[Paper Jelle Brandt Corstius]

1. inleiding
2. Definiëring van de termen in de vraagstelling
3. De rampen
4. Bronnenonderzoek
5. Analyse
6. Conclusie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

De angst en de hoop: sterke verhalen in de berichtgeving rond de Watersnoodramp en de Borculoramp

Een onderzoeksopzet

 

1.Inleiding

Rampen zijn er in alle soorten en maten. Zo zijn er grote rampen die ver weg plaats vinden. Dit soort rampen staan een paar dagen op de voorpagina, misschien nog een analysetje en ze zijn alweer uit de aandacht. Wie heeft het nog over de reusachtige vloedgolf die in 1998 over Papua Nieuw Guinea stroomde en tienduizend Papuanen mee terug de zee in sleurde? Dan heb je de kleine rampen dichtbij huis. Echt veel doden zijn er niet, maar ze kunnen een groot effect hebben. Zonder Enschede geen scherp vergunningenbeleid, zonder Volendam geen geïmpregneerde dennentakjes.

Maar groot of klein, ver of dichtbij, veel of weinig gevolgen, rampen hebben allemaal een ding gemeen: ze zijn nooit leuk. Rampen, en de verslaggeving rond rampen, gaan altijd gepaard met paniek, angst, paranoia, woede en haat. Mannen in witte pakken. Een brandende moskee. Een falende overheid. Een slordige cafébaas. Misschien zat er wel uranium in dat vliegtuig.

Echt lang houden mensen en kranten dit niet vol; na een tijdje is er juist behoefte aan rust, trots, orde, heldendom en liefde. De Grote Deltawerken. Mensen die uit het puin worden gered door heldhaftige reddingswerkers. Wetten worden gewijzigd, nieuwe regels worden gemaakt, oude regels worden verscherpt. Voor de gemoedsrust worden er bommen op een ander land gegooid. En tenslotte is de cirkel weer rond. Iedereen gaat over tot de orde van de dag, afgezien van een monumentje hier en een herdenkinkje daar. Het zijn deze twee zaken, grofweg de angst en de angst in de rampenverslaggeving, die in dit onderzoek centraal staan.

Kranten hebben naast een zakelijke functie van het overbrengen van informatie ook nog een andere functie. Enerzijds fungeren zij als een soort dorpspomp door te speculeren over mogelijke oorzaken en gevolgen, en maken de mensen nog banger dan ze al zijn. Anderzijds bieden zij troost en hoop in donkere tijden. Dit was goed te zien na afloop van de ramp op 11 september. De eerste krant plofte vijftien uur na de ramp op de deurmat. Echt veel nieuws was er niet te melden. Maar toch waren alle ochtendbladen binnen de kortste keren door hun oplages heen.

In de praktijk is elk krantenartikel een combinatie van zakelijke informatieverstrekking en een van de twee zaken die hierboven beschreven staan. Het is dan ook onbegonnen werk om zo’n groot gebied te onderzoeken. Daarom beperk ik mij tot de verhalen die uitsluitend deze functie hebben. En daarmee belanden we bij de hoofdvraag van mijn onderzoek:

Wat is de rol van dit soort verhalen in de rampenverslaggeving?

De term ‘verhalen’ is hier nog wat vaag geformuleerd. In paragraaf twee wordt de term nader ingevuld. Mijn onderzoek is beperkt tot de windhoos-ramp die in 1925 over Borculo raasde, en de Zeeuwse waternoodramp van 1 februari 1953. Deze rampen komen in paragraaf drie aan bod. De bronnen die zullen worden gebruikt voor het onderzoek worden in paragraaf vier behandeld.

De eerste vier paragrafen gaan over het eerste deel van het onderzoek, het definiëren van de termen in de vraagstelling en het verzamelen van bronnen. Paragraaf vijf gaat over het interpreteren van die bronnen. Tenslotte volgt er nog een conclusie in paragraaf zes.

