[Yilka Wissink]

Literatuur, Paper, Referaat, Co-referaat, Slotwerkstuk

 

De vuurwerkramp in Enschede

Een onderzoek naar het verschil in berichtgeving over de ramp tussen de populaire en kwaliteitskranten in Nederland

 

Inleiding

De vuurwerkramp in Enschede die plaatsvond op zaterdag 13 mei 2000 heeft ongetwijfeld bij veel mensen in Nederland een onuitwisbare indruk achtergelaten. In de media was de aandacht voor de gebeurtenis in de eerste dagen na de ramp enorm. Over de aandacht van de media gaat dit onderzoek en dan met name over de aandacht die de landelijke dagbladen van Nederland in de eerste vier werkdagen erna aan de ramp besteedden. Als invalshoek heb ik gekozen voor het vergelijken van de ‘populaire’ en de zogenaamde ‘kwaliteitskranten’. Ik heb gekozen voor de volgende vier kranten: De Telegraaf, Het Algemeen Dagblad, De Volkskrant en Het NRC Handelsblad. De eerste twee worden over het algemeen gezien als populaire dagbladen terwijl de laatste twee beschouwd worden als kwaliteitskranten. Een ander belangrijk argument voor de keuze van deze vier dagbladen lag ten grondslag aan het feit dat zij op dit moment de vier grootste dagbladen van Nederland zijn en dus de meeste lezers trekken.

Allereerst zal in hoofdstuk één een beschrijving van de onderzoeksvragen worden gegeven die in dit werkstuk aan de orde zullen komen. Om vervolgens een beeld te krijgen van de omvang van de ramp wordt in hoofdstuk twee kort ingegaan op het verloop van de ramp en op de reactie van de verschillende media. In het hoofdstuk dat daar op volgt, komen de vier kranten die in dit onderzoek nader bekeken worden aan de orde. Er wordt een beschrijving gegeven van de identiteit van de kranten en waar mogelijk wordt beschreven hoe deze identiteit zijn weerslag vindt in de werkwijzes van de kranten. In het vierde hoofdstuk wordt het verschil tussen populaire en kwaliteitskranten uitgewerkt aan de hand van de beschikbare literatuur. Daarna worden in het vijfde hoofdstuk een aantal hypothesen gevormd over de mogelijke uitkomsten van de analyse van de vier kranten. Deze hypothesen sluiten aan bij de deelvragen uit hoofdstuk éé en worden waar dat mogelijk is, onderbouwd door literatuur. Dit zal echter niet altijd mogelijk zijn aangezien er maar weinig relevante literatuur beschikbaar is. In het zesde hoofdstuk worden de uiteindelijke resultaten van de analyse van de verschillende krantenbeschreven. Het onderzoek wordt afgesloten met een conclusie en een discussie.

 

Hoofdstuk 1 De probleemstelling van het onderzoek

In het onderzoek wil ik bekijken of er verschil is in de manier waarop de twee populaire en de twee kwaliteitskranten over de ramp berichtten. Mijn analyse zal zich richten op de berichtgeving in de kranten tijdens de eerste vijf dagen na de ramp. Mijn hoofdvraagstelling zal zijn:

Verschillen het NRC Handelsblad en De Volkskrant in de manier waarop zij in hun krant berichten over de ramp in Enschede ten opzichte van de manier waarop Het Algemeen Dagblad en De Telegraaf dat doen?

Als er sprake blijkt te zijn van verschil in de manier van berichtgeving, wat wel waarschijnlijk is, zou ik de volgende twee vragen ook willen beantwoorden:

Waar zit dat verschil in en sluit dat verschil aan bij de identiteit van de verschillende kranten?

Om deze hoofdvragen goed te kunnen beantwoorden, heb ik een aantal deelvragen opgesteld:

  1. Hoeveel ruimte krijgt de ramp van Enschede in de kolommen?
  2. Welke genres gebruiken de kranten in hun berichtgeving over de ramp?
  3. Op welke aspecten van de ramp wordt de nadruk gelegd? (bijv. de oorzaak of de slachtoffers)
  4. Met welke snelheid neemt het aantal themapagina’s over de ramp af?

Naar aanleiding van deze deelvragen worden, zoals al eerder vermeld, in het vijfde hoofdstuk per deelvraag hypothesen opgesteld. De formulering van deze hypothesen heeft tot doel om een link te leggen tussen de identiteit van de kranten en het verschil in werkwijzes.

Hoewel de behandeling van de bovenstaande deelvragen al heel wat werk op zal leveren, neem ik, hetzij minder uitgebreid, toch het gebruik van foto’s in mijn analyse mee. Ik heb hiervoor gekozen omdat ik denk dat de verschillende kranten hierin zullen verschillen. Ook wat betreft het gebruik van foto’s zullen er per deelvraag in het vierde hoofdstuk hypothesen worden opgesteld. Ik wil de volgende deelvragen beantwoorden:

  1. Bestaat er een verschil in het plaatsen van foto’s van slachtoffers tussen de populaire en de kwaliteitskranten?
  2. Bestaat er een verschil in het gebruik van close-up foto’s tussende populaire en de kwaliteitskranten?
  3. Bestaat er een verschil in het aantal en de grootte van de foto’s van de ramp die de populaire en de kwaliteitskranten hebben geplaatst?

 

Hoofdstuk 2 Het verloop van de vuurwerkramp in Enschede

2.1 De explosies

Even voor drieën ’s middags op zaterdag 13 mei 2000 worden de inwoners van de stad Enschede opgeschrikt door een harde knal. Het lijkt op een explosie. Binnen enkele minuten wordt het de politie en de brandweer via de alarmcentrale duidelijk waar de explosie vandaan kwam: een vuurwerkopslagplaats van de vuurwerkfabriek SE Fireworks, die gevestigd is aan de Tollenstraat in de wijk Mekkelholt, staat in brand. Binnen tien minuten na de ontploffing zijn de eerste brandweerwagens op het terrein van de vuurwerkfabriek en meer eenheden zijn onderweg. De brandweerlieden ter plaatse bekijken de situatie onder belangstelling van enkele honderden toeschouwers en beginnen met het blussen van de brandhaarden.

Danny de Vries, journalist van RTV-Oost die op dat moment aanwezig was, verklaarde later in het NRC wat er vervolgens gebeurde: "Er begon vuurwerk te knallen. Het zag er mooi uit. Ik filmde. Daarna kwamen de wat grotere knallen. Er braken ruiten. We werden door de politie de straat uitgestuurd. Ik liep naar een huis waar ik in de voortuin ging staan om verder te filmen. De knallen werden harder. Ik had geen idee dat het zo uit de hand zou lopen. Er hing wel iets in de lucht, iets dreigends. Maar als ik had geweten hoe het zou gaan, was ik allang weggeweest. Ik ben eigenlijk niet zo’n held."

Kort daarop, om half vier precies, vindt de zwaarste explosie plaats. De vuurwerkopslagplaats vliegt in de lucht en het wordt plotseling donker. De enorme drukgolf die wordt veroorzaakt door de explosie verwoest honderden huizen en is tot ver in de omgeving voelbaar. Er ontstaat een enorme rookwolk boven de stad, die tientallen kilometers verderop te zien is.

