de rampberichtgeving: de drie minst beoefende genres worden het meest door de Telegraaf gebracht. Deze krant brengt ook duidelijk het minste harde nieuws.

Zoals gezegd is het beeld van de journalist tijdens de rampdagen niet bepaald rooskleurig. Hij zou zijn hoed teveel afnemen voor de autoriteit, en burgers te weinig aan het woord laten. Dit heeft inderdaad zijn weerslag gehad op de berichtgeving in de dagbladen. Elk van de ruim vijfhonderd artikelen is onderzocht op bronnen. Deze zijn in drie categorieën verdeeld. De eerste categorie is ‘de autoriteit’: burgemeesters, deskundigen van rijkswaterstaat, ministers, de koningin of prins, of militaire commandanten. De tweede categorie bestaat uit de mensen die hulp bieden: dijkwerkers, piloten, vissers, of studenten. De laatste wordt gevormd door de slachtoffers: mensen in nood.

Daarbij is de definitie van ‘bron’ gesteld als ‘iemand die geciteerd of op andere wijze nadrukkelijk wordt genoemd’. In de kranten van 1953 wordt immers weinig geciteerd en veel ‘beschreven’. Een deel van de artikelen bestond puur uit een beschrijving van de toestand van dijken, dorpen en steden. Deze berichten zijn buiten beschouwing gelaten als de bron daarvan onduidelijk was.

De grootste aandacht van de verslaggever ging inderdaad op overtuigende wijze naar de autoriteit. Maar liefst de helft van de bronnen bestaat uit bovengenoemde personen. De Volkskrant spant de kroon met dik vierenvijftig procent, de Telegraaf zit echter bijna tien procent lager. De aandacht voor hulp is bij alle drie opvallend gelijk: rond de zesentwintig procent.

Het verschil zit hem in de benadering van de slachtoffers. Er is duidelijk te zien dat de Telegraaf een stuk hoger (bijna tien procent) scoort dan de collega’s. Dit verschil gaat ten koste van de ‘autoritaire’ bronnen. We kunnen dus zeggen dat de Telegraaf meer aandacht heeft voor slachtoffers en minder voor de autoriteiten. Daar moet bij vermeld worden dat de manier waarop de krant de slachtoffers in beeld brengt ook veel sensationeler is dan bij de Volkskrant en PZC. Deze kranten houden zich in, en geven een bescheiden beschrijving van de verhalen van slachtoffers. Interviews met geredde Zeeuwen komen bij hen nauwelijks voor, terwijl de Telegraaf deze juist vaker brengt.

En vaak met grote foto’s. Het fotogebruik van kranten tijdens de watersnood was baanbrekend: vrijwel nooit eerder werden er zulke hoge percentages aan foto’s gepubliceerd. De PZC doet het – waarschijnlijk door problemen – rustig aan. In de eerste vijf rampedities worden ‘slechts’ twaalf foto’s gepubliceerd. En ze zijn in vergelijking met de andere kranten nog klein ook: gemiddeld 0,53 kolom. De Telegraaf spant ook hier weer de kroon met vijfenzestig foto’s - een percentage van ruim zesendertig. De Volkskrant blijft in de buurt (58 foto’s - zevenentwintig procent), maar de valt iets terug wat de grootte van de foto’s betreft (0,9 kolom voor de Telegraaf tegen 0,7 kolom voor de VK).

Aangezien net bewezen is dat er tijdens de eerste rampdagen een groot deel van het rampnieuws bestaat uit foto’s, is het zeer interessant om te kijken welke keuzes er zijn gemaakt bij de onderwerpen van de foto’s. Wat staat er precies op die honderdvijfendertig foto’s afgebeeld? Er zijn voor foto’s en afbeeldingen vijf verschillende categorieën onderscheiden:

 

De statistieken tonen duidelijk aan dat de drie kranten ieder een verschillende journalistieke keuze hebben gemaakt in de onderwerpen. De Volkskrant heeft het accent duidelijk gelegd op ‘de helpende hand’. Eén derde van haar foto’s toont hulpvaardige burgers en heldhaftige militairen. Ook de aandacht voor ‘toestand’ (overviews) is groot – er siert dagelijks een enorme foto van die categorie de voorpagina. Ze doet haar serieuze karakter tenslotte eer aan door de plaatsing van veel overzichtskaartjes. (De VK wordt wat dat betreft verslagen door de Telegraaf, maar die krant heeft slechts één kaartje meer, en veel meer foto’s.)

Twee derde van de foto’s die de PZC plaatst zijn luchtfoto’s van de belabberde toestand van het gebied. Opvallend is het gebrek aan foto’s van het Koninklijk Huis. Waarschijnlijk komt dit door de problemen waarin de krant verkeerde.