2. Definiëring van de termen in de vraagstelling

In de inleiding is de vraagstelling al genoemd. Maar wat wordt er precies bedoeld met ‘dit soort verhalen’? Voor de duidelijkheid: wat onderzocht wordt zijn de verhalen op zich, het sujet zoals dat heet in de literatuurwetenschap. Het gaat mij dus niet om de stijl waarin het verhaal geschreven is. Eerder heb ik deze verhalen in twee groepen verdeeld: verhalen die mensen angstig maken en verhalen die mensen een zelfverzekerd gevoel geven. Op het eerste gezicht lijken deze verhalen tegenpolen. Maar er zijn ook overeenkomsten. In beide gevallen gaat het vaak om gebeurtenissen die ook bij andere rampen hebben plaatsgevonden. Sommige verhalen keren na elke ramp weer terug. De heroïsche redding van slachtoffers, complottheorieën, noem maar op. En in beide gevallen willen die verhalen wel eens niet kloppen. Dat wil niet betekenen dat elk ‘clichéverhaal’ een sterk verhaal hoeft te zijn, maar juist dit soort verhalen willen nog wel eens in de krant komen.

Sterke verhalen zijn ook te vinden buiten de rampenverslaggeving, en zelfs buiten de kranten. Ik zal daar in paragraaf vijf wat dieper op in gaan. Maar juist na een ramp duiken dit soort verhalen juist op. Dit heeft verschillende redenen. Ten eerste omdat een ramp een overzichtelijk onderwerp is om te verslaan. Vlak na een ramp is de situatie vaak moeilijk in te schatten: er is nog geen officiëel commentaar, de plek van de ramp is vaak ontoegankelijk en, als je er eenmaal bent, is het lastig om je informatie aan de krant door te geven. Dit laatste geldt in het bijzonder voor Borculo en Zeeland, toen je nog niet live in de uitzending met je videotelefoon op een rokende puinhoop kon gaan staan. Tegelijkertijd is er een enorme behoefte aan informatievoorziening. Dit maakt de verleiding om nieuws snel door te geven natuurlijk erg groot. Een klassieke fout is een verkeerde schatting van het aantal slachtoffers, die na vrijwel elke ramp te groot uitvalt. Een aantal onjuiste verhalen is dus gebaseerd op onnauwkeurige verslaggeving.

Een tweede bron van sterke verhalen neemt zijn aanvang een paar dagen nadat de ramp heeft plaatsgevonden. De ergste behoefte aan informatie is dan geledigd, een andere behoefte komt hiervoor in de plaats: Hoe heeft dit alles kunnen gebeuren? Wat zijn de gevolgen? Het is op dit tijdstip dat een tweede soort sterke verhalen aan komt zetten. Mannen in witte pakken zouden zijn gesignaleerd op de plek van de rampspoed. Mensen worden uit de puinhopen gered. Later blijken het reddingswerkers te zijn die zelf vast kwamen te zitten. Er zijn nog talloze andere voorbeelden van verhalen die niet kloppen en die na elke ramp weer opduiken.

3. De rampen

Zowel de Borculo-ramp als de watersnoodramp zijn beide natuurrampen, met het verschil dat de watersnoodramp, met een degelijk beleid, voorkomen had kunnen worden. Dit geldt niet voor de tornado die huishield in Oost-Nederland1:

"Maandag 10 augustus 1925 is een warme dag. Een graad of 25. Hoewel de barometers wat onrustig zijn, ziet het KNMI geen reden om een waarschuwing te geven. Tegen de avond ontlaadt de drukkende atmosfeer zich op een verschrikkelijke manier. Om een uur of zeven treedt eerst een angstwekkende windstilte in. Vervolgens worden de wolken zwart en wordt het pikkedonker. De temperatuur daalt ongelooflijk snel naar 15 graden. Dan komt vanuit het westen een wervelwind opzetten, die voortdurend heviger wordt. Gevolgd door ‘een windzuiging als nooit gekend’2. Het stormgeloei is oorverdovend. Minstens zoveel lawaai wordt gevormd door het kraken van huizen en bomen, het instorten van stenen gebouwen en het vallen van dakpannen. Door de lucht vliegt een grote grijze muur van water, boombladeren, dakpannen en stof. De storm gooit alles omver wat zij tegenkomt. Bliksemstralen doorklieven de lucht, terwijl de regen in een grote stroom naar beneden valt, afgewisseld door hagelstenen ter grootte van kippeneieren.

