Literatuur, Paper, Referaat, Co-referaat, Slotwerkstuk
De Nederlandse Titanic
De ramp met de veerboot Berlin, februari 1907
Inleiding
De grootste en gruwelijkste scheepsramp aller tijden voor de Nederlandse kust. Zo is de ramp met de veerboot "SS Berlin" in 1907 te omschrijven. Maar liefst 129 opvarenden verdronken in de nacht van 20 op 21 februari in het ijskoude Noordzeewater vlak voor de kust van Hoek van Holland. De ramp maakte een onuitwisbare op de bewoners van het kustplaatsje. Het gekrijs van de slachtoffers, de tientallen aangespoelde lijken: de Hoekenaren praatten er tientallen jaren later nog over.
Dit onderzoek richt zich op de verslaggeving van de ramp in kranten en weekbladen. Ik zal eerste een beschrijving van de ramp geven. Daarna zal ik mijn keuze voor de kranten en weekbladen toelichten. Vervolgens geef ik mijn stelling die in de rest van het onderzoek centraal zal staan. Tot slot zal ik de geschiedenis van de uitgekozen dag- en weekbladen kort beschrijven.
1. De ramp
Het is kwart over vijf in de ochtend als de stoomboot Berlin de haven van Hoek van Holland nadert. De nachtelijk overtocht vanuit de Engelse havenstad Harwich zit er bijna op: de passagiers maken zich op om aan land te gaan. Er woedt een hevige Noord Noordwester storm, windkracht elf, weersomstandigheden die het uiterste vragen van kapitein Precious. Hoewel eerder in de nacht twee schepen de haven van Hoek van Holland niet durfden binnen te lopen, aarzelt hij niet. Vastberaden koerst hij op de kust aan, daarbij vertrouwend op zijn jarenlange ervaring en de kracht van zijn schip. De Berlin staat onder zeelui bekend als een betrouwbaar, ijzersterk schip. De twee stoomturbines geven hem een grote stuwkracht. Bovendien beschikt de boot over twee schroeven. Maar honderd meter voor de kust slaat het noodlot toe. De Berlin raakt plotseling uit koers en zwiept van links naar rechts. De vuurtorenwachter ziet met zijn verrekijker dat het schip onbestuurbaar is geworden. "Het was reddeloos overgegeven aan de willekeur der torenhooge golven." De Berlin komt dwars op de golven te liggen en klapt op de punt van de Noorderpier, waar hij overdwars blijft liggen: de voorsteven aan de ene kant, de achtersteven aan de andere. Kapitein Precious zet zijn machines vol in de achteruit, maar het wil niet helpen, de Berlin zit muurvast. Kapitein Jansen van de reddingsboot President van Heel wordt direct ingeseind. Om half zeven zet hij met zijn stoomboot koers naar de gestrande Berlin.
1.1 De reddingspogingen
De bemanning beseft al snel dat het onmogelijk is om langszij de Berlin te komen: het risico om zelf te pletter te slaan is te groot. Daarom vaart schipper Jansen met een boog om de Berlin heen en gooit hij op veilige afstand zijn anker uit. De bemanning doet verwoede pogingen om een lijn aan de Berlin te bevestigen. Tot drie maal toe mislukt dit, maar de vierde keer is het wel raak. Dan tilt een hoge golf de President van Heel op. De reddingslijn schiet los en het anker breekt af. De redders moeten wel terug om een ander anker op te halen. Met de dood in hun ogen zien de passagiers dat het schip weer terugkeert naar de haven van Hoek van Holland. Ze smeken kapitein Jansen om te blijven, want ze weten dat het schip langzaam maar zeker in tweeën breekt.
Terwijl de President van Heel een ander anker ophaalt, gebeurt het onvermijdelijke. De Berlin scheurt in tweeën. Stuk voor stuk verdwijnen de passagiers in het voorsteven in de golven. Hun gekrijs is tot op het strand te horen. Als de reddingsboot even later arriveert drijven de lijken in het water. Slechts één persoon wordt levend opgevist.
Niemand weet dan hoeveel passagiers zich nog op het achtersteven bevinden. De reddingsboot blijft de hele donderdag in de buurt van de Berlin, maar kan niets uitrichten. Ook blijkt het vanwege de hoge golven onmogelijk om via de pier het gestrande schip te bereiken. Vrijdagochtend om tien uur arriveert Prins Hendrik op de rampplek. Hij neemt per boot polshoogte bij de Berlin en ziet in de kombuis drie à vier mensen zitten. Ook brengt de Prins een bezoekje aan de loods waar de lijken liggen opgebaard.
’s Middags is het weer opgeklaard. Vier reddingsboten trekken erop uit voor de volgende poging. Eindelijk lukt het om een lijn te bevestigen. Elf mensen worden gered.
2. Hoek van Holland: de Nederlandse bermudadriehoek
De ramp met de Berlin staat niet op zichzelf. Tussen 1873 en 1907 gingen maar liefst 75 schepen voor de kust van Hoek van Holland naar de kelder. Nog steeds geldt dit stuk kust als een van de gevaarlijkste van Nederland. De monding naar zee, de Nieuwe Waterweg, werd in 1872 in gebruik genomen. Bij storm is de vaargeul amper breed genoeg om te kunnen navigeren. Het grootste gevaar kwam van de huizenhoge ‘grondzeeën’, verraderlijke golven die uit het niets opdoemen. De Berlin zou wel eens door zo’n grondzee op de Noorderpier zijn gekwakt. Dit was twee schepen in 1901 en 1902 ook al overkomen.
Onderzoeksopzet
Dit onderzoek zal zich allereerst richten op de schuldvraag. Die kan in een aantal deelvragen ontleed worden. Allereerst is er de prangende vraag waarom kapitein Precious besloot om bij een orkaan de haven van Hoek van Holland binnen te varen. Was het niet verstandiger geweest om buitengaats te blijven, zoals twee andere schepen ook hadden gedaan? Anders gezegd: is het ongeluk aan zijn onvoorzichtigheid te wijten?
Ten tweede was de Berlin plotseling onbestuurbaar. Hoe kwam dit? Mankeerde er misschien iets aan het schip of heeft de roerganger zijn werk niet goed gedaan?