2.2 De gevolgen

In totaal liepen 944 mensen verwondingen op tijdens de vuurwerkramp in Enschede en in de nacht van zondag 14 mei op maandag 15 mei na de ramp worden nog tweehonderd mensen vermist. De onzekerheid over het lot van die mensen is groot, maar in de dagen daarna melden zich steeds meer mensen en neemt het aantal vermisten steeds verder af. De maandagochtend na de ramp zijn er vijftien lijken geborgen, waaronder vier brandweerlieden en konden er drie slachtoffers worden geïdentificeerd. Uit definitieve cijfer is gebleken dat de ramp aan zeker 21 mensen het leven heeft gekost.

De schade aan de huizen is enorm. In totaal zijn er zo’n 400 huizen geheel weggevaagd en ongeveer 1000 andere huizen liepen schade op. De directe omgeving van de opslagplaats zag er volgens ooggetuigen uit als een verwoest oorlogsgebied. De schade loopt in de honderden miljoenen en woningcorporaties schatten dat de wijk de komende twee jaar niet meer kan worden bewoond.

De vuurwerkramp en de media

De Nederlandse media heeft vanaf het begin veel aandacht besteed aan de ramp. Met name de eerste dagen na de ramp lijkt het in de geschreven pers, op de radio en de televisie en op het internet nergens anders over te gaan. Slachtoffers zijn uitgebreid in beeld gebracht en er is veel aandacht besteed aan de vraag hoe de ramp ooit heeft kunnen gebeuren. Ook de verbazing over het feit dat een vuurwerkfabriek ‘zomaar’ midden in een woonwijk kon staan, heeft veel discussie doen opwaaien.

We zijn nu inmiddels negen maanden verder, maar de aandacht voor de ramp in Enschede is zeker nog niet voorbij. Veel deskundigen en niet deskundigen hebben de afgelopen maanden in de media hun licht over de oorzaak van de ramp laten schijnen, maar het blijft een feit dat die tot op de dag van vandaag nog steeds niet met zekerheid is vastgesteld. Een gevolg hiervan is dat elk nieuw detail dat met de ramp te maken heeft nog steeds op uitgebreide aandacht in de media kan rekenen.

 

Hoofdstuk 3 De identiteit en de werkwijze van de kranten

3.1 De Telegraaf

Het dagblad De Telegraaf bestaat in vergelijking met de drie andere kranten verreweg het langst. De krant werd opgericht door Henry Tindal en verscheen voor het eerst op 1 januari 1893. ‘Wat dit nieuwe dagblad ook moge tot stand brengen’, zo kondigde Tindal zijn krant aan, ‘het strekke zich bovenal tot heil van het vaderland’

In de Tweede Wereldoorlog nam De Telegraaf echter een dubieuze positie in wat betreft het behartigen van de belangen van het vaderland. De toenmalige directeur Holdert, had tijdens de Duitse bezetting maar één doel voor ogen: het voortbestaan van de krant. Dat hij daar heel ver in ging, bleek bijvoorbeeld uit het feit dat drukorders voor de Deutsche Zeitung en het antisemitische weekblad de Misthoorn grif werden aanvaard. Toch schaarde de krant zich niet geheel aan de kant van de Duitse bezetters. Vooral tijdens de eerste jaren van de bezetting werden Deutschfreundliche artikelen afgewisseld door anti-duitse berichtgeving. Dat laatste leidde meerdere malen tot boetes en wekte dikwijls de woede van de collaboratiepers op. Na de oorlog werd De Telegraaf in eerste instantie een naamsverbod van dertig jaar opgelegd vanwege zijn gedragingen in de oorlog, maar bij de Raad van Beroep werd dit vonnis in 1949 herroepen. Dit nam niet weg dat De Telegraaf nog decennia na de Tweede Wereldoorlog zijn naam als collaboratiekrant niet kwijtraakte. Pas na het verschijnen van het proefschrift ‘Niet voor publicatie’ van Rene Vos in 1988, over de berichtgeving van Nederlandse kranten tijdens de Duitse bezetting, moest algemeen erkend worden dat De Telgraaf zich in de oorlogstijd niet veel beter of slechter had gedragen dan de meeste andere dagbladen.

Volgens Free-lance journalist Theo van Stegeren is de Telegraaf van de jaren negentig zo onvoorspelbaar als zijn verslaggeverskorps heterogeen is. In zijn artikel voor Intermediair uit 1992 schrijft hij: "Op de werkvloer zijn vrijwel alle gezindten vertegenwoordigd, een enkele anarchist incluis. Boven die vloer neemt de diversiteit langzaam af. Iedere redacteur weet het te vertellen: hoe hoger op de Telegraafladder, hoe rechtser de persoon die erop staat. Dat die rechtse top zich niet geroepen voelt zijn stempel op de krant te drukken, heeft twee redenen. In de eerste plaats wil zij de traditie van neutraliteit van de krant in tact laten. De krant denkt niet christelijk, niet liberaal en niet socialistisch. Zij is van huis uit ‘niks’, heeft de daarbij horende mentale en moderne lenigheid in de genen zitten en wil dat graag zo houden. Daarbij komt dat een te rechtse koers een deel van het lezerspubliek zou afschrikken. Onder de lezers is de schakering aan partijvoorkeuren en kerklidmaatschappen zo groot, dat de krant er niet onderuit kan een beetje van alles te zijn. Prettige bijkomstigheid is de manoeuvreerruimte die dat de redactie verschaft."

Hoewel ik de officiële tekst van het redactiestatuut niet in de literatuur heb kunnen vinden, wordt die bovengenoemde neutrale invalshoek en de nadruk op het belang van het vaderland nog elke dag linksboven aan pagina drie van de krant aangeduid met de tekst: ‘Het dagblad de Telegraaf geeft onpartijdig nieuws, zonder gebonden te zijn aan enige staatskundige partij, kerkelijke richting of belangengemeenschap, uitsluitend in dienst van ’s lands belang.’

3.2 Het Algemeen Dagblad

Over de geschiedenis van het Algemeen Dagblad is niet veel literatuur verschenen. De krant verscheen onder zijn huidige naam voor het eerst op 29 april 1946 en werd aangekondigd als de voortzetting van het Dagblad van Rotterdam. Het jaar daarna had de krant een oplage van 45.000 exemplaren per dag. Echt groot was het Algemeen Dagblad nog niet als de oplage wordt vergeleken met de oplage andere landelijke dagbladen als het Vrije Volk (300.000) en Trouw (175.000) van dat zelfde jaar. In de vier decennia daarna maakte de krant echter, net als de meeste andere landelijke dagbladen in Nederland, een snelle groei door. De snelste oplagegroei deed zich voor tussen 1970 en 1975. In die periode ging de krant van 213.800 naar 309.000 exemplaren per dag. Deze groei zette zich jammer genoeg voor de krant niet door en vlakte in de jaren daarna geleidelijk aan af. In 1990 lieten de oplagecijfers zelfs voor het eerst in de geschiedenis van de krant een forse daling zien van 26.890 exemplaren per dag ten opzichte van 1985. Deze daling was vooral opvallend omdat alle andere landelijke dagbladen in die periode een licht stijging lieten zien.