De orkaan, want daar hebben we mee te maken, duurt slechts zeven minuten. De schade is er niet minder om. Een brede strook over oostelijk Nederland is platgewalst, letterlijk omver gesmeten. (...) Het stadje Borculo, 55 km ten noordoosten van Nijmegen, lijkt het ergst getroffen. Daar zijn drie doden en 200 gewonden gevallen. Van de 5000 inwoners zijn er 2000 dakloos3."

Zowel de watersnoodramp als de tornado van Borculo spreken tot de verbeelding. Een ontploffende vuurwerkfabriek is wel erg, maar spreekt mensen niet erg aan. Als sinds er mensen in Nederland wonen worden zij geteisterd door overstromingen en stormen. En dat is de reden waarom deze rampen zo goed in mijn onderzoek passen. Ze maken deel uit van een lange traditie van natuurgeweld, het is iets dat is geworteld in de Nederlandse cultuur.

4. Bronnenonderzoek

Voor het onderzoek heb ik mij beperkt tot de geschreven pers in een periode die loopt van de dag van de ramp zelf tot twee weken erna. Dat deze verhalen bestaan heeft Kees Slager al beschreven in zijn artikel over de Watersnoodramp van 19534. " Journalisten schrijven niet alleen wat de (...) lokale autoriteiten vertellen, ze blijken ook de behoefte te hebben om drama’s nog groter te maken dan ze al zijn en heldendaden te creëren, die er niet waren." Zo bleken er in de Julianastraat van Oude Tonge niet 260, maar 65 mensen te zijn verdronken. Of soldaten die al in de rampnacht bezig zouden zijn geweest een dijkgat te dichten, terwijl ze in werkelijkheid pas twee dagen later arriveerden. Of een PTT-medewerker, die zwemmend door zijn loket weet te ontsnappen na tot op het laatste moment mensen in de polder te hebben opgebeld. De medewerker zelf deed het verhaal af als ‘onzin’.5

Als bron ligt het populaire dagblad De Telegraaf voor de hand. Naast de dagbladen heb ik gezocht naar populaire weekbladen die de actualiteit als onderwerp hebben of hadden. Dat zijn de volgende weekbladen: Gelderland in woord en beeld, Panorama (voorheen Ons Land), en Het Leven. Het zijn dit soort populaire weekbladen waarin ik verwacht dit soort verhalen aan te treffen. Omdat het mij niet gaat om de institutionele kant van het verhaal laat ik een geschiedenis van deze dag- en weekbladen hier achterwege.6

Het grote aantal bronnen heeft twee redenen. Ten eerste is de kans simpelweg groter om dit soort verhalen te vinden, ten tweede kan zo bekeken worden of deze verhalen ook op een andere plek staan, al dan niet met een iets gewijzigde inhoud. Ik verwacht niet dat het een probleem is om deze berg met literatuur door te spitten. Zoals gezegd gaat het om een beperkt aantal verhalen, die bovendien op een kwalitatieve manier worden onderzocht, een manier die niet zo arbeidsintensief is als de kwantitatieve methode.

5. Analyse

En dit brengt ons op het volgende onderwerp: wat wordt er met deze verhalen gedaan als ze eenmaal zijn verzameld? Het is de bedoeling om de verhalen te verdelen in verschillende groepen. Een verdeling zoals in de inleiding genoemd is ligt voor de hand. Over een meer gedetailleerde indeling valt pas wat te zeggen als de verhalen zijn verzameld.