Ten derde spleet het schip vrij snel in tweeën nadat het op de pier was gekwakt, waardoor zeventig opvarenden in de kolkende zee verdwijnen. Dit roept de vraag op of het schip wel sterk genoeg was.
Tot zover de schuldvragen die direct verband houden met het ongeluk. Daarnaast verlopen de eerste reddingspogingen rampzalig. De reddingsboot President van Heel slaagt er maar niet in om met een lijn verbinding te krijgen met het schip. Tot overmaat van ramp breekt de ankerketting en moeten de redders terug naar de haven. In de tussentijd breekt het schip en vinden zeventig mensen de verdrinkingsdood. Zien de kranten en tijdschriften hierin aanleiding om kritische vragen te stellen? Bijvoorbeeld waarom de President van Heel geen reserveanker bij zich had. En waarom er geen enkel reddingsschip in de buurt van de Berlin was toen die in tweeën brak.
Voor mijn onderzoek heb ik vijf kranten uitgekozen: het Algemeen Handelsblad (AH), de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC), De Haagsche Courant, De Tijd en De Telegraaf. Daarnaast zal ik het weekblad De Amsterdammer en de geïllustreerde tijdschriften Het Leven en De Prins onder de loep nemen.
Deze keuze voor deze kranten en de weekbladen is natuurlijk niet een toevallige. Het Algemeen Handelsblad en de NRC waren liberale dagbladen en stonden te boek als ‘kwaliteitskranten’. De Haagsche Courant en De Telegraaf waren minder moeilijk en bedoeld voor het gewone volk. Bovendien zijn de NRC en de Haagsche Courant regionale kranten. De conservatieve krant De Tijd tenslotte, vormt een mooi tegenwicht voor het liberale Algemeen Handelsblad en de NRC. De geïllustreerde tijdschriften De Prins en Het Leven zijn twee concurrenten van elkaar: beiden zijn bedoeld voor de gewone man. Ze vormen zo een mooi contrast met het serieuze weekblad De Amsterdammer.
Na een eerste inventarisatie bleek al snel dat de kranten en de weekbladen niet in gelijke mate de schuldvraag stellen. Het vermoeden rees dat de ‘populaire’ kranten meer aandacht besteden aan de slachtoffers en minder aan de technische aspecten van de ramp. Ook leken zij minder kritiek te hebben op de redders. De weekbladen tenslotte, richtten zich met een kritische insteek op de achtergronden.
Mijn stelling zal dan ook luiden:
"De ‘populaire’ kranten en weekbladen zijn minder geneigd tot het stellen van de schuldvraag. Zij besteden verhoudingsgewijs meer aandacht aan de slachtoffers van de ramp dan de serieuzere kranten en de weekbladen."
Om de aandacht voor de slachtoffers te meten zal ik voornamelijk kijken naar het aantal kolommen dat de kranten en tijdschriften hieraan wijden. Hierin betrek ik alle berichten waarin de slachtoffers voorkomen. Dit zijn voornamelijk de verhalen over de reddingspogingen, de interviews met overlevenden en de sfeerreportages.
Inhoudsanalyse
Vanzelfsprekend is de ramp met de Berlin groot nieuws in alle kranten. De eerste berichten verschijnen op 21 februari in de avondbladen, de deadlines van de ochtendkranten zijn dan al verstreken, waardoor zij op 22 februari voor het eerst melding maken van de scheepsramp. In de eerste berichten neemt de schuldvraag geen belangrijke plaats in. De journalisten concentreren zich op het weergeven van de feiten. Dat dit een lastige klus blijkt uit de vele fouten die daarbij gemaakt worden. Zo meldt ‘kwaliteitskrant’ Algemeen Handelsblad dat helaas niemand de ramp heeft overleefd. Ook zouden er circa zestig mensen aan boord (later blijken dit er honderd meer te zijn). De verslaggever van de Haagsche Courant weet zeker dat er zeker 150 passagiers zijn verdronken. (De teller blijft uiteindelijk staan op 129). De journalist van De Tijd meldt dat het gehele schip in de kolkende zee is verdwenen. (Al snel zou blijken dat de achtersteven rotsvast op de pier ligt).
In de hectiek besteden de verslaggevers slechts summier aandacht aan de oorzaak van de ramp. ‘Over de oorzaak van de ramp is natuurlijk niets met zekerheid te zeggen’, schrijft de verslaggever van de NRC in zijn eerste nieuwsbericht. ‘Maar vermoedelijk is het schip bij den snellen vloed door de zee dwars geslagen en door de hooge golven op de 1000 ponders aan de berm van de pier neergeslagen.’ Dat een navigatiefout van kapitein Precious de oorzaak is lijkt hem dus onwaarschijnlijk.
Ook het Algemeen Handelsblad (AH) meent op 21 februari dat Precious waarschijnlijk niets te verwijten valt. ‘De oorzaak van het onheil moet waarschijnlijk in wind en zee worden gezocht. De gezagvoerder van de Berlin, kapitein Precious, was een der meest ervaren schippers van de Maatschappij.’ Wel gaat het AH iets meer op speurtocht. Zo heeft verslaggever Pisuisse donderdagavond een exclusief interview met de enige overlevende op dat moment, kapitein Parkinson. Hij vraagt hem of hij de oorzaak van de scheepsramp weet. Helaas, ‘van de oorzaak van de stranding wist hij niets.’
Ook schrijft Pisuisse die dag dat ‘sommigen beweren, dat iets aan de stuurinrichting onklaar moet zijn geraakt, anderen spreken van de werking van grondzeeën.’ Op dat moment is hij de eerste die de verraderlijke grondzeeën als mogelijke oorzaak van de ramp noemt. Een dag later herhaalt hij zijn standpunt. ‘Er moet het een en ander gebeurd zijn met de stuurinrichting; de plotselinge afwijking van het schip uit zijn koers is anders dan door een zeer onverwachte en heftige windvlaag niet te verklaren.’ En gezagvoerder Precious, die ‘ervaren zeeman, die reeds jarenlang de maatschappij diende en ontelbare reizen had gemaakt’ treft geen blaam, herhaalt Puissuise. De Haagsche Courant is het stelligst overtuigd van de onschuld van Precious, ‘de kundige zeeman, die al jaren bij de maatschappij vaart’. ‘Gebrek aan zeemanschap kan dan ook de oorzaak van den ramp niet zijn. Vermoed wordt, dat het roer plotseling weigerde.’