Wat betreft de ideologische grondslag heeft het Algemeen Dagblad altijd verkondigd een neutrale krant te zijn. In het nieuwste redactiestatuut van de krant, geschreven in 1992, staat de volgende beginselverklaring: Het Algemeen Dagblad heeft geen binding met enige politieke partij, enig kerkgenootschap of andere maatschappelijke groepering. Het algemeen dagblad wordt in vrijzinnige geest geredigeerd vanuit de beginselen die ten grondslag liggen aan de parlementaire democratie en vanuit de beginselen van een sociaal-economische orde op basis van de ondernemingsgewijze produktie.

In de daarop volgende "uitgangspunten" is de redactionele formule vastgelegd:

Het Algemeen Dagblad is een populair, betrouwbaar, landelijk ochtendblad. Het legt zich toe op het verschaffen van nieuws, commentaar, beschouwingen en onderhoudende bijdragen in woord en beeld aan een breed lezerspubliek.

Volgens Van Dijk, de huidige hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad, is de krant scherp en journalistiek interessant. De krant gaat met zijn tijd mee. Dit uitte zich de afgelopen jaren vooral in meer kleur in de krant, het uitgeven van een magazine op zaterdag en het openen van een internetpagina.

3.3 De Volkskrant

Rond het jaar 1919 was de katholieke Arbeidersbeweging sterk in opkomst in Nederland en de behoefte aan een spreekbuis voor die beweging werd steeds groter. Om aan die behoefte te voldoen, richtten een aantal katholieke arbeidersbonden, verenigd in de Federatie der Diocesane Rooms-Katholieke Volks- en Werkliedenbonden in 1919 een krant op: de Volkskrant. De krant verscheen voor het eerst op 2 oktober van dat jaar. In het openingsartikel van die eerste verschijning, werd het al direct duidelijk welke koers de krant zou gaan varen in het verzuilde Nederland van die tijd: "De Volkskrant moet erin: zij moet gelezen worden door alle katholieke arbeiders; want zij is de vlag voor ons leger; het symbool voor onzen strijd. Laat de arbeiders liefde toonen voor hunne pers. Alle schouders eronder en het zwaarste werk wordt licht. Onze arbeiderspers zal tot uitbreiding moeten komen, omdat er zoveel te zegge valt elke dag"

De Volkskrant ging zoals de oprichters voor ogen hadden gehad een belangrijke rol spelen als spreekbuis voor de katholieke arbeidersbeweging. Na het uiteenvallen van de verzuiling in de jaren zestig is deze spreekbuisfunctie, net als bij veel voormalige richtingsbladen, op de achtergrond geraakt.

De Volkskrant beschouwt zichzelf blijkens zijn beginselverklaring als een vooruitstrevende krant, die zelfstandig haar mening wil vormen en menswaardigheid hoog in het vaandel draagt. De Volkskrant wil feiten en engagement zoveel mogelijk gescheiden houden. De feiten moeten zo eerlijk mogelijk worden weergegeven. Ze mogen niet worden verdraaid of weggelaten, als ze niet in het straatje van de krant passen. Wie dat wel doet maakt zich volgens de krant schuldig aan manipulatie. Lezers moeten de kans krijgen zelf een oordeel te vormen. In persoonlijk ondertekende artikelen of in commentaren kan de betrokkenheid van de redactie naar voren worden gebracht.

Volgens de huidige hoofdredacteur Pieter Broertjes heeft de Volkskrant altijd goed aangevoeld welke veranderingen in de lucht zaten. Van confessioneel naar seculier, van vakbondskrant naar studentenkrant, van links naar no-nonsens, van rooms-rood naar rood-paars. Broertjes: ‘Wat ons onderscheidt van anderen is dat wij medevormgever zijn van maatschappelijke vernieuwingen willen zijn. Niet vanuit een bepaalde ideologie, maar als krant die met zijn tijd meegaat. Niet modieus met elke trend die we bespeuren, maar wel met ontwikkelingen die wij positief vinden.(….) We willen een krant die de werkelijkheid beschrijft.’

3.4 Het NRC Handelsblad

Het NRC Handelsblad is de jongste van de vier dagbladen die in dit werkstuk aan de orde komen. Het dagblad verscheen voor het eerst op 1 oktober 1970 door de samenvoeging van twee liberale kranten: de Nieuwe Rotterdamse Courant en het Algemeen Handelsblad.

In de jaren na de samenvoeging in 1970 groeide het NRC Handelsblad uit tot een liberale krant, die het nieuws op een serieuze en kritische manier benadert. Deze koers werd al in 1970 aangekondigd in een commentaar getiteld ‘Onze beginselen’ In dat commentaar definieerde het NRC Handelsblad zichzelf als "modern liberaal" en onderschreef ze onder meer het volgende gedachtegoed: "De vrijheidsgedachte die wij voorstaan, verdraagt zich niet met geloof in enig dogma, aanvaardt niet bij voorbaat enig gezag. Dat betekent een niet aflatende zelfwaakzaamheid jegens onszelf, ook zelfonderzoek, want de mens is een gewenningsdier, dat moeilijk afstand doet van vertrouwde gewoontes en denkpatronen- en niets menselijks is ons vreemd." Tot op de dag van vandaag heeft de krant deze instelling niet gewijzigd. Het NRC Handelsblad ziet het als haar taak om snel en goed verslag te doen van nieuwe ontwikkelingen en gebeurtenissen die van betekenis zijn voor de lezer.

3.5 Conclusie en samenvatting

Naar aanleiding van de gevonden literatuur is het moeilijk om een helder beeld te krijgen van de werkwijze van de vier kranten. De enige informatie die beschikbaar is over de identiteit van de verschillende kranten bestaat uit beginselverklaringen, redactiestatuten en sporadische interviews met de hoofdredacteuren van de kranten. Redactiestatuten en beginselverklaringen bestaan geheel uit algemene termen als vooruitstrevendheid, zelfwaakzaamheid en neutraliteit. Interviews met hoofdredacteuren gaan in de meeste gevallen over op het moment van verschijning actuele zaken en gaan niet of nauwelijks uitgebreid in op de manier waarop kranten in de dagelijkse praktijk te werk gaan. Het blijft vaak bij kreten als een kritische instelling en vernieuwendheid. Er wordt nauwelijks gesproken over welke genres, bijvoorbeeld het nieuwsbericht, de analyse of de reportage, de kranten al dan niet hoog in het vaandel dragen. Ook over het soort nieuws dat men graag wil brengen, bijvoorbeeld emotioneel betrokken nieuws of juist zakelijk nieuws, wordt niet gesproken. Het is dan ook niet mogelijk om via de literatuur een link te leggen naar de facetten van de berichtgeving die in dit onderzoek worden onderzocht. Het enige wat nog als leidraad zou kunnen dienen is het verschil tussen kwaliteits- en populaire kranten in het algemeen. De beschikbare literatuur over dit onderwerp wordt in het volgende hoofdstuk beschreven, maar is eveneens schaars.