De Telegraaf legt het accent – hoe kan het ook anders – bij de slachtoffers. Het beeld sluit wat dat betreft aan bij de bovenstaande onderzoeken naar brongebruik in de artikelen en foto’s. Opvallend is ook dat de verbeelding van ‘slachtoffers’ bij de Telegraaf anders gebeurt dan bij de andere twee kranten. Waar de VK en PZC slachtoffers nauwelijks herkenbaar, van veraf fotograferen, brengt de Telegraaf ze zeer persoonlijk en groot in beeld. De krant plaatst ook slachtofferfoto’s groot op de voorpagina, terwijl de andere kranten ze over het algemeen pas op de derde of vierde pagina’s zetten. De foto rechts ‘sierde’ de voorpagina van de Telegraaf op de vijfde februari. Hij toont twee huilende slachtoffers en voert als bijschrift ‘Twee uit duizenden…’.

Een laatste – in de statistieken onzichtbaar – verschil is het verschil tussen de Volkskrant en de Telegraaf in de afbeelding van het Koninklijk Huis. Omdat onder het ‘koningshuis’ kopje ook andere bekende Nederlanders worden opgenomen, is niet duidelijk dat de Volkskrant veel minder koninklijke familieleden op de plaat heeft staan. Bij deze krant ligt het accent op ministers en generaals, terwijl de Telegraaf de voorkeur geeft aan troostende Oranjes. De Volkskrant plaatst de koninklijke foto’s ook minder groot en verder naar achteren, terwijl de Telegraaf ze groter op de voorpagina plaatst.

Een laatste punt van belang is de grootte van de koppen. Dat kranten grotere koppen dan normaal gebruikten, daar had De Journalist in elk geval gelijk in. Doch hoe lagen de verhoudingen precies? Weer zijn er enkele categorieën te onderscheiden. Aangezien het aantal kolommen per pagina per krant verschilt, is er weer met percentages gewerkt. Lager dan veertig procent wordt niet gegaan, aangezien dat koppen van twee kolommen zijn. En die zijn niet exceptioneel.

De uitslag is opvallend. Natuurlijk scoort de PZC laag, maar daar moet bij worden opgemerkt dat de krant simpelweg veel minder krantekoppen had (en aangezien de aantallen absoluut zijn gesteld is dat terug te zien in de tabel). De Zeeuwse krant opent wel vier van de vijf dagen met een kop in de derde categorie.

Interessanter is echter dat de Volkskrant de Telegraaf naar de kroon steekt in kopgrootte. De katholieke krant heeft bijna twee maal zoveel koppen in de eerste categorie (!), een gelijk aantal in de tweede, en slechts één kop minder over de gehele breedte van de krant. Een onverwachte uitslag, aangezien de Telegraaf de krant met de meeste zucht naar sensatie behoort te zijn. Hoewel de dikte van de koppen niet is meegerekend, is dit een opvallend verschil, dat waarschijnlijk zijn oorsprong vindt in het opmaaksysteem van de beide kranten. Het grootste deel van de VK-koppen in de eerste categorie staat namelijk linksboven, en beslaat drie kolommen. De Telegraaf heeft daar een voor die krant gebruikelijke opening over twee kolommen.

Daarbij is zoals gezegd de dikte van de koppen niet meegerekend. Toch is dat een belangrijk verschil, want hoewel de Telegraaf-koppen misschien minder kolommen breed zijn trekken ze wel meer de aandacht. Een voorbeeld is de opening van de eerste rampdag (zie afbeelding). Alle drie openen de kranten met een kop over honderd procent breedte, maar die van de Telegraaf spring veel meer in het oog.

Tenslotte is de inhoud van de koppen nog een punt van aandacht. Hoewel hier geen statistische gegevens van zijn is te concluderen dat de koppen van de PZC en de Volkskrant weinig voor elkander onderdoen. De PZC is iets formeler, maar heeft het in de onderkoppen van de eerste ochtend ook over ‘opgeslokt door het woedende water’ terwijl de Volkskrant droogjes meldt: ‘138 doden gemeld; kust en vele dijken doorgebroken’. De Telegraaf daarentegen opent met ‘grootste natuurramp sinds eeuwen’ en ‘onmetelijke schade’.

Tenslotte is het kritische vermogen van de kranten een interessant aspect. Zelfs als ‘de mate van kritiek’ an sich meetbaar zou zijn, dan zou er nog weinig te meten zijn in deze drie kranten. Stuiten we wederom op het bekende cliché? Welnu, er wordt misschien niet meteen geschreeuwd om het aftreden van Drees, doch ‘gebogen als een knipmes’, wordt er ook zeker niet. Toegegeven, de eerste editie wordt al direct over de ‘oorzaken’ van de ramp gesproken, maar na het gebruikelijke verhaal over wind en water blijft het echter stil.