Waar het AH nog speculeert over de mogelijke oorzaak, neemt het katholieke dagblad De Tijd een berustende houding aan. ‘Hoe het ongeluk juist in zijn werk is gegaan…dat zal misschien wel altijd in het duister blijven’, staat op 23 februari in de krant. Want wie moet het antwoord geven op de vragen ‘daar alle opvarenden, op één na, zijn omgekomen’?
De buitenlandse journalisten steunen de mening van hun Nederlandse collega’s. ‘Omtrent de oorzaak van de ramp oppert men niet meer dan gissingen’, meldt de NRC als eerste, waarna de Haagsche Courant en De Tijd dit overnemen. ‘Sommigen denken dat de stoommachines of het stuurtoestel in het hachelijke oogenblik onklaar zijn geworden.’ Ook in het buitenland wordt klaarblijkelijk niet getwijfeld aan de capaciteiten van kapitein Precious.
Die donderdag spoelen tientallen lijken aan op het strand van Hoek van Holland. De opvarenden waren jammerlijk verdronken toen de Berlin ’s ochtends doormidden brak. De reddingsboot was op dat moment niet in de buurt om de drenkelingen op te pikken, maar bevond zich in haven om een nieuw anker te halen. Als de President van Heel weer in de buurt van de Berlin is blijkt dat niemand in zee nog leeft. Waarom was er geen andere reddingsboot in de buurt? Waarom had de President van Heel geen reserveanker aan boord? Het zijn slechts een paar kritische vragen die de journalisten hadden kunnen stellen. Ze deden het niet. Integendeel, de redders worden later als helden vereerd.
De verslaggever van De Telegraaf reageert zelfs kribbig op de kritiek. ‘Zij, die dit niet doen van de schrijftafel, doch van het strand af, met vóór zich de woedende, kokende zee, haast onzichtbaar soms door de verblindende sneeuw- en hagelvlagen, moeten bekennen, dat overmacht hier een afdoende verontschuldiging is.’ In de literatuur staat de Hoekenaren vol ongeloof reageerden toen schipper Jansen terugkeerde naar de haven. Zij konden vanaf het strand zien dat het schip een kattenrug had, een teken dat het op het punt staat te breken.
Toch schrijft de NRC op 24 februari in een hoofdredactioneel commentaar dat de redding voorbeeldig is verlopen. ‘Wie ervaring van de zee heeft zegt, dat het mogelijke is gedaan en men de reuzenkracht van een storm op de kust moet kennen om te beseffen wat het is, een wrak in de branding te hulp te komen.’
Dagblad De Tijd beseft dat kapitein Jansen wellicht drenkelingen levend uit het water had kunnen halen als hij niet was terug gegaan naar de haven. Niettemin treft schipper Jansen geen blaam, meent de krant. ‘Wie op het strand gisteren heeft gestaan en de kracht der zee gezien heeft, moet gewoonweg getuigen, dat menschelijke kracht hier machteloos was.’
Het is de redders donderdag al snel duidelijk dat er nog overlevenden op het wrak zijn. Ze zien gewuif achter de kajuiten en er spoelt wrakhout waarop staat dat de overlevenden in de rookkamer op het achtersteven vastzitten. De kranten doen minutieus verslag van de moeizame reddingspogingen. Als dan ook nog prins Hendrik op de rampplek arriveert verdwijnt de schuldvraag geheel naar de achtergrond. In de onderzochte kranten die op 23 februari verschenen wordt er met geen woord over gerept. Pas als de veertien opvarenden gered zijn en prins Hendrik per auto naar Den Haag is vertrokken beginnen de journalisten vragen te stellen. Het AH en De Telegraaf gaan voorop in het onderzoek: ze benaderen ‘deskundigen’ en brengen een bezoek aan verschillende reders.
Ze vragen of kapitein Precious niet beter buitengaats had kunnen blijven. Ook vragen ze naar de oorzaak van het ongeluk. En hadden voorbijgaande schepen geen hulp kunnen bieden? Vlak nadat de Berlin strandde liep de vrachtboot Batavier III met een lading paarden de haven van Hoek van Holland binnen, net als een andere vrachtboot, de Floris. De boten passeerden de Berlin op nog geen dertig meter afstand, zodat ze de doodskreten hoorden en zagen hoe mannen ‘zich tegen het voorhoofd sloegen van razenden angst.’
Het AH spreekt met kapitein Ouwehand van de stoomboot Floris. Hij ‘oordeelde het niet raadzaam de haven binnen te lopen, uit vrees door de zee, die huizen hoog stond, op het strand te worden geworpen.’ Daarom bleef Ouwehand veilig op open zee, waar hij wacht tot de storm enigszins is geluwd. Volgens Ouwehand had kapitein Precious dit beter ook kunnen doen. ‘Een passagiersboot vaart echter op tijd en dan gelden wel eens overwegingen die in een ander geval niet zouden gegolden hebben’, klinkt het licht verwijtend. De ervaren kapitein is de enige die niet hevig onder de indruk is van de orkaan. ‘Als stem ik dadelijk toe, dat het buitengewoon zwaar weder was, toch kan ik niet ontkennen wel eens méér in mijn 33-jarige ondervinding zoo’n storm te hebben meegemaakt’, zegt hij tegen Pisuisse. Heeft kapitein Precious dan toch navigatiefouten gemaakt? Journalist Pisuisse vraagt er niet op door.
Wel vraagt Pisuisse Ouwehand naar de oorzaak van de ramp. Net als anderen denkt hij dat ‘een grondzee de Berlin noodlottig is geweest.’ Voorbijgaande schepen hadden volgens hem niets kunnen uitrichten.
Een briefschrijver in de NRC is het daar niet mee eens. ‘Een stoomschip met krachtiger machines dan van een gewone vrachtboot, had loefwaarts zekeren afstand van de Berlin zee kunnen houden zonder eigen gevaar…’ Als zo’n stoomschip dan ook nog zou beschikken over een goed schiettoestel dan zouden ‘naar mijn bescheiden mening verscheidene schipbreukelingen gered kunnen worden.’