 

Hoofdstuk 4 Het verschil tussen kwaliteitskranten en populaire kranten

Hoewel de serieuze kranten door de jaren heen hun stijl hebben aangepast, betekent dat niet dat het traditionele onderscheid tussen de zogenaamde ‘kwaliteitsbladen’ en de populaire kranten niet meer herkenbaar is. Kwaliteitskranten schenken meer aandacht aan beleidsinformatie dan de populaire massakranten. De massakranten plaatsen op hun beurt meer human interest, praktische informatie en verstrooiing.

Vooral de landelijke dagbladen verschillen nogal van elkaar van lezerspubliek. Het verschil zit voor een groot deel in het welvaartsniveau van de lezers en opleiding speelt daarbij een belangrijke rol. De hoger opgeleiden in Nederland lezen graag een kaderkrant. Het Financiële dagblad en het NRC Handelsblad werden in 1991 het meest gelezen door mensen met een hogere opleiding. De telegraaf en het Algemeen Dagblad daarentegen scoren hoog onder de mensen met een lager inkomen. De Volkskrant neemt een middenpositie in.

Er was slechts één tekst over het onderwerp te vinden. Het lijkt wel alsof het verschil tussen beide soorten kranten en de karakteristieke eigenschappen ervan als algemeen bekend worden verondersteld, terwijl er niet of nauwelijks onderzoek naar is gedaan.

Samenvattend: volgens beschikbare literatuur zou het onderscheid tussen de kwaliteitskranten en de populaire kranten zich dus wat betreft de berichtgeving op de volgende manier moeten uiten:

Kwaliteitskranten:                                             Populaire kranten:

1. meer beleidsinformatie                                 1. meer Human interest
                                                                     2. meer praktische informatie
                                                                     3. Meer verstrooiing

Het is jammer dat de genoemde aspecten niet zijn geoperationaliseerd door de auteur,. Hierdoor is het niet helemaal duidelijk, wat precies onder human interest, praktische informatie en verstrooiing moet worden verstaan. Daarnaast lijken de genoemde verschillen nauwelijks toepasbaar op het onderwerp van dit werkstuk: de verslaggeving over de ramp in Enschede. Meer literatuur over het verschil tussen kwaliteits- en populaire kranten was helaas niet te vinden, waardoor het niet mogelijk is om op basis van uitgebreide literatuur hypothesen op te stellen.

 

Hoofdstuk 5 Operationalisatie van begrippen en formulering van hypothesen

Ondanks het gebrek aan literatuur is het mogelijk om een aantal veronderstellingen te formuleren over het verschil in de berichtgeving tussen de populaire en de kwaliteitskranten op basis van de schaarse literatuur en het gezonde verstand. Er mag niet vanzelfsprekend aangenomen worden dat deze veronderstellingen kloppen, maar ze kunnen wel getoetst worden aan de hand van de resultaten van de analyse van de berichtgeving door de vier kranten.

5.1.1 Deelvraag 1: Hoeveel ruimte krijgt de ramp van Enschede in de kolommen?

Allereerst wordt er gekeken naar de aandacht die wordt besteed aan de ramp in Enschede in de vier kranten. Het gaat hier dan om het aantal artikelen en vooral ook het aantal kolommen dat een krant aan het onderwerp besteedt.

Op een ‘doorsnee’ dag, wanneer er geen sprake is van een nationale ramp, zijn de Telegraaf en het Algemeen Dagblad over het algemeen dikker dan de Volkskrant en het NRC. Ze bevatten vaak meer advertenties en meer redactionele pagina’s. Dit laatste lijkt te duiden op een uitgebreidere berichtgeving. Als wordt uitgegaan van dit gegeven, kan de veronderstelling ontstaan dat deze beide kranten waarschijnlijk ook meer aandacht zullen besteden aan de vuurwerkramp in Enschede dan de Volkskrant en het NRC, die zich wat betreft volume van de berichtgeving doorgaans bescheidener opstellen. De hypothese die daaruit voortvloeit is:

1.De Telegraaf en het Algemeen Dagblad besteden de eerste vier dagen na de ramp meer aandacht aan de gebeurtenis dan de Volkskrant en het NRC.

De achterliggende gedachte achter deze veronderstelling is dat de beide populaire kranten vooral vlak na de ramp in Enschede waarschijnlijk meer geneigd zijn uitgebreid over het onderwerp te schrijven omdat ze willen inspelen op de sterke behoefte aan informatie over de ramp bij het grote publiek. Dit wordt vooral ondersteund door het feit dat de ramp in Enschede een nationale ramp is en dus zowel qua fysieke als emotionele afstand heel dicht bij de lezer ligt.

5.1.2 Deelvraag 2: Welke genres gebruiken de kranten in hun berichtgeving over de ramp?

In dit onderzoek wordt het gebruik van een aantal genres door de vier kranten onderzocht: het nieuwsbericht, de reportage, het interview, het achtergrondverhaal, de nieuwsanalyse en het profiel. Deze genres komen het meest voor in een krant. Bij het bekijken van de eerste vier edities van de kranten die zijn verschenen na de ramp in Enschede zal er worden gekeken naar de mate waarin de verschillende genres gebruikt worden door de kranten en naar de ruimte die zij in verhouding tot elkaar per krant innemen.

 

Het kiezen van een genre voor het schrijven van een artikel bepaalt de manier waarop het nieuws wordt opgeschreven en gepubliceerd. Als een krant het nieuws op een zakelijke manier wil brengen, is bijvoorbeeld het nieuwsbericht of achtergrondverhaal heel geschikt. Bij een meer informele benadering en verslaggeving van het nieuws kan het interview of de reportage goed worden gebruikt. Dit komt omdat bij deze genres dikwijls de mensen waar het artikel over gaat, zelf aan het woord komen. Omdat zoals eerder gezegd werd, het waarschijnlijk is dat de populaire kranten sterker geneigd zijn om aan de behoefte van het grote publiek te voldoen en de afstand tussen de krant en het publiek zo klein mogelijk wil houden, is de kans groot dat zij vaker zullen kiezen voor een informele vorm van verslaggeving. De hypothese die hieruit voortvloeit is:

2. De Telegraaf en Het Algemeen dagblad maken de eerste vier dagen na de ramp bij hun berichtgeving over de ramp meer gebruik van de reportage en het interview terwijl de Volkskrant en het NRC vaker kiezen voor het nieuwsbericht en het achtergrondverhaal.

5.1.3 Deelvraag 3 Op welke aspecten van de ramp wordt de nadruk gelegd? (bijv. de oorzaak of de slachtoffers)

In de berichtgeving van een krant over een ramp als in Enschede kunnen verschillende aspecten van de ramp worden belicht. Er kan bijvoorbeeld aandacht worden besteed aan de slachtoffers, de schade die de ramp heeft veroorzaakt, maar ook aan de vraag hoe de ramp ooit heeft kunnen gebeuren. Om te onderzoeken of kranten op dergelijke aspecten wel of geen nadruk leggen in hun berichtgeving, heb ik een aantal categorieën opgesteld:

Per artikel zal worden bekeken, waar de nadruk op wordt gelegd. Het kan voorkomen dat een artikel meerdere onderwerpen bevat, maar voor de analyse zal worden bekeken welk onderwerp in het artikel de meeste ruimte beslaat. Daarnaast zal bij twijfel gekeken worden naar de kop, omdat die vaak de essentie van een artikel aangeeft, of op zijn minst hetgene wat de redactie als belangrijkste beschouwt.