Voor het interpreteren van de bronnen wil ik gebruik maken van de literatuur die ik over dit onderwerp heb bestudeerd. Deze literatuur valt grofweg in twee kampen te verdelen.

Ten eerste is er het kamp van de folkloristen. Vooral in de laatste twintig jaar is er veel gepubliceerd over folkloristische verschijnselen. Veel gaat over het traditionele folklorisme, maar er zijn ook hedendaagse folkloristen.7 Volgens folkloristen zijn sterke verhalen altijd een kopie van een verhaal dat al eerder de ronde deed. Dit ‘hergebruiken’ kan soms worden herleid tot verhalen in de middeleeuwen. Vervang de auto door een kar en voila. Wat zijn nu precies de motivaties voor dit soort verhalen? Volgens Ethel Portnoy, schrijfster van het boek Broodje aap, is angst een belangrijk element: "angst voor de wetenschap en haar ontdekkingen, angst voor vreemdelingen en hun voedsel, angst voor dood en ontbinding, angst om bedrogen of te kort gedaan te worden. (...) Weer andere verhalen gaan over manieren om iemand, of ‘het systeem’ te slim af te zijn, over voordelen behaald met klein bedrog, met de implicatie dat iedereen onbetrouwbaar is.(...) Paranoia wat de klok slaat."8

Portnoy neemt een unieke tussenpositie in tussen folkloristen en de tweede groep: de boeken met een verzameling van sterke verhalen. Deze boeken zijn anekdotisch en vaak vermakelijk, maar bieden verder geen verklaring waarom deze verhalen overal voortdurend weer opduiken. De meest vooraanstaande Nederlandstalige verzamelaars zijn Patrick Bernauw en Peter Burger.9 In haar inleiding bij Broodje aap doet Portnoy daar wel een poging toe. Wel is het duidelijk dat ze worstelt met de sterke verhalen in kranten. Terwijl ze eerst beweert dat er over dit soort geschiedenissen in de pers wordt verzwegen, en alleen mondeling worden verspreid, zegt ze later: "soms kom ik een bekende mythe tegen, vermomd als nieuwsbericht in de krant; het verbaast me altijd weer hoe deze oude strijdrossen er in slagen zich uit te geven voor echt nieuws."10

Folkloristen verklaren het bestaan van deze verhalen dus uit een angst of fascinatie voor het onbekende. Een andere, originele, en voor zover ik weet, unieke verklaring is afkomstig van de schrijver Karel van het Reve. In zijn boek Afscheid van Leiden verklaart hij het vóórkomen van dit soort verhalen door de invloed die literatuur heeft op het dagelijks bestaan.11 Volgens van het Reve verlangen mensen er voortdurend naar dat hun leven een plot, een bedoeling heeft. En voor dit doel willen mensen, dus ook journalisten, de werkelijkheid wel eens een handje helpen. Om dit toe te lichten kan ik het beste Van het Reve zelf aan het woord laten:

"In ieder mens, zou je kunnen zeggen, zit een artiest die eruit wil. Maar niet iedereen heeft het talent om artiest te zijn. De mens zit in de moeilijke positie dat hij wil vertellen over dingen die hij beleefd heeft en dat die vertelling, om aangehoord te kunnen worden, aan bepaalde eisen moet voldoen. De ‘werkelijkheid’ voldoet zelden of nooit aan die eisen. Ben je artistiek begaafd, dan kun je de ‘vorm’ van je vertelling zo maken dat iedereen naar je luistert. Maar heb je geen verteltalent, dan moet je het hebben van de ‘inhoud’, van de ‘fabel’ van je verhaal.

Niemand luistert naar je als je vertelt dat je gedroomd hebt dat je je tante verleden week in een kist zag liggen. Evenmin luistert men als je vertelt dat je tante vorige week gestorven is. Hoeveel je ook van die tante gehouden hebt, hoe tragisch haar dood ook was, haar overlijden interesseert je toehoorders niet. Maar als je vertelt dat je zondagnacht droomde dat je tante in een kist lag en dat je maandagmiddag werd opgebeld dat tante opeens gestorven was – dan kun je op onze belangstelling rekenen, want nu is je verhaal rond. (...)