Het AH spreekt een dag later met dhr. Boot ‘opzichter der verlichtingstoestellen’ en ooggetuige van de ramp. Hij verklaart net als Ouwehand dat een grondzee ‘zeer vermoedelijk de boot uit haar roer heeft geworpen’. Ook kan de kapitein door ‘een schokgolf’ de macht over het roer zijn kwijtgeraakt, maar ‘dit is minder waarschijnlijk.’ ‘Maar zeker is het dat die grondzee de Berlin heeft verrast op een afstand van honderd meter van het Noorderhoofd.’
Boot meent, in tegenstelling tot Ouwehand, dat het die ochtend niet ondoenlijk was om de haven binnen te stomen, ‘zoodat van roekeloosheid niet mag worden gesproken’. ‘Even na de noodlottige stranding liep een vrachtboot van de Harwichlijn zonder stoornis de pieren binnen, zegt hij om zijn woorden kracht bij te zetten, ‘terwijl een Duitsche boot van kleine afmeting (met slechts één schroef) vijf kwartier later binnenkwam. De storm was toen nog geenszins bedaard. Men heeft gezegd dat het beter was geweest als de Berlin buitengaats was gebleven, maar andere schepen hebben met hun binnenvallen bewezen evenmin bezwaren te hebben gehad tegen het binnenloopen van de haven’, aldus Boot. Hiermee vergeet hij dat Ouwehand juist buitengaats wachtte tot de storm enigszins geluwd was. Pas toen dit het geval was durfde hij de haven binnen te lopen. Boot noemt het ‘moeilijk aan te nemen’ dat de motoren van de Berlin hebben gehaperd, want ‘de Berlin had, dit was bekend, uitnemende machines die voor een storm niet hadden te duchten, zelfs niet voor een storm als deze.’
Ook hij meent dat de voorbijvarende schepen onmogelijk hulp konden bieden. Dit wordt in dezelfde krant bevestigd door de kapitein van de ‘paardenboot’, de Batavier III.
Pisuisse is uiterst voorzichtig met het geven van zijn mening. In een bundeling van zijn artikelen geeft hij alsnog zijn visie. ‘Roekeloosheid valt ten laste van de den gezagvoerder der Berlin noch van de directie der Harwichlijn te bewijzen. (…) tal van gezagvoerders handelden onder overeenkomstige omstandigheden geheel gelijk kapitein Precious.’ Ook de redders komen er genadig vanaf. ‘(…) voor het welslagen der reddingspogingen hing alles af van het profiteeren van een op het onverwachtst zich aanbiedend gunstig oogenblik; met andere woorden van het geluk. Dit geluk heeft de bemanning van de reddingsboot van het eerste oogenblik der stranding af ontweken.’ Bovendien ‘geschiedde het breken van het schip onverwacht’, aldus Pissuisse. Dit staat echter haaks op de verhalen van twee ervaren zeeloodsen die ooggetuige waren van het ongeluk. ‘Zij zagen de boot breken en, en ook zij zijn van meening, dat De President Van Heel niet naar de have had mogen teruggaan’, schrijft De Telegraaf op 24 februari. De twee woorden ‘ook zij’ veronderstellen dat er meer mensen waren die er zo over dachten.
De Telegraaf brengt als enige krant een bezoek aan de reders. Onder de kop ‘Onderhoud met de directies van de stoomvaartlijnen’ verschijnen een aantal berichten waarin de schuldvraag een belangrijke rol speelt. De belangrijkste vraag is of reders kapiteins onder druk zetten om op tijd te varen. Twee directieleden van de Batavierlijn, die ook naar Engeland vaart, benadrukken dat dit niet het geval is. ‘Wel tracht een kapitein steeds op tijd te zijn, want ten eerste is er zijn eigen en ten tweede de reputatie van zijn lijn mee gemoeid. Het publiek is zoo veeleisend en oefent toch ongemerkt veel pressie uit.’ Als voorbeeld wordt een passagier aangehaald die uit woede zijn kaartje verscheurde toen zijn boot drie kwartier te laat vertrok.
De directie van de Harwichlijn zet kapiteins ook niet onder druk, omdat reizigers daardoor de boot niet meer zouden durven nemen. Opmerkelijk is dat de directieleden de jarenlange ervaring van Precious niet als een voordeel zien. Kapiteins die jarenlang op dezelfde lijn varen zouden gevaren onderschatten. ‘Ze worden zoo vertrouwd met de gevaren, dat zij eerder iets durven te wagen dan die kapiteins, die zo nu en dan een haven binnenloopen. Natuurlijk hebben zij grote bekwaamheden, doch zij worden op den duur eenzijdig’, zeggen de twee reders.
Het was volgens hen ‘ontegenzeggelijk het veiligst geweest om in volle zee te blijven’. ‘Maar men vergete niet, dat de boten der Great Eastern passagiersboten zijn, die op aansluitingen met het internationale spoornet loopen en dat een kapitein van zoo’n schip niet gaarne zijn passagiers de aansluiting laat missen.’ Waarmee de beslissing van Precious enigszins vergoelijkt wordt. Twee kaartjesverkopers voor de Harwichlijn leveren eveneens kritiek op Precious door te zeggen dat het beter was geweest om op volle zee te blijven. Maar ook zij geven kapitein Precious het voordeel van de twijfel. ‘(…) omdat een uiterst bekwame en met den Waterweg bekwame kapitein, gelijk de omgekomen kapitein Precious was, het anders niet bij noodweer zou hebben gewaagd om binnen te loopen.’
De directeur van de Holland-Amerika-lijn, dhr. Wiersma, noemt het onverstandig om te oordelen over het optreden van Precious. ‘Wat afgespeeld is op de Berlin zal wel nooit aan het licht komen’, zegt hij berustend.