Wat betreft het verschil in de mate van berichtgeving over de verschillende onderwerpen mag verwacht worden dat de populaire kranten vaker zullen berichten over onderwerpen die dicht bij de lezer liggen en een beroep doen op de emotie. Deze veronderstelling wordt onderbouwd door de bewering van Hemels in het vorige hoofdstuk, dat populaire kranten meer human interest publiceren en kwaliteitskranten meer aandacht besteden aan beleidsinformatie. Het schrijven over slachtoffers en de hulpverlening kan in zekere mate beschouwd worden als human interest: het brengt de mensen die de ramp hebben meegemaakt dichter bij de lezer. Artikelen over bijvoorbeeld de schade die de ramp heeft aangericht en de oorzaak van de ramp, staan verder van de lezer af en zullen waarschijnlijk veel zakelijker van toon zijn. Het is dan ook te verwachten dat de Telegraaf en Het Algemeen Dagblad meer aandacht zullen besteden aan de slachtoffers van de ramp en de hulpverlening terwijl de Volkskrant en het NRC zich meer zullen richten op het schrijven over de oorzaak van de ramp en over de schade. Om deze reden kan de volgende hypothese worden opgesteld:

3. De Telegraaf en Het Algemeen Dagblad besteden de eerste vier dagen na de ramp meer aandacht aan de slachtoffers van de ramp en de hulpverlening, terwijl de Volkskrant en het NRC in de berichtgeving meer de nadruk leggen op de oorzaak van de ramp en de schade.

5.1.4 Deelvraag 4 Met welke snelheid neemt het aantal themapagina’s over de ramp af?

Ook met betrekking tot het aantal themapagina’s over de vuurwerkramp kan de theorie worden toegepast dat populaire kranten waarschijnlijk meer willen voldoen aan de wensen van de lezers. Zij zullen inspelen op de sterke behoefte aan informatie over de ramp van de lezers en daarom meer themapagina’s hebben, die uitsluitend over de ramp gaan, dan de kwaliteitskranten. Om deze reden zal, aangenomen dat de lezers de eerste vier dagen nog steeds geïnteresserd zijn in het onderwerp, vermoedelijk ook het aantal themapagina’s over de ramp gedurende de eerste vier dagen na de ramp minder snel afnemen.

De volgende hypothese luidt daarom:

4. De Telegraaf en het Algemeen dagblad hebben de eerste vier dagen na de ramp meer themapagina’s over de gebeurtenis in hun krant dan de Volkskrant en het NRC en het aantal neemt in deze kranten gedurende die dagen minder snel af dan in de Volkskrant en het NRC.

 

5.2    Het gebruik van foto’s

5.2.1  Deelvraag 1: Welke beelden tonen de foto’s?

Net zoals het kiezen voor een bepaald onderwerp of een bepaald genre in de krant, heeft de keuze van het soort foto’s die in de krant geplaatst worden, te maken met de boodschap die een krant aan zijn lezer wil over brengen. Wil men bijvoorbeeld aan de lezer laten zien (is dus niet laten lezen) dat veel mensen in Bangladesh zijn overtroffen door een overstroming en dat het leed groot is, lijkt het logisch dat een krant naar verhouding meer foto’s zal plaatsen van slachtoffers van die overstroming. Wil de krant echter voornamelijk laten zien wat de materiele schade is, dan zal de krant veel foto’s publiceren van verwoeste huizen en gebouwen. Voortbordurend op deze theorie, ontstaat de vraag of er een feitelijk verschil bestaat in de keuze voor onderwerpen van foto’s tussen populaire en kwaliteitskranten. Er van uitgaande dat populaire kranten de afstand tussen de lezer en de gebeurtenis zo klein mogelijk wil houden en de kwaliteitskranten meer hun afstand houden, kan worden verwacht dat de populaire kranten meer foto’s van slachtoffers zullen plaatsen. De hypothese met betrekking tot de ramp in Enschede die hier uit voorvloeit is:

1. De Telegraaf en het Algemeen Dagblad plaatsten de eerst vier dagen na de ramp in Enschede in verhouding meer foto’s van slachtoffers van de ramp dan de NRC en de Volkskrant.

Er kunnen natuurlijk nog meer verschillen in het gebruik van foto’s met bepaalde onderwerpen bestaan, maar vanwege de beperkte omvang van dit werkstuk zullen deze verschillen achterwege worden gelaten.

5.2.2 Deelvraag 2: Bestaat er een verschil in het gebuik van close-up foto’s tussen de populaire en de kwaliteitskranten?

Een ander verschil wat betreft het soort foto’s dat een krant plaatst, ligt in het feit of de foto van dichtbij of veraf is genomen. Als een foto van heel dichtbij wordt genomen, suggereert dat een geringe fysieke afstand tussen degene die naar de foto kijkt en het beeld op de foto. Als men er dus wederom vanuit gaat dat populaire kranten de afstand tussen de lezer en de gebeurtenis zo klein mogelijk wil houden, zullen deze kranten dus waarschijnlijk vaker kiezen voor het plaatsen van close-up foto’s. De kwaliteitskranten houden echter meer afstand tot de lezer en zullen dus waarschijnlijk minder vaak kiezen voor close-ups. De hypothese die op deze redenering van toepassing is, luidt als volgt:

2. De telegraaf en het Algemeen Dagblad plaatsten de eerste vier dagen na de ramp in verhouding meer close-up foto’s dan de NRC en de Volkskrant.

Bij dit verschijnsel is het natuurlijk belangrijk om te weten wanneer een foto wel of geen close-up is. Om dit enigszins te reguleren zijn alle foto’s die voor dit onderzoek zijn beoordeeld, bekeken door twee personen en afzonderlijk beoordeeld. Indien er sprake was van een verschil van mening, wat weinig voor kwam, is overleg gepleegd.

5.2.2 Deelvraag 3: Bestaat er een verschil in het aantal en de grootte van de foto’s van de ramp in Enschede die de populaire en de kwaliteitskranten hebben geplaatst?

De grootte van een foto zegt veel over de nadruk van die een krant op een bepaald beeld wil leggen. Een grote foto wordt nu eenmaal minder makkelijk over het hoofd gezien dan een kleine foto. Foto’s hebben de eigenschap dat ze dingen voor de toeschouwer kunnen visualiseren. De lezer van een artikel of een bepaald onderschrift bij een foto, krijgt door de foto een aanvulling op zijn voorstelling van de werkelijkheid. Foto’s hebben dus een illustratief karakter en verlevendigen de tekst. Populaire kranten hebben over het algemeen meer de neiging om het de lezer gemakkelijker te maken om de informatie in een artikel op te nemen. Uitgaande van deze redenering kan dus verwacht worden dat populaire kranten gretiger gebruik zullen maken van dit hulpmiddel om de lezer zo dicht mogelijk bij het onderwerp te betrekken en zo veel mogelijk op de emotie te werken. Er kan dus verwacht worden dat populaire kranten in verhouding meer en grotere foto’s zullen plaatsen. Om te kijken of deze bewering klopt, is de volgende hypothese opgesteld:

2. De Telegraaf en het Algemeen Dagblad plaatsen de eerste vier dagen na de ramp meer en grotere foto’s in de krant dan de NRC en de Volkskrant.

