[Het verleden in bewegend beeld]

 

Chris Vos:
Het verleden in bewegend beeld

1. algemene inleiding

2. niveaus

3. richtlijnen bij het maken van een analyse

4. begrippenlijst

Algemene inleiding beeldanalyse

Wanneer je probeert de inhoud / betekenis / boodschap van een fragment te bepalen, hetzij met een kwantitatieve hetzij met een kwalitatieve methode, ben je bezig met een inhoudsanalyse. Het is verstandig daarbij voor ogen te houden dat er een onderscheid bestaat tussen de inherente, de bedoelde en de waargenomen boodschap/betekenis.

Chris Vos hanteert in zijn boek Het verleden in bewegend beeld. Inleiding in de analyse van audiovisueel materiaal (Houten, 1991) de volgende vier uitgangspunten ten aanzien van film- of documentaire analyse:

  • Er bestaat geen universele analysemethode voor de film of de televisie. Dit komt doordat er geen universele theorie van de film bestaat.
  • De analysemethode voor een film of televisieprogramma is afhankelijk van de vraagstelling van de onderzoeker.
  • Voor een goede analyse is kennis nodig van de (technische) werking en werkwijze van het medium.
  • Het is niet goed mogelijk een audiovisueel produkt te analyseren zonder een historische plaatsbepaling van dat product.

Bovenstaande uitgangspunten impliceren dat voor iedere analyse een eigen invalshoek moet worden gekozen. Onderstaande begrippenlijst en protocol geven slechts een uitleg van bestaande termen en zijn niet meer dan een hulpmiddel. Uiteraard dient bij elke analyse te worden aangegeven voor wie, wat en waar haar resultaten gelden.

2. Niveaus

De meeste analyses van bewegend beeld zijn in te delen op drie niveaus:

  • De analyse van de filmische of cinematografische laag
  • De analyse van de narratieve laag
  • De analyse van de symbolische of ideologische laag

Bij de analyse van de filmische of cinematografische laag wordt vooral gekeken naar de manier waarop de filmische middelen zijn gebruikt; de nadruk ligt hier op het concrete produkt. Dit kan onder meer een shotanalyse en de bestudering van de montage en het geluid omvatten.

De analyse van de narratieve laag is een nadere bestudering van het verhaal of de vertelling, waarbij de ‘narratieve-’ of vertelstructuur de aandacht opeist. Je kunt hier denken aan het opdelen van de film in sequenties, het analyseren van het plot en het bepalen van de conventies en codes die de filmmaker gebruikt.

Bij de analyse van de symbolische of ideologische laag wordt gekeken naar de wijze waarop maatschappelijke normen en waarden verwerkt en gereflecteerd worden in de film. Van belang zijn hierbij onder meer de maatschappelijke thema’s die aan de orde komen, de sociale relaties tussen de karakters en de gebruikte stereotypen.

3. Richtlijnen bij het maken van een analyse 

3.1 De algemene maatschappelijke context
3.2 De produktie
3.3 De inhoud van het verhaal
3.4 Receptie
3.5 Shot-voor-shot analyse van een sequentie
3.6 Historische bronnenkritiek
3.7 Tot slot

De bestudering van film kun je onderverdelen in vijf fasen. (Vos, p.106) Iedere fase kan geïllustreerd worden met voorbeelden van vragen die je bij het desbetreffende gebied kan stellen. De lijst is uiteraard niet compleet en kan aan de hand van de eigen probleemstelling worden aangevuld of ingekort.

3.1 De algemene maatschappelijke context

Verzamel zoveel mogelijk informatie over het politieke en culturele klimaat met betrekking tot het thema, gedurende de jaren voorafgaand aan de produktie van de film. Let daarbij vooral op aspecten die de vraagstelling van de analyse-opdracht betreffen en de inhoud van de film.

Let dus op:

mentaal / cultureel:

  • Welke problemen beheersen het tijdvak?
  • Welke strijdpunten maken deel uit van de publieke agenda?
  • Welke kenschets is te geven van het mentale klimaat?

economisch

  • Welke produktiewijze overheerst?

politiek

  • Hoe is de houding ten opzichte van massamedia in het algemeen en de audiovisuele media in het bijzonder?

In feite wordt in deze onderzoeksfase een reservoir aangelegd, waaruit in elke volgende fase geput kan worden.

3.2 De produktie

Is er informatie betreffende de produktie van de film te vinden. Wie is de maker, wat is zijn achtergrond, waarom heeft hij deze film gemaakt? Wie is de opdrachtgever en de financierder? Wie bemoeide zich met de inhoud van de film?

Let dus op:

mentaal / cultureel:
  • Individueel: welke makers, welke opdrachtgevers (o.m. biografische gegevens)?
  • Collectief: welke stijl, welke stroming, welke esthetiek?

economisch / materieel:

  • Welke organisatie kent de film- of televisieproduktie?
  • Welke beheersstructuur kent de bedrijfstak?
politiek
  • Is er directe of indirecte beinvloeding vanuit de politiek?
synopsis:
  • Hoe kwam het idee tot stand (afkomstig uit een literair medium: wie bracht het in; sluit het aan bij een van de bovenstaande algemene problemen in de samenleving?)
scenario, draaiboek / script en montage.
  • Welke versies? Welke selectie is gemaakt en door wie?

3.3 De inhoud van het verhaal

Het (historisch) verhaal zoals dat in de film verteld wordt, is vervolgens het eerste dat vastgesteld moet worden. Beschrijf de film waarvan zowel beeld, geluid en tekst onderdeel zijn in woorden. Aan de orde komen elementen uit de filmische laag, narratieve laag en de symbolische laag.