Na deze reeks gesprekken waagt De Telegraaf zich als eerste aan een eigen oordeel. Precious heeft de storm onderschat, luidt de beschuldiging. ‘Dit is uit de feiten vrij zeker te concludeeren.’ Dat de onzekerheid even later toch toeslaat blijkt uit een ander artikel dat ook op 25 februari verschijnt. ‘Wie zal hier met enige zekerheid uitspraak doen?’, schrijft de journalist vertwijfeld. ‘Zij, die hiertoe getuigen konden, hebben helaas, de zee tot doodsbed gekregen…’
Als laatste geeft de journalist de reders een advies mee. ‘De booten varen op tijd. De treinen staan te wachten, het publiek wil vlug gaan. De kapiteins moeten wel voor veiligheid zorgen, doch mogen geen tijd meer verliezen, de concurrentie is groot. Het helpt nu niet meer; bij voorkomende gelegenheden zou het raadzaam zijn, buitengaats te blijven, met zulk weer, tot de dag aanbreekt. Wat geeft het nu toch, of men 12 uur, misschien nog later, aankomt, indien men behouden is en wat nu? Tal van menschenlevens zijn er te betreuren. Aan de directies der Great Eastern ’t welgemeende verzoek, om in haar instructies, bovengenoemd voorstel door ter zake kundigen, in te loschen.’
De NRC gaat eigenlijk niet op eigen onderzoek uit, zoals het AH en De Telegraaf. Wel wijdt de krant op 24 februari een hoofdredactioneel commentaar aan de ramp. Ook de NRC vindt dat bij noodweer schepen op open zee moeten blijven. Is zoveel haast wel nodig, vraagt de krant zich af. ‘Het moet nu misschien nog. Maar het is niet ondenkbaar, dat men eens er anders over oordeelen zal, en het gevaar, dat men bemanning en reizigers laat loopen, van meer belang acht. Er zou slechts één middel zijn, en dat is: met zulk noodweer niet uitvaren.’
Hoewel de kans op rampen zo kleiner wordt kunnen ze nooit helemaal voorkomen worden.
‘Zoo’n ramp beletten, hoe zal dat kunnen! Men kan misschien olie op de golven gieten, opdat zij stilstaan, maar wie zal den wind gebieden, dat hij zwijgt?’
De Tijd en de Haagsche Courant doen geen eigen onderzoek naar de oorzaak van de ramp. Ze volstaan met de (vaak letterlijk) weergave van de berichten uit de NRC en het AH. Hierdoor voegen ze nagenoeg niets toe. Wel besteden ze, net als de andere kranten, uitgebreid aandacht aan de reddingspogingen, de nabestaanden en de komst van Prins Hendrik. Feitelijk besteden de kranten hier veel meer aandacht aan. Een kwantitatief overzicht maakt dit het beste duidelijk.
De Haagsche Courant wijdt gedurende de vijf dagen na de ramp slechts drie alinea’s aan de oorzaak van de ramp. De rest van de ramp wordt wel uitgebreid beschreven: in totaal besteedt de krant hier maar liefst zeventien kolommen aan, wat overeen komt met ongeveer vijftien procent van de redactionele pagina’s. Hiervan bestaat een groot gedeelte (tachtig procent) uit sfeerreportages waarin een belangrijke rol is weggelegd voor de slachtoffers en de redders.
De Tijd is zoals gezegd nauwelijks geïnteresseerd in de schuldvraag, maar besteedt wel dertien kolommen aan de ramp zelf, ongeveer achttien procent van het totale redactionele oppervlak. Het aantal sfeerreportages is iets minder en komt neer op ongeveer zeventig procent van het totale aantal berichten.
Het Algemeen Handelsblad pakt uit met verslaggever Pisuisse en wijdt maar liefst 44 kolommen aan de ramp. Toch krijgt de gebeurtenis hiermee in de krant relatief niet meer aandacht. Het totale aantal kolommen slokt ongeveer achttien procent van de redactionele ruimte op. Ook in de verslaggeving van Pisuisse neemt de sfeerreportage de belangrijkst plaats in.
De NRC besteedt relatief de minste aandacht aan de scheepsramp. De verslaggeving beslaat ongeveer 23 kolommen, ongeveer tien procent van de redactionele ruimte. Nadat de eerste nieuwsberichten in de krant zijn verschenen, plaatst ook de NRC eigenlijk alleen sfeerreportages.
De Telegraaf wijt 36 kolommen aan de ramp, ongeveer vijftien procent van het totale aantal redactionele pagina’s. Ook hier verschilt het beeld weinig van de andere kranten: het is een en al sfeerreportage wat de klok slaat.
Voor alle kranten geldt dat er geen helder onderscheid is tussen de verschillende krantengenres (reportages, interviews, nieuwsberichten, analyses enz.). Slechts De Telegraaf en de NRC schrijven eenmaal in een duidelijk afgebakend hoofdredactioneel commentaar over de ramp. Voor de rest lopen feiten en opinie door elkaar. Ook nieuwsberichten gaan dikwijls opeens over in sfeerreportages.
Het is opvallend hoe beeldend de journalisten schreven. Hun verslagen kenmerken zich door uitgebreide beschrijvingen met veel bijvoeglijke naamwoorden. Waarschijnlijk omdat er toen nog beelden voorhanden waren. De journalisten sommen afschuwelijke details op, om de ramp zo goed mogelijk te beschrijven. Zo vertellen ze dat de opgezette lijken die aanspoelen soms ledematen missen. Of hoe de drenkelingen te pletter slaan op de basaltblokken van de pier. Hun archaïsche taalgebruik lijkt in schril contrast te staan met de emotionele lading van hun berichten. "Hun geroep om hulp en hunne jammerkreten sneden ons door de ziel", schrijft de verslaggever van De Tijd. Ook beschrijft hij dat twee drenkelingen helemaal doordraaiden. "De man scheurde zich de kleederen van het lijf, werd krankzinnig en stierf in ellendegeschrei." Ook de grote eerbied voor autoriteiten valt op. Verder worden interviews met de overlevenden worden bijna verontschuldigd opgeschreven om ieder verwijt als zou de journalist op sensatie uit zijn te vermijden. Ook heeft de journalist in zijn berichten vaak over zichzelf. Over de moeite dat het kost om de berichten via de overbelaste telegraaf te verzenden of over hoe hartverscheurend hij de ramp vindt.