Wat betreft de grootte van de foto’s zal de ruimte in de kollommen die de krant besteed aan foto’s worden gedeeld door het aantal foto’s. De grootte van de foto’s zal dus een gemiddelde zijn.

 

6     De resultaten

6.1  De berichtgeving

Bij de beschrijving van de resultaten van het onderzoek naar zowel de berichtgeving als het gebruik van foto’s zal in dit hoofdstuk dezelfde volgorde van onderzoeksvragen worden gehanteerd als in het vorige hoofdstuk.

Om een antwoord te krijgen op deze vragen zijn de gegevens van alle artikelen en foto’s over de ramp, die de eerste vier verschijningsdagen na de ramp in de vier kranten zijn verschenen, in de computer ingevoerd met behulp van het programma Microsoft accessã . De gegevens in deze database zijn vervolgens geanalyseerd met behulp van het programma Microsoft Excelã .

6.1.1 Deelvraag 1 Hoeveel ruimte krijgt de ramp van Enschede in de kolommen?

Om antwoord te krijgen op de vraag welke kranten er de eerste vier dagen na de ramp het meeste aandacht hebben besteed aan de gebeurtenis in Enschede, is in dit onderzoek gekeken naar het aantal kolommen dat de kranten aan het onderwerp hebben besteed. Het overzicht van deze gegevens is te zien in de onderstaande tabel.

Figuur 1. Aantal kollommen berichtgeving over vuurwerkramp per krant per dag

Maandag 15-05-2000

Dinsdag 16-05-2000

Woensdag 17-05-2000

Donderdag 18-05-2000

De Volkskrant

20.1

13.7

7.8

5.85

NRC

18.1

9.05

9.35

7.65

Het Algemeen Dagblad

27.3

16.8

15.2

10.7

De Telegraaf

22.4

15.9

10.1

10.1

In de tabel is al duidelijk te zien dat de Telegraaf en het Algemeen Dagblad alle vier de dagen meer aandacht besteden aan de ramp dan de Volkskrant en het NRC. Om deze bewering te verduidelijken zijn de bovenstaande gegevens verwerkt in de onderstaande grafiek.

Figuur 2. Grafiek Aandacht ramp Enschede in de kranten

Vooral het Algemeen Dagblad lijkt uitbundig te zijn in zijn berichtgeving ten opzichte van de andere kranten, maar ook de Telegraaf besteedt over de vier dagen bekeken structureel meer kolommen aan de ramp.

Op grond van het bovenstaande kan dus worden gezegd dat in de eerste vier dagen na de ramp de populaire kranten uitgebreider zijn in hun berichtgeving dan de kwaliteitskranten. De hypothese dat de populaire kranten de eerste vier dagen na de ramp uitgebreider hebben bericht over de gebeurtenis, kan hiermee dus worden bevestigd

6.1.2 Deelvraag 2 Welke genres gebruiken de kranten in hun berichtgeving over de ramp?

Om te bekijken in welke mate de verschillende genres door de vier kranten gebruikt zijn tijdens de eerste vier dagen na de ramp, is er voor elke krant per dag een taart-diagram van de verhouding tussen de genres gemaakt. Omdat het te veel ruimte inneemt om ze allemaal in deze paragraaf weer te geven, staan ze in bijlage 1.

Het doel van deze analyse is om er achter te komen of bepaalde kranten er boven uit steken wat betreft het gebruik van een bepaald genre. Om hier inzicht in te krijgen zijn de percentages die een bepaald genre in de berichtgeving per dag innam in verhouding tot de gehele berichtgeving over de ramp bij elkaar opgeteld. Dus bijvoorbeeld:

Het nieuwsbericht nam bij de Volkskrant op maandag 25 procent in van de gehele berichtgeving over de ramp, dinsdag 33 %, woensdag 53% en donderdag 46%. Bij elkaar opgeteld komt daar een getal uit van 157%. (alle percentages bij elkaar opgeteld van alle dagen per krant is 400%, dat is dus 4x 100%).

Dit getal geeft goed de verschillen weer in het gebruik van genres tussen de verschillende kranten. Er is bewust voor gekozen om de percentages bij elkaar op te tellen en niet het aantal kollommen dat een bepaald genre beslaat. Dit is gedaan omdat juist het relatieve gebruik van de genres ten opzicht van elkaar belangrijk is voor de beantwoording van de deelvraag en niet de totale ruimte in een krant . Hierbij speelt een rol dat de kranten duidelijk van elkaar verschillen wat betreft de grootte.

In de onderstaande grafiek staan de resultaten van het optellen van de percentage scores per genre per krant.

Figuur 3 Grafiek gebruik genres in de berichtgeving

 

Het is heel duidelijk te zien dat het NRC er wat betreft het gebruik van de nieuwsanalyse duidelijk boven uitsteekt. De andere kranten maken veel minder gebruik van dit genre. Het gebruik van het nieuwsbericht verschilt tussen de kranten niet zoveel als verwacht. Het genre wordt bij allemaal heel veel gebruikt. Op grond van deze gegevens kan dan ook niet gezegd worden dat de populaire kranten bij de berichtgeving over de vuurwerkramp relatief minder gebruik hebben gemaakt van het nieuwsbericht dan de kwaliteitskranten. Wel kan worden gezegd dat de Volkskrant en het NRC in verhoudng tot andere genres minder vaak kiezen voor het gebruik van het interview. Dit komt overeen met de veronderstelling in de hypothese dat de Telegraaf en het Algemeen Dagblad in verhouding vaker zouden kiezen voor dit genre. Verrassend is het relatief frequente gebruik van de reportage door de Volkskrant. Deze uitkomst komt niet overeen met de eerder geformuleerde veronderstelling dat de NRC en de Volkskrant relatief minder vaak voor dit genre zouden kiezen.

 

6.2.2  Deelvraag 3: Op welke aspecten van de ramp wordt de nadruk gelegd? (bijv. de oorzaak of de slachtoffers)

Bij het beantwoorden van de vraag op welke aspecten van de ramp de nadruk wordt gelegd, door de verschillende kranten, is er voor gekozen om dezelfde methode te hanteren als in de vorige paragraaf. Het percentage berichtgeving dat bijvoorbeeld aan de slachtoffers op een dag werd besteed, wordt opgeteld bij de scores op dit aspect op de andere dagen. Voor de volledigheid staan echter alle taartdiagrammen van alle vier de dagen in bijlage 2. Als de scores bij elkaar opgeteld zijn en in een staafdiagram worden gezet, ontstaat het onderstaande beeld.