  • Wat is de inhoud van het verhaal
  • Welke historische ontwikkelingen zijn de basis van de film?
  • Welke thema’s en probleemstellingen worden behandeld?
  • Welke verteltechnieken hanteert de filmmaker (plot, dramatirgische structuur)?
  • Welke maatschappelijke problemen of thema’s vertegenwoordigt de interactie tussen de opposities?

De filmische laag

Shotanalyse:
  • Mise-en-scene: Welke filmische en geadopteerde codes / conventies (maatschappelijk codes: kleding, huizen, straatleven; medium- en genrecodes: groepering voor de camera, licht, scherptediepte, decors)?
  • Gedrag: Welke filmische en geadopteerde codes / conventies (maatschappelijke codes: beleefheidsvormen, andere interacties)?
  • Beeldmanipulatie: Welke medium – en genrecodes (beeldkadrering, camerabeweging en –standpunt)? In hoeverre is er sprake van authenticiteit (voor zover van toepassing: is de representatie historisch juist, hfst. 7)?
montage:
  • Welke codes/conventies (parallelmontage, ritme, ‘ellipsen’)?

  • Scenes en sequenties: zijn uit demontagecoderingen hogere eenheden te construeren (zie ook onder De narratieve laag)?

  • Syntagma: zijn er betekeniseenheden die niet in de klassieke shot/scene/sequentie-categorieen passen?

geluid:
  • Welke betekenis wordt aan het beeld toegevoegd (synchroon: effectgeluiden; asynschroon: commentaar of voice-over)?
  • Welke conventies / codes (klankkleur muziek, conventionele betekenis van muziek en effectgeluid)?

De narratieve laag

‘geschiedenis’:
  • Op welke algemene geschiedenis is het verhaal gebaseerd? (Begin met een chronologische rangschikking van alle verhaalelementen.)
‘verhaal’:
  • Welke thema’s en probleemstellingen worden behandeld?
  • Welke overtuigingsstrategieen worden gevolgd?
  • Welke verteltechnieken (plot, dramaturgische structurering)?
  • Wie zijn de ‘vertellers’ in deze film, of in welke narratieve mode is de film onder te brengen?

  • Welke conventies / codes bij de verhaalrangschikking (stereotiepe wendingen en afrondingen die op het genre zijn terug te voeren)?

De symbolische laag

  • Welke karakters en welke (sociale) relaties en/of opposities onderhouden die karakters?
  • Welke maatschappelijke problemen of thema’s vertegenwoordigt de interactie tussen de opposities?
  • Welke maatschappelijke stereotypen / klasseringen kan men in de karakters terugvinden?
  • Welke karakters moeten in het verhaal expliciet worden geintroduceerd en welke niet?
  • Welke tekens (zowel de narratieve als in de filmische laag) worden meer dan normaal benadrukt?

3.4 Receptie

Waar is de film vertoond en wat waren de reacties van pers en publiek?

Bestaat er een samenhang tussen het beeld dat er van de samenleving gegeven wordt en de contemporaine publieke opinie (dwz. De periode dat de film werd gemaakt?) Dus: komt de visie van de filmmaker overeen met de eigentijdse algemene bestaande opvattingen? (Vos, hfst. 4, 91-97 en hfst. 8)

Let dus op:

invloed op de publieke opinie:
  • Zijn er politieke veranderingen als gevolg van de film?
  • Zijn er in de andere media discussies naar aanleiding van de film?
  • Zijn er gegevens over de plaats die de film of het programma inneemt op de publieke ‘agenda’ (opinieonderzoeken etcetera)?
vertoningsgeschiedenis:
  • Hoeveel mensen hebben het / hem waar gezien?

  • Is er iets te zeggen over de samenstelling van het publiek?

het publieksbegrip van de film:
  • Welke ‘subculturele lezingen’zijn er te onderscheiden (vaak af te leiden uit de mediadiscussies)?
  • Welke ‘expressieve’ en ‘cognitieve’ informatie heeft de film bij welke groep overgebracht?

3.5 Shot-voor-shot analyse van een sequentie

In welke sequentie komen de antwoorden op de vraagstelling het meest duidelijk naar voren? Analyseer als bewijsvoering deze sequentie(s) op elementen beeld, geluid en commentaar. Zie als voorbeeld Vos, hfst, 1, met name p. 30-37. Maak hier een protocol van.

Welke elementen geven hierin de speciale betekenis van de sequentie? Welke elementen hebben van zichzelf geen betekenis, maar benadrukken of ontkrachten juist andere betekeniselementen? Zie ook Vos, "de filmische laag", p.107. Kijk naar het gebruik van muziek, belichting, mise-en-scene, montage, camerahoeken etc.

Aan de hand van de uitkomsten (dus vraag c1 en c2) moet het mogelijk zijn om met behulp van deze geanalyseerde sequentie een antwoord te geven op de vraagstelling. Zie ook Vos, p.14-15, 70-77.

3.6 Historische bronnenkritiek

Hoe betrouwbaar is de (historische) informatie? Komen de feiten die gegeven worden met andere historische bronnen overeen voorzover dat te achterhalen valt in de literatuur) of zitten er historische onjuistheden in? In hoeverre spelen plaats- en tijdgebondenheid een rol in het verhaal? Is het een verhaal van zijstraten of van de pleinen der geschiedenis in beeld en commentaar? (Vos, hfst. 7)

Is de film een evenwichtige geconstrueerde, weloverwogen vorm van geschiedschrijving? (Vos, hfst. 8)

In hoeverre kan deze film waarde hebben als historische bron?

3.7 Tot slot

Wat ontbreekt er volgens jou aan de historische filmanalyse die je uitgevoerd hebt? Welke aspecten zouden eigenlijk ook aan een onderzoek onderworpen moeten worden? (Vos, 103-109).

 

terug naar boven