Alle kranten zijn vol lof over de redders en het optreden van Prins Hendrik. De ‘kloeke redders’ zijn een voorbeeld voor het buitenland. De Engelse kranten denken er net zo over en daar wordt dan ook trots melding van gemaakt. De Haagsche Courant gaat het verst in zijn bewondering voor Prins Hendrik. De krant organiseert een bijeenkomst in Den Haag ter ere van de prins.
De Tijdschriften
Voor dit onderzoek heb ik Het Leven, de Prins der Geïllustreerde Bladen en De Amsterdammer onder de loep genomen. De geïllustreerde tijdschriften De Prins en Het Leven zijn twee concurrenten van elkaar: beiden zijn bedoeld voor de gewone man. Ze vormen zo een mooi contrast met het serieuze weekblad De Amsterdammer.
De Amsterdammer ziet in de ramp aanleiding om een staaltje maatschappijkritiek ten beste te geven. De mensen moeten onthaasten, is de boodschap. ‘Wij verkeeren, dank zij de richting waarin, en de beweegredenen waardoor wij worden gedreven, min of meer in den toestand van de Berlin zelve, die in plaats van op een beter getij te mogen wachten, in toomlooze vaart zijn last van levenden te pletter stootte.’ Het is de krant duidelijk: als de Berlin buitengaats was gebleven was het ongeluk niet gebeurd. Daarom zou er een wet moeten komen tegen de ‘roekelooze haast’ van de stoombootmaatschappijen, liefst in internationaal verband. Verder is het weekblad uitgesproken positief over de redders en het optreden van prins Hendrik. Een koninklijk lintje zou een passend eerbetoon zijn, meent het blad. De aandacht die De Amsterdammer aan de ramp besteedt (twee kolommen), staat in geen verhouding met tijdschrift Het Leven. Dit geïllustreerde blad pakt in twee edities uit met een aantal grote achtergrondverhalen. Op 1 maart doet het blad de verslaggeving van de kranten nog eens dunnetjes over. Het verloop van de reddingspogingen, de aankomst van prins Hendrik: alles wordt nog eens beschreven. De redders, ‘die dappere zonen van ons waterland’ worden overladen met lof net als prins Hendrik met zijn ‘manmoedige optreden’. De oorzaak komt summier aan de orde. Het Leven sluit zich aan bij ‘deskundigen’ die menen dat een grondzee kapitein Precious heeft verrast. Verder verbaast het tijdschrift zich erover dat de passagiers, ‘van welken men mag veronderstellen dat zij nu juist niet bepaald dien avond naar ’t vaste land moesten’ de reis aandurfden. Maar de auteur lijkt bevreesd voor al te wilde speculaties, want even verderop stelt hij dat ‘wij voor ’t oogenblik overwegingen terzijde moeten stellen en ons moeten bepalen tot de feiten.’ Die feiten komen een week later aan de orde in een ‘technische beschouwing’ die ingenieur Wouter Coole op verzoek van de redactie schrijft. Hij laat zich niet uit over de stuurmanskunsten van kapitein Precious, ‘weemoedig herdenkend de gevallenen’, maar laat geen spaander heel van de redding. Hiermee staat hij niet alleen lijnrecht tegenover de redactie zelf, die de redders juist de hemel in prijsden, maar is hij zelfs de eerste die openlijk kritiek levert op de redders.
Volgens Coole zijn de drenkelingen aan hun lot overgelaten door kapitein Janssen van de reddingsboot die daarmee ‘eene groote verantwoordelijkheid’ draagt voor het hoge aantal slachtoffers. Zijn falen wordt weer veroorzaakt door een gebrek aan materieel, meent de ingenieur. Want behalve de stoomboot President van Heel waren er de eerste uren geen andere reddingsboten aanwezig. Was dit wel het geval dan waren de passagiers waarschijnlijk eerder van boord gehaald. De boten hadden dan samen de President van Heel naar het wrak kunnen slepen. Daarnaast was de redding ‘gebrekkig georganiseerd’. Coole illustreert dat aan de hand van een aantal voorbeelden. Allereerst vindt hij het vreemd dat de geredde passgiers eerst werden overgebracht naar de President van Heel, maar op bevel van prins Hendrik op zijn schip worden gehesen. Daarnaast is het eigenhandig optreden van een aantal redders een voorbeeld van ‘het ontbreken van eenige hoofdleiding’. Het is namelijk de scheepsjongen Klaas Ree die op eigen houtje de pier overkrabbelt en aan de dood ontsnapt als hij een half uur lang bevend achter een basaltblok blijft zitten. Om herhaling te voorkomen pleit Coole voor ‘uitmuntende stoomreddingsbooten –en schepen met reservebemanningen, die de taak kunnen overnemen van hen, die reeds hun leven waagden, maar die allen staan onder één flinke leiding.’
De Prins der Geïllustreerde Bladen besteedt in het geheel geen aandacht aan de schuldvraag. De redders zijn ‘wakkere borsten, echte De Ruijterzonen’, die ‘met onovertroffen waaghalzerij, met stoer beleid en innige zelfverloochening (…) hun edel werk hebben voltooid.’ Prins Hendrik is ‘een persoonlijk voorbeeld’ die de redders ‘krachtig inspireerde en aanvuurde.’
Zowel De Prins als Het Leven plaatsen veel foto’s en tekeningen van de ramp. Hierin onderscheiden zij zich van de kranten die dit toen nog niet konden. Dit verklaart wellicht ook de voorliefde van de kranten voor de sfeerreportage. Hiermee konden ze toch nog beeldend weergeven wat zich afspeelde aan de Hoek van Holland. De bladen hebben duidelijk geprobeerd een zo compleet mogelijk beeld te geven van de ramp. Naast portretten van de redders, Prins Hendrik en een aantal overlevenden staat het wrak van de Berlin er ook enkele malen op. Verder is het opvallend dat beide tijdschriften een aantal ‘actiefoto’s’ konden maken vanaf de wal. Gezien de lange sluitertijden en de hevig sneeuwstorm die toen woei moet dit een hele toer zijn geweest. Het Leven neemt een reeks tekeningen over uit de Engelse bladen die de ramp nog indringender in beeld moeten brengen. De prenten laten zien wat de fotografen niet konden vastleggen, zoals een close-up van de redding, het breken van de Berlin en de boottocht van de prins. De slachtoffers komen ook in beeld, zij het niet van dichtbij. Zo is de lijkenkar van een afstandje gefotografeerd en is te zien dat opgeviste lijken aan land worden gebracht. Het Leven plaatst verder als enige een kaartje dat de koers van de Berlin aangeeft. De Amsterdammer plaatst in het geheel geen foto’s of illustraties. Afgezien van De Amsterdammer besteden de tijdschriften relatief meer aandacht aan de ramp dan de kranten. Bij Het Leven neemt de ramp ongeveer vijftig procent van de kolommen in beslag, bij De Prins ligt dit percentage op ongeveer veertig.