Figuur 4 Grafiek gebruik onderwerpen in de berichtgeving

Echt opmerkelijke verschillen zijn wat betreft de keuze van onderwerpen door de kranten niet te zien in de grafiek. Wel besteed de Telegraaf een groter aandeel van zijn berichtgeving aan het schrijven over de slachtoffers dan de rest van de kranten. Opmerkelijk genoeg, is er wat dat betreft nauwelijks verschil tussen de Volkskrant en Het NRC enerzijds en het Algemeen Dagblad anderzijds. Wat ook opvalt is dat veel van de geanalyseerde berichten in de categorie anders vallen, maar tijdens het categoriseren bleek, dat de onderwerpen in deze categorie zo divers waren, dat het vrijwel onmogelijk was om hieruit ook categorieen te benoemen.

Naar aanleiding van deze resultaten kan de hypothese die gesteld is in het vorige hoofdstuk niet worden bevestigd.

6.2.3 Deelvraag 4: Met welke snelheid neemt het aantal themapagina’s over de ramp af?

Om een antwoord te geven op de in de titel van deze paragraaf vermelde deelvraag, kan het beste worden gekeken naar de onderstaande tabel. In deze tabel staat per dag vermeld hoe veel themapagina’s elk van de vier kranten aan de ramp in Enschede heeft besteed. Er moet wel bij worden vermeld dat het helaas niet mogelijk was om informatie over het aantal themapagina’s in de Telegraaf te verkrijgen op de tweede, derde en de vierde dag, aangezien de volledige exemplaren niet meer te verkrijgen waren.

Figuur 5 Tabel aantal themapagina’s per dag per krant

Ma

Di

wo

do

De Volkskrant

4

2

1

1

NRC

4

2

2

1

Het Algemeen Dagblad

6

4

2

2

De Telegraaf

3.5

In de tabel is duidelijk te zien dat het Algemeen Dagblad de eerste vier dagen na de ramp verreweg de meeste themapagina’s aan het onderwerp heeft besteed. De Telegraaf scoort echter minder hoog dan op grond van de hypothese werd verwacht. Het heeft op maandag zelfs het minste aantal themapagina’s van alle vier de kranten. Om een beeld te krijgen van de snelheid waarmee het aantal themapagina’s de eerste vier dagen na de ramp afneemt, is de volgende grafiek opgesteld.

Figuur 6 Grafiek aantal themapagina’s per dag per krant

In de grafiek is opnieuw duidelijk het verschil te zien tussen het Algemeen Dagblad enerzijds en de Volkskrant en het NRC anderzijds. De snelheid waarmee het aantalthemapagina’s afneemt is bij de vergelijking van maandag en dinsdag echter hetzelfde. (zelfde richtingscoefficient, beide lijnen liggen evenwijdig aan elkaar). De rest van de dagen verschillen echter van elkaar. Waarbij het aantal pagina’s bij de vergelijking van dinsdag en woensdag sneller afneemt voor het Algemeen Dagblad en bij de vergelijking van woensdag laat de NRC de snelste daling zien. Over de gehele week bezien, kan worden gezegd dat het Algemeen Dagblad meer themapagina’s reserveert voor de ramp in Enschede . Dit zou dus kunnen duiden op een mogelijke bevestiging van de in het vorige hoofdstuk gestelde hypothese. Dit kan echter niet met zekerheid te zeggen aangezien de gegevens voor de Telgraaf ontbreken. Helaas kunnen er voor de andere helft van de hypothses, nl. dat bij de populaire kranten het aantal themapagina’s minder snel afneemt, geen bewijzen worden gevonden.

 

6.2 Het gebruik van foto’s

6.2.1 Deelvraag 1: Bestaat er een verschil in het plaatsen van foto’s van slachtoffers tussen de populaire en de kwaliteitskranten?

Voor de beantwoording van de eerste deelvraag, is gekeken naar het aantal foto’s in de krant in plaats van naar de ruimte die de foto’s innamen. De resultaten van de analyse van de vier kranten staan vermeldt in de volgende grafiek.

Figuur 7 aantal foto’s slachtoffers in de krant

In de grafiek is duidelijk te zien dat er een hierarchie te zien in het plaasten van foto’s van slachtoffers van de ramp in Enschede. Vooral de Telegraaf plaatse de eerst twee dagen na de ramp verreweg de meeste foto’s van slachtoffers. Het Algemeen Dagblad volgt en staat op de derde dag gelijk met De Telegraaf. Op grond van deze gegevens kan dus de hypothese worden bevestigd dat de populaire kranten de eerste vier dagen na de ramp meer foto’s van slachtoffers hebben gepubliceerd dan de kwaliteitskranten.

6.2.2 Deelvraag 2: Bestaat er een verschil in het gebruik van close-up foto’s tussen de populaire en de kwaliteitskranten?

Om te bekijken of er een verschil bestaat in de mate waarin de vier kranten gebruik maken van close-up foto’f in de kranten is per dag bekeken in welke verhouding de close-ups staan ten opzichte van de rest van de foto’s. De uitkomsten van deze analyse zijn in tabellen gezet, die te vinden zijn in bijlage drie. Naar aanleiding van deze tabellen is het niet mogelijk om duidelijk verschil in het gebruik van close-ups tussen de verschillende kranten waar te nemen. De hypothese dat populaire kranten meer close-ups van de ramp in Enschede in hun kranten plaatsten, kan dan ook niet worden bevestigd.

6.2.3 Deelvraag 3: Bestaat er een verschil in het aantal en de grootte van de foto’s van de ramp in Enschede die de populaire en de kwaliteitskranten hebben geplaatst?

Allereerst zal worden gekeken naar het aantal foto’s die de kranten hebben gepubliceerd in de eerste vier dagen na de ramp in enschede. In de onderstaande tabel staat een overzicht daarvan.

Figuur 8 Tabel aantal foto’s van de ramp in Enschede per krant per dag

Ma

Di

Wo

Do

De Volkskrant

8

5

3

2

NRC

12

8

2

1

Algemeen Dagblad

16

7

4

2

Telegraaf

31

15

5

5

Op het eerste gezicht is het echter nog niet helemaal duidelijk welke krant over de vier dagen genomen, de meeste foto’s heeft gepubliceerd. Om hier een duidelijker beeld van te krijgen, zijn de bovenstaande gegevens in een staafdiagram gezet.

Figuur 9 Aantal foto’s van de ramp in Enschede in de krant

Aan de hand van de staafdiagram is duidelijk te zien, dat de Telegraaf en het Algemeen Dagblad vooral op de maandag na de ramp aanzienlijk meer foto’s publiceerden van de ramp dan de Volkskrant en het NRC. Toch is het verschil tussen de Telegraaf en het Algemeen Dagblad groter dan verwacht.