Er zijn echter twee heldere lichtpuntjes in de duisternis. De eerste is een commentaar van de Volkskrant van 3 februari (‘Ten geleide’) ter grootte van één kolom, de tweede een commentaar van Lunshof in de Telegraaf van de vierde februari, ter grootte van viereneenhalve kolom (!). In het Volkskrant-commentaar wordt ernstig ingegaan op de totale chaos die er heerste. "Nederland was te laat. Niet de burgers (…) maar de autoriteiten. (..) Waarom zijn zondag reeds geen dringende telgrammen om hulp, om helicopters en voertuigen naar de vrienden om ons heen gegaan? (…) Officieel Nederland nam, voor wakker worden, schrikken, en reageren, bijna 24 uur. Dat is te lang voor mensen die het water tot aan de lippen gekomen is." Zoals te zien is is de krant zeer scherp van toon richting autoriteiten. Hoeveel kritische geluiden nadien nog gegeven zijn, is onbekend. Maar het was niet voldoende.

Ook de Telegraaf haalt stevig uit richting de autoriteiten – of liever, het gebrek daaraan. "Er is geen enkele maatregel [tegen een eventuele stormvloed, GR] genomen. Niets. Erger nog: het duurt drie dagen voordat men eigenlijk in het geweer komt. (…) Tweehonderd mensen verdrinken in Stavenisse en het duurt dagen voordat men erbij is. Boten?…etc." Het stuk in de Telegraaf was zo opvallend dat er een dag later een ingezonden stuk kwam ‘van gezaghebbende zijde’: ‘Paraat Volk – verlammend systeem’ stond erboven. De autoriteiten worden hier door een onbekende gezaghebber verder bekritiseerd: "Dit is een critiek op het na-oorlogse overheidssysteem, dat alle initiatieven en bevoegdheden naar zich trok, en in geval van nood of crisis topzwaar functioneert." De twee dagbladen lijken wel degelijk enig kritisch vermogen te hebben. Waar ze wel tekortschieten is in het letterlijke contact met de autoriteiten. Nergens antwoordt een burgemeester, een minister of andere verantwoordelijke op kritische vragen van de journalist. Die vragen kwamen namelijk niet. In de eerste vijf rampdagen wordt in geen enkel nieuwsbericht, interview of reportage gerept over verantwoordelijkheden.

Het kan ook anders: zoals gezegd ageert de PZC juist tegen elke kritische vraag. Ter herinnering: "Geen kritiek, en terecht," luidde het hoofdredactioneel commentaar. "Waar zovelen in de dagen der rampspoed zichzelf wegcijferen en alles gaven voor anderen, zwijgt de kritiek."

Op één vlak dient de Volkskrant nog te worden vergeleken met de andere twee. Hoe katholiek is de krant eigenlijk (nog)? Bij alle drie de kranten is gekeken naar het percentage ‘katholiek nieuws’. De definitie hiervan is ‘berichten waarin nadrukkelijk het accent ligt op katholieken of katholieke instanties’. De Volkskrant piekt hier duidelijk in. Ze heeft ook grote koppen als ‘Ehbo’ers redden hosties met gevaar voor eigen leven’, ‘Nonnen helpen bij evacuatie’ en ‘Overstroming in Engeland: kinderen vluchtten op altaar’. Als we het overige nieuws erbij zouden leggen, zou dit percentage alleen nog maar toenemen. De PZC brengt zo nu en dan eens een berichtje, de Telegraaf nauwelijks.

 

Hoewel de watersnood heeft gezorgd voor een bulk aan hetzelfde nieuws (berichten die iedere krant steevast heeft), en er vaak snel door redacties moest worden gedacht en gekozen, zijn de drie onderzochte kranten er toch in geslaagd ieder een eigen koers te varen. Aan de statistieken is duidelijk te zien dat elke krant zich nadrukkelijk profileert op het eigen terrein.

De Telegraaf bevestigt het beeld van sensatiegerichte krant in bijna ieder opzicht. In het onderzoek komt overtuigend naar voren dat de krant zich meer op slachtoffers richt als bron voor artikelen, de meest uiteenlopende genres heeft, en de meeste en grootste foto’s. Op het merendeel en meest prominente deel van de foto’s worden slachtoffers van dichtbij afgebeeld, en als dat niet het geval is staat de koningin - toch een lieveling van de krant - vooraan. De krant gaat voor sensatie, emotie, sappige verhalen, zonder daarbij de ernst van de zaak uit het oog te verliezen. De Telegraaf is namelijk ook de krant met de meeste ruimte voor kritische geluiden.