4. Geschiedenis van de gekozen kranten en weekbladen
De Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC)
De NRC wordt in 1844 opgericht door de boekverkoper H. Nijgh. Het succes laat niet lang op wachten. De NRC publiceert geregeld scoops uit het Verre Oosten en tussen 1843 en 1892 ontpopt de krant zich onder leiding van de hoofdredacteuren Tels en Lamping tot een gezaghebbend politiek orgaan. Vanaf 1878 geeft de NRC als enige krant in Nederland zowel een ochtend als een avondeditie uit, zonder de prijs te verhogen. Het Algemeen Handelsblad en De Amsterdammer volgen een paar jaar later. Eind negentiende eeuw staat de NRC bekend als een liberale kwaliteitskrant, die de vergelijking met grote buitenlandse kranten kan doorstaan. De krant bericht snel, veelzijdig en betrouwbaar en beschikt over een groot arsenaal aan correspondenten. De stijl is zakelijk, emotieloos en soms saai. De belangrijkste redenen waarom het grote publiek liever De Telegraaf blijft lezen.
Het Algemeen Handelsblad (AH)
Het Algemeen Handelsblad wordt in 1828 opgericht door J. W. Van den Biesen. Hoewel de redactie het blad in 1831 als neutraal bestempelde neemt het AH al snel liberale standpunten in. Onder leiding van Van den Biesen komt het AH tot grote bloei. Hij voert nieuwe rubrieken in zoals een kunstagenda en recensies. Het AH bereikt een oplage van vijf en half duizend exemplaren, voor die tijd buitengewoon hoog. Als Van den Biezen op tragische wijze verdrinkt wordt de krant voor maar liefst 250.000 gulden verkocht aan redacteur mr. L. Keyzer. Hij neemt nog liberaler standpunten in dan zijn voorganger. De AH wordt eind negentiende eeuw voorbijgestreefd door de NRC. Toch staat ook het AH bekend als een echte kwaliteitskrant met een enorme lezerskring. Dit komt door het ingenieuze systeem van tweede en derde lezers. Die kregen de krant in huur en moesten hem doorgeven; wie hem het laatst las betaalde het minst.
De Telegraaf
De Telegraaf wordt in 1893 opgericht door Henry Tindal, in die tijd de krantenmagnaat van de Lage Landen, en gezegend met de veelzeggende bijnaam ‘Ceasar der Nederlandsche pers’. Behalve De Telegraaf heeft hij ook nog dagblad De Courant, het weekblad Algemeen Belang, het Geïllustreerd Politienieuws en dagblad De Amsterdammer in handen. Onder het bewind van Tindal (1893-1902) heeft De Telegraaf nog niets van de sensationele krant die het later zou worden. Ondanks de hoogconjunctuur weet De Telegraaf toch geen winst te maken. Na een paar mislukte krantenavonturen gaat Tindal in 1901 failliet en komt De Telegraaf in bezit van de drukker H. Holdert. Hij legt de neutraliteit van de krant schriftelijk vast. Hij belooft plechtig dat De Telegraaf "nimmer de beginselen van eenige staatkundige of kerkelijke richting zal voorstaan." De krant spreekt vooral lezers in de middenklasse aan en verovert een steeds sterkere marktpositie. De krant doet volgens de lezers niet moeilijk en heeft een aangename toon: perfecte eigenschappen voor een echt volksblad.
De Tijd
De Tijd wordt in 1845 opgericht door de priester Judocus Smits. In het begin is De Tijd een weinig succesvol piepklein krantje. Het heeft in 1851 slechts honderd abonnees en is daarmee een echte dreumes in de markt. (Ter vergelijking: het Algemeen Handelsblad heeft in die tijd 5400 abonnees) Smits zegt in zijn eerste hoofdartikel dat De Tijd niemand vertegenwoordigt. "Noch de geestelijkheid, hetzij hoogere of lagere, noch de katholieken, niemand is aansprakelijk voor onze opinies." Toch wil Smits dat De Tijd "duurzaam echt katholieke denkbeelden aankleeft". Geleidelijk neemt de krant steeds conservatiever standpunten in, zonder emotioneel te worden. Op 9 juli 1868 draagt Smits de krant over aan M. van der Aa. Smits spreekt af dat Van der Aa geen hoofdredacteuren mag benoemen zonder de goedkeuring van tenminste de helft van de Nederlandse bisschoppen. Bovendien krijgen de bisschoppen de bevoegdheid om de hoofdredacteur te ontslaan als tenminste de helft daarmee instemt. Eind negentiende eeuw komen de liberalen steeds meer in aanvaring met de katholieken waardoor De Tijd ook steeds roomser wordt.
De Haagsche Courant
De Haagsche Courant verscheen op 9 april 1883 voor het eerst. De krant richt zich op de kleine burgerij en weet zo een omvangrijk lezerspubliek te bereiken. Den Haag ontwikkelde zich in de negentiende eeuw als derde perscentrum van Nederland, na Rotterdam en Amsterdam. Talloze kranten worden opgericht zoals het conservatieve Haagsch Dagblad, het Vaderland en het dagblad van Zuid-Holland en ’s Gravenhage. Maar de Haagsche Courant is een van de weinige kranten die de concurrentie aankan en niet ten onder gaat.