Als het resultaat in het licht van het verschil tussen populaire en kwaliteitskranten bekeken wordt, lijkt het er desalniettemin wel op dat vooral de populaire kranten de eerste dag na de vuurwerkramp sterk hebben ingespeeld op de behoefte van het publiek aan informatie. Wat wel opvalt, is dat deze lijn niet wordt doorgezet in de dagen daarna. Op die dagen is het plaatsen van foto’s van de ramp enrom gedaald. Dit zou te maken kunnen hebben met het feit dat men er vanuit gaat dat het publiek de dag daarvoor zoveel op televisie als in de kranten al veelvuldig in aanraking is gekomen met beelden van de ramp en er daardoor niet zo veel behoefte meer aan heeft als de eerste dag. Foto’s van de ramp zijn dan geen hot-item meer, omdat er al zoveel van zijn verschenen. Een opvallend aspect dat nog even genoemd moet worden, is dat de Telegraaf op de maandag na de ramp een pagina-grootte foto van het rampgebied op de voorpagina publiceerde.

Om te kijken naar de grootte van de foto’s die in de kranten zijn gepubliceerd zal van elke krant de gemiddelde grootte van de foto’s per dag worden bekeken. Een overzicht daarvan staat in de onderstaande tabel.

Figuur 9 Grafiek gemiddelde grootte van geplaatste foto’s

Wat betreft de gemiddelde grootte van de gepubliceerde foto’s kan er aan de hand van de staafdigram niet echt een trend worden waargenomen. Wel valt op dat de Volkskrant gemiddeld wat grotere foto’s plaatst en dat het Algemeen Dagblad wat grilliger is. Aan de hand van deze informatie kan dus niet gezegd worden dat de populaire kranten de eerste vier dagen na de ramp gemiddeld grotere foto’s van de ramp hebben gepubliceerd dan de kwaliteitskranten.

 

7 Conclusie en discussie

Zoals al eerder is beschreven in hoofdstuk drie, heeft de vuurwerkramp in Enschede enorm veel aandacht gekregen van de verschillende media, waaronder de geschreven pers.. Dit geldt zowel voor de eerste dagen na de ramp als voor de periode daarna. Het kan met recht een gebeurtenis genoemd worden waar niemand in Nederland en misschien zelfs in Europa en de rest van de wereld om heen kon.

Het doel van dit werkstuk was te bekijken of de vier grootste kranten van Nederland: de Volkskrant, het NRC, het Algemeen Dagblad en de Telegraaf, verschilden in de manier waarop zij over de ramp berichtten.

Uit de analyse van de eerste vier edities van deze kranten na de ramp bleek dat er een aantal verschillen waren.

De Telegraaf en het Algemeen Dagblad schreven duidelijk meer over de ramp in Enschede dan het NRC Handelsblad en de Volkskrant. Daarnaast bleek ook dat het NRC Handelsblad als enige van de vier kranten regelmatig analyses plaatsten van gebeurtenissen die met de ramp te maken hadden. Het Algemeen Dagblad en de Telegraaf daarentegen gebruikten in verhouding tot de Volkskrant en het NRC Handelsblad veel vaker het interview. Verrassend was het feit dat de Volkskrant bij het berrichten over de ramp vaker gebruik maakte van de reportage dan de twee populaire kranten. De verwachting dat de beide populaire kranten meer ruimte zouden besteden aan de slachtoffers, werd niet bevestigd, maar de Telegraaf schreef wel aanzienlijk meer over dit onderwerp dan de andere kranten.

Het publiceren van foto’s van de ramp verschilde ook enigszins tussen de kranten. Zo bleek dat de populaire kranten meer foto’s plaatsten dan de kwaliteitskranten. Daarnaast bleek ook dat de populaire kranten vaker foto’s van slachtoffers plaatsten. Dit kan wat betreft de Telegraaf te maken hebben met het feit dat deze krant ook vaker over dit onderwerp schreef. Verrassend genoeg bleek er geen verschil te zijn in de mate waarin de populaire en de kwaliteitskranten gebruik maakten van close-up foto’s.

Samenvattend kan na de analyse van de kranten dus gezegd worden dat een aantal van de hypotheses uit hoofdstuk vier zijn bevestigd, maar een aantal ook niet.

Het jammere van dit werkstuk is denk ik dat het slechts mogelijk was om een klein aantal edities van de kranten die na de ramp zijn verschenen, te onderzoeken. Hierdoor is het moeilijk om een structureel verschil in de berichtgeving tussen de populaire en de kwaliteitskranten vast te kunnen stellen. Het was slechts mogelijk om verwachtingen die op basis van de ‘ aangenomen’ identiteit konden worden geformuleerd, te toetsen. Ik schrijf hier met opzet ‘aangenomen’ omdat er naar het verschil in berichtgeving tussen populaire en kwaliteitskranten weinig tot geen onderzoek is gedaan en de hypotheses daardoor nauwelijks door resultaten van eerder onderzoek onderbouwd konden worden.

De toetsing van hypothesen had tot doel om de link te leggen tussen de ‘aangenomen’ identiteit van de kranten en hun verwachte werkwijze enerzijds en hun werkelijke werkwijze anderzijds. Omdat er maar weinig kranten zijn onderzocht kan echter slechts het vermoeden bestaan dat de bevestiging van de hypotheses direct verband houdt met de identiteit en werkwijze van de kranten. Het toeval speelt daarvoor nog een te grote rol.

Het zou voor onze kennis over dit onderwerp heel nuttig zijn, als in de toekomst het verschil in werkwijze tussen de populaire en de kwaliteitskranten vaker en liefst over een langere periode zou worden onderzocht. Hoewel er in de samenleving wel een beeld lijkt te bestaan over dit verschil, is het niet duidelijk of dit beeld in overeenstemming is met de werkelijkheid. Wetenschappelijk onderzoek zou hier meer duidelijkheid in kunnen verschaffen.

 

Literatuurlijst

Boeken:

Becker, M. (red), ‘Massamedia tussen informatie en emotie’ Nijmegen, 1999

Es, G van et al, ‘Door onze redacteuren: NRC-handelsblad 1970-1975’, Amsterdam 1995

Gessel, H van, ‘Een beeld van een Dagblad, De Volkskrant’, Amsterdam 1990

Plasse, J. van der, Kroniek van de Nederlandse Dagbladpers, Amsterdam 1999

Teeuwen, W., Het dagblad onderscheidt zich; Redactiestatuten voor Dagbladen in Nederland en Duitsland, Maastricht 1993

Artikelen:

Deuze, M, ‘Onderzoek naar journalisten in Nederland 02’ in: De Journalist 7(2000)

Geelen, j.p., ‘Tegenstand is gezond’, in: De journalist 23 (1998)

Plasse, J. van der, ‘Een eeuw de Telegraaf deel 1’ in: De journalist 22 (1992)

Plasse, J. van der, ‘Een eeuw de Telegraaf deel 2’ in: De journalist 23 (1992)

Stegeren, Theo. Van, ‘De grillige Telegraaf’ in: Intermediar 52(1992)

 

Kranten:

De Telegraaf, maandag 15 mei 2000

Algemeen Dagblad, maandag 15 mei 2000

NRC Handelsblad, maandag 15 mei 2000

De Volkskrant, maandag 15 mei 2000

Internetpagina’s:

Http:// www.nrc.nl/ dossier Enschede

 

 

Bijlage 1 Gebruik onderwerpen in de berichtgeving donderdag 18 mei 2000

 

Bijlage 3 Gebruik foto’s in de kranten

 

 

Bijlage 4 Close-ups in de kranten

 

Terug naar boven