Het is deze onverbiddelijke literaire ‘wet’, die eist dat een verhaal, wil het kunnen worden naverteld, een ‘plot’ moet hebben, het is deze onverbiddelijke wet die de mensen ertoe brengt verhalen te vertellen die niet waar gebeurd zijn."12

Overigens gaat deze theorie niet alleen op voor ‘sterke verhalen’, hij geldt ook voor parapsychologische verschijnselen als ‘de voorspellende droom’ en kan een verklaring zijn voor bepaalde constructies in de geschiedschrijving. Ik noem het de theorie van de ‘literaire dwang’. Leuk idee zou je denken, maar kan deze theorie ook echt gebruikt worden. Dat is een goede vraag. Voor zover ik weet is de ‘literaire dwang’ nog nooit wetenschappelijk toegepast. Dat is het manco: het is een theorie zonder bewijs, en die zijn nooit erg op populair op wetenschappelijk terrein. Het is dus nog onduidelijk of Reve’s idee bruikbaar is voor mijn onderzoek.

Een ander manco is de specifieke literatuur, literatuur die is toegespitst op sterke verhalen in de rampenverslaggeving. Die is er namelijk niet. Ik zal het moeten doen met meer algemene literatuur over sterke verhalen. Voor specifieke hulp heb ik contact gezocht met Peter Burger, die ik al eerder in dit paper heb genoemd. Burger is een fervent verzamelaar van zowel sterke verhalen als van literatuur die daarover gaat.

6. Conclusie

In mijn onderzoek zal ik mij bezig houden met de berichtgeving na afloop van de Borculo-ramp in 1925 en de watersnoodramp van 1953. Het gaat in het bijzonder om de verhalen die de bedoeling hebben mensen angstiger of juist minder angstig te maken. De bronnen die ik zal gebruiken komen uit een aantal dag- en weekbladen die in de twee weken na afloop van de ramp verschenen. Eenmaal verzameld zullen de verhalen op een kwalitatieve manier worden onderzocht. In paragraaf vier staat op welke manier die verhalen kunnen worden onderzocht. Een precieze methodologie heb ik dus nog niet.


Noten
1. Voor een uitgebreide beschrijving van de watersnoodramp zie de paper van Eva Hulscher.
2. De Gelderlander, 12 augustus 1925, pagina 2.
3. Laura Schweig, Welk een verwoesting! De cycloon van 1925 en de gevolgen voor Borculo (Groningen, 2000).
4. Kees Slager, ‘De watersnoodramp van 1953’ in: Groniek. Historisch Tijdschrift 1999 373-382.
5. Slager 381.
6. Voor een beschrijving van de hier genoemde weekbladen zie Joan Hemels en Renée Vegt, Het geïllustreerde tijdschrift in Nederland : bron van kennis en vermaak, lust voor het oog Deel I 1840-1945 (Amsterdam 1993) en Joan Hemels en Renée Vegt, Het geïllustreerde tijdschrift in Nederland : bron van kennis en vermaak, lust voor het oog Deel II 1945-1995 (Amsterdam 1997).
7. Zie bijvoorbeeld Elizabeth Bird, For enquiring minds : a cultural study of supermarket tabloids (Knoxville 1992).
8. Ethel Portnoy, Broodje aap : de folklore van de post-industriële samenleving (Amsterdam 1978) 6.
9. Patrick Bernauw, Sterke verhalen : over moderne volksverhalen, nieuwe mythen, hedendaagse sagen & legenden (Gent 1995) en Piet Burger, De wraak van de kangoeroe (Amsterdam 1992).
10. Portnoy 6, 10.
11. Karel van het Reve, Afscheid van Leiden (Amsterdam 1984) 67-100.
12. Van het Reve 77.

terug naar boven