De Volkskrant komt naar voren als een serieuze krant met een stiekeme hang naar sensatie – de hand van Lücker is hier goed in te herkennen. Het aantal grote koppen is exceptioneel voor een serieuze krant, zo ook het aantal foto’s. De onderwerpskeuze van het fotomateriaal is echter zeer gebalanceerd – er is een uitschieter in vergelijking met de andere twee waar het de redders betreft. Wat de bronnen voor artikelen betreft is de Volkskrant het dagblad met de minste aandacht voor slachtoffers, en de meeste aandacht voor autoriteiten. De banden met een politieke partij spelen ditmaal niet in het voordeel van de Volkskrant – waarschijnlijk belemmeren ze een meer kritische houding, zoals die van de Telegraaf. De katholieke achtergrond van de krant komt tot uiting in ‘slechts’ acht procent van het nieuws. Vermoedelijk is de ramp er de oorzaak van dat de krant het percentage ‘katholiek nieuws’ (bewust of onbewust) heeft teruggeschroefd.

Betreffende de Provinciaal Zeeuwse Courant (PZC) tenslotte moet stevig worden rekening gehouden met het feit dat de ramp de redactie zelf trof, en haar wellicht heeft belemmerd in een aantal journalistieke keuzes. Denk hierbij vooral aan het aantal foto’s, want het percentage daarvan ligt extreem laag. Uit het onderzoek wordt wel duidelijk dat de krant het meeste rampnieuws heeft van de drie. Dat is geen toeval, aangezien de wortels van de krant liggen in het gebied. Dit zorgt ervoor dat de krant zeer hoog scoort wat hard nieuws èn reportages vanuit het gebied. Doch een gevolg is ook duidelijk een gebrek aan kritiek – sterker nog: de oproep tot verzet daartegen.

De aandacht van de media voor de watersnood was immens. Vrijwel niet eerder werd zo’n groot gedeelte van de krant ingenomen door één onderwerp. De ramp zorgde voor een tijdelijke vervlakking van journalistieke genres, en een extreme hoeveelheid fotomateriaal. Nieuws en emotie lagen voor het oprapen in Zeeland, en het is duidelijk geworden dat iedere krant haar eigen stukken bijeen heeft geraapt, voor het eigen lezerspubliek. De verwachte hoeveelheid aandacht voor autoriteiten en het gebrek aan een kritische houding kwamen eveneens duidelijk naar voren uit de statistieken. Hoewel de kranten uiterlijk extreem reageren op de grootste ramp in de Nederlandse geschiedenis, blijven ze producten van dat voor journalisten raadselachtige tijdvak van de Jaren vijftig. De kranten hebben hiermee een nadrukkelijk aandeel gehad in de ‘mythologisering’ van de watersnoodramp. Doch misschien was het een tijd waarin dat eenvoudig niet anders kon.

Literatuurlijst

Antonisse, Rinus en Ben jansen, Zeeland uit de krant. 225 jaar PZC (Middelburg 1983) 2.

Hemels, Joan, De emancipatie van een dagblad. Geschiedenis van de volkskrant (Baarn 1981) 320.

Koedijk, Paul,‘Vrijheid in verantwoordelijkheid’ in: Een stille revolutie? Cultuur en mentaliteit in de lange jaren vijftig (Hilversum 1997) 211-2

‘Kranten in een ramptij’, in: De Journalist (Maart 1953).

Linden van der, Frenk, ‘Ik verloor niet uit het oog dat ik converseerde met de eerste burger. De razende reporter en de watersnood van Zeeland’ in: Luizen in de pels (1984).

Plasse, J. van de, 'Een eeuw Telegraaf deel 1' in: De journalist (1992) p. 26-30

Plasse, J. van de, 'Een eeuw Telegraaf deel 2' in: De journalist (1992) p. 26-29

De Provinciaal Zeeuwse Courant (2-2-1953 tot 6-2-1953).

Rijkswaterstaat, Verslag over de stormvloed 1953 (Den Haag 1961) 1.0.7 – 2.3.3.

Rooij, M., Kranten. Dagbladpers een maatschappij (Amsterdam 1974) 125.

Rosenthal, U., Rampen, rellen, gijzelingen. Crisisbesluitvorming in Nederland (Amsterdam 1984) 104.

Slager, Kees, ‘De watersnoodramp van 1953’ in: Groniek 32 (1999) 379

Slager, Kees, De ramp: een reconstructie (Goes, 1992) 19.

Stegeren, van Th. 'De grillige Telegraaf : het grootste dagblad van Nederland is onvoorspelbaar, opportunistisch en menselijk.' In: Intermediair 28 (1992), p. 23-29

Strijd tegen het Water, http://www.rad.nl

De Telegraaf (2-2-1953 tot 6-2-1953).

De Volkskrant (2-2-1953 tot 6-2-1953).

 

Terug naar boven