De Prins der Geïllustreerde Bladen
De Prins wordt opgericht om een gat in de markt te vullen. "Door een degelijken en variëerenden inhoud", gecombineerd met een "zeer lagen abonnementsprijs" heeft het blad een nieuwe formule in handen. Een zeer succesvolle formule blijkt al snel. Van het eerste nummer (1901) worden dertigduizend exemplaren verkocht. Later bereikt De Prins zelfs een oplage van honderdduizend, wat in die tijd zeer hoog is. De Prins richt zich op de gewone man en besteedt veel aandacht aan moorden, branden en ongevallen. Daarnaast staan er novellen, detectiveverhalen, reisverslagen, portretten en humoristische stukjes in. Kenmerkend voor De Prins zijn de vele foto’s. Na 1906 krijgt het blad geduchte concurrentie van Het Leven, dat ook mikt op een breed publiek. Waarschijnlijk brengt De Prins daarom ook na de ramp met de ‘Berlin’een extra editie uit, waarvoor het veel adverteert in de kranten. Saillant detail is dat de abonnees van De Prins gratis verzekerd zijn tegen ongelukken met treinen, trams en boten binnen Europa.
Het Leven
Het Leven stelt zich bij de oprichting ten doel om voor ieder wat wils te brengen "in een prettigen vorm". De eerste hoofdredacteur N. Wolf wil zich niet mengen in politieke of religieuze zaken. Hij wil een neutraal en onafhankelijk blad maken dat weldra "den vriend van elken Nederlander" is. Aanvankelijk wijkt Het Leven niet af van de andere geïllustreerde tijdschriften. De inhoud bestaat uit foto’s van actuele gebeurtenissen en personen die in de belangstelling staan. Maar al snel ontpopt het blad zich tot een echte sensatiezoeker boordevol agressieve en opdringerige verhalen. Zo verkleden verslaggevers zich voor een sfeerreportage als bedelaar. Ook de foto’s hebben een hoger sensatiegehalte dan in andere bladen. Hiermee zorgt Het Leven voor een journalistieke doorbraak in Nederland. Ook de abonnees van dit weekblad zijn verzekerd tegen allerlei onheil.
De Amsterdammer
Weekblad De Amsterdammer wordt in 1877 opgericht door de twee letterkundigen Taco H. de Beer en Manuel van Loghem. Na een jaar wordt De Amsterdammer een landelijk weekblad en krijgt J. de Koo de leiding. Dan al heeft het weekblad in de wandelgangen de bijnaam ‘Groene Amsterdammer’, vanwege de kleur papier waarop het is gedrukt. Onder het bewind van De Koo groeit De Amsterdammer uit tot een graag gelezen politiek en cultureel orgaan met een progressieve inslag. Collega-journalisten roemen De Koo om zijn scherpzinnige columns die hij elke dag schrijft. Hij drijft regelmatig de spot met allerlei heilige huisjes en weet op die manier de Nederlandse journalistiek te verlevendigen.
Conclusie
In de kranten neemt de speculatie over de oorzaak van de ramp met de Berlin vergeleken met de aandacht voor de slachtoffers een ondergeschikte rol in. Dit blijkt het duidelijkst uit de kwantitatieve benadering. De inhoudsanalyse maakte duidelijk dat de grotere kranten in absolute zin meer aandacht besteden aan de schuldvraag. Zoals verwacht valt hier dus geen onderscheid te maken tussen de populaire kranten enerzijds (Haagsche Courant, De Telegraaf) en de ‘kwaliteitskranten’ NRC en Algemeen Handelsblad anderzijds. Het lijkt er veeleer op dat de grotere kranten verslaggevers langere tijd konden vrijmaken. De kleinere kranten De Tijd en de Haagsche Courant schrijven deze verhalen vervolgens grotendeels over. (De verslaggever van de Haagsche Courant voert als excuus hiervoor aan dat de deskundigen onmogelijk iedereen te woord kunnen staan.) De lezingen van de kranten lopen uiteen. Het Algemeen Handelsblad houdt het erop dat het roer stuk ging. De NRC en De Telegraaf vinden dat de Berlin nooit de haven had mogen binnenlopen en schuiven zo kapitein Precious postuum de schuld in schoenen. Hun commentaren zijn echter nooit scherp van toon en altijd omzichtig geformuleerd. De conservatieve krant De Tijd heeft in het geheel geen mening en ook de Haagsche Courant doet er het zwijgen toe.
Alle kranten zijn vol lof over de redders, terwijl er aanwijzingen waren om te twijfelen aan hun capaciteiten. Tijdschrift Het Leven is de enige die de redders bekritiseert. Het is echter de vraag of deze kritiek aan het tijdschrift valt toe te schrijven, want hij is afkomstig van een ingenieur die op redactioneel verzoek een bijdrage leverde. Ook liet het tijdschrift zich eerder juist in juichende bewoordingen uit over de redders. Tijdschrift De Prins lijkt alleen te willen vermaken en wijdt geen letter aan de schuldvraag.
Naar de huidige journalistieke maatstaven zou het optreden van de journalisten ten tijde van de ramp met de Berlin waarschijnlijk als onvoldoende worden bestempeld. Ze lieten cruciale vragen over het verloop van de redding onbeantwoord. Ook besteedden ze slechts summier aandacht aan de oorzaak en dan ook nog op een deemoedige toon. Maar het is niet juist om de journalisten van die tijd neer te zetten als braveriken die hun maatschappelijke taak verzaakten. De maatschappelijke moraal was er waarschijnlijk niet naar om gezagsdragers (zoals de redders en kapitein Precious) aan te vallen.
Hun taakopvatting was ook anders. Een kort verslag in De Telegraaf van een ledenvergadering van De Amsterdamsche Pers maakt dit duidelijk. De voorzitter is lovend over het werk van de journalisten ‘die met buitengewone inspanning en met een voortvarendheid, die bij de ingewijden bewondering afdwingen, van uur tot uur het land en de wereld hebben ingelicht over de bijzonderheden van de betreurenswaardige ramp en van de heldendaden, die daar onder de oogen van onzen manmoedigen Prins zijn volbrachten die den naam van het moedige Hollandsche volk weder tot in alle hoeken van de wereld hebben bevestigd.’ De journalist als nationalistische spreekbuis, kom daar tegenwoordig nog maar om.