[Paper Ole Chavannes]

voorwoord

onderzoeksvraag

medialandschap

NOS
RTL
Cameo
mythevorming hard en zacht nieuws

verantwoording

conclusie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

Journalistiek om te huilen

Een analyse van ‘tranenjournalistiek’ van NOS journaal, RTL4 nieuws en het nieuws van SBS6 tijdens de eerste 36 uur na de vuurwerkramp in Enschede

Voorwoord

Op zaterdagmiddag 13 mei 2000 ontploft om 15:30 uur de vuurwerkfabriek S.E. Fireworks in Enschede. Nederland heeft een nationale ramp. De nieuwshonger laait nationaal en internationaal op. Voor (tv-)journalistiek Nederland is de ramp nog wat groter. Veel journalisten van de omroepen zijn aan het zeilen op het Gooimeer of voor het Eurovisiesongfestival in Stockholm en prins Bernhard ligt ook weer in het ziekenhuis. En Enschede ligt ook nog eens ‘afgelegen’. Het is de ultieme test voor de slagvaardigheid van nieuwsredacties. De drie televisiejournaals op de Nederlandse buis moeten zich bewijzen.

Drie uur na de ontploffing, om half zeven, is het nieuws van SBS6 als eerste live. RTL4 nieuws onderbreekt kort daarna de reguliere programmering. De NOS komt pas viereneenhalf uur na de ramp met een live-verbinding.

Sinds de laatste grote nationale ramp (Bijlmerramp 1992) is veel veranderd in het medialandschap. De concurrentie is op de nationale markt sterk toegenomen door de komst van commerciële en regionale omroepen en ook ‘rampenzender’ CNN pikt steeds meer kijkers in. Logischerwijs worden andere journalistieke keuzes gemaakt om kijkers vast te houden. Journalistieke conventies, de basiswaarden van normen om kwalitatieve journalistiek te bedrijven, veranderen.

Mijn aanname voor dit onderzoek is: emotie verkoopt beter dan feit. De meeste journalisten zullen die stelling anno 2001 (met tegenzin) onderschrijven. De uit Amerika overgewaaide wijsheid leidt tot meer ‘tranen’ en minder ‘feiten’ in het nieuws. Want juist tranen maken iets onvoorstelbaars als een verdwenen woonwijk voelbaar. Wat ‘voelt’, boeit meer en doet minder zappen, is de filosofie.

Afgezien van de razendsnelle technische ontwikkelingen, is het ‘menselijk maken’ van nieuws volgens mij de belangrijkste journalistieke verandering van vandaag. Daarom wil ik me, in het kader van het onderzoekscollege ‘rampenjournalistiek’, in deze paper ‘Journalistiek om te huilen’, richten op de zogenaamde tranen-factor in het nieuws (meer algemeen is de human interest-factor, maar rampen leiden nu eenmaal tot verdriet).

Onder tranenjournalistiek versta ik berichtgeving die primair tot doel heeft verdriet weer te geven (en bij de kijker los te maken) en nieuwswaardigheid en feitenberichtgeving als secundair beschouwt.

Welke afwegingen maken journalisten onder hoge druk om zoveel mogelijk kijkers te trekken? Welke technieken worden gebruikt? Waar liggen de ethische grenzen van het ‘smaakvolle’? Waar ligt de balans tussen feit en emotie? Hoeveel onwaarheden worden verkondigd door het brengen van ‘zacht nieuws’? Deze vragen komen allemaal samen in de centrale onderzoeksvraag.

Onderzoeksvraag

Welke journalistieke conventies worden gehanteerd door het NOS journaal, RTL4 nieuws en het nieuws van SBS6, bij hun verslaggeving van ‘emotioneel nieuws’?

Ik onderzoek dit door de eerste 36 uur televisieverslaggeving van na de vuurwerkramp te analyseren (uit praktische overwegingen heb ik niet voor de eerste 5 dagen gekozen: bij RTL staan alleen de eerste drie dagen compleet op band en overigens is het onderzoeksmateriaal zo omvangrijk genoeg). In deze paper schets ik een beeld van het moderne medialandschap, behandel ik een studie naar mythevorming rond rampen, licht mijn onderzoeksmethode toe en stel ik drie ‘hoofdrolspelers’ voor, die in mijn referaat uitgebreider aan de orde komen.

1. Het (televisie)medialandschap

De geschiedenis van verschillende omroepen komt in een aantal papers al uitgebreid aan de orde. Om overlapping te voorkomen, schets ik daarom het huidige medialandschap en haar toekomstvisie. Het Commissariaat van de Media publiceerde in juni 2000 haar jaarverslag over 1999, met daarin een aantal visies.

Volgens het Commissariaat was 1999 in medialand het jaar van grote verschuivingen in machtsverhoudingen, opkomst van ICT en verticale integratie waarbij ondernemingen op het gebied van distributie (zoals kabelexploitant UPC) ook inhoud gaan leveren. Door voortschrijdende concentratie komt de informatievoorziening in handen van steeds grotere bedrijven. Er lijkt sprake van een toenemende commercialisering van de informatie. Het kabinet heeft daarom een ‘waakzaamheid-functie’ door het Commissariaat van de Media voor ogen. Het Commissariaat zou binnen

de groeiende mediaconcentraties de pluriformiteit en onafhankelijkheid van informatie moeten bewaken.

Sinds 1999 nam het advertentievolume voor radio- en televisie fors toe, maar sinds 11 september 2001 dalen de inkomstencijfers sterk. Wat de invloed hiervan zal zijn op het werk van de nieuwsdiensten van de omroepenis op ditmoment nog niet duidelijk. Met name landelijke publieke en commerciële omroepen hebben hiervan geprofiteerd. De lokale en regionale omroepen zijn in een moeilijke positie terecht gekomen, omdat de financiële verantwoordelijkheid voor lokale en regionale publieke omroepen bij provincies en gemeenten is komen te liggen. De onafhankelijke positie is in het geding.

Voor wat betreft de commerciële omroepen geldt dat, ondanks de toegenomen geldstromen uit reclame en sponsoring, de programmering onder druk staat, onder andere door de nieuwe ‘multimedia’-koers, die veel extra investeringen vergt. Het is de vraag of er ruimte blijft voor kwaliteitsverbetering, om vervlakking en verdere commercialisering tegen te gaan.

Het aantal commerciële toestemmingen voor televisie, radio en kabelkrant nam in 1999 opnieuw toe. Het Commissariaat verleende in 1999 74 toestemmingen. Eind 1999 zijn er in totaal 467 commerciële toestemmingen verleend. Niet alle commerciële toestemminghouders zenden ook daadwerkelijk uit, veelal omdat zij geen plek op de kabel of in de ether weten te verwerven. Momenteel zijn er 335 publieke lokale omroepen in 467 gemeenten (op een totaal van 538 gemeenten).

Het totaalbeeld van de media spits ik nu toe tot het NOS journaal, het RTL 4 nieuws en het nieuws van SBS6 (CameoMedia). Om het in de context te plaatsen begin ik vanaf de komst van de commerciële televisie, aangezien die ontwikkeling het meest relevant is voor mijn onderzoeksaanname (door concurrentie is emotie een grotere rol gaan spelen in de verslaggeving). Voor de duidelijkheid: op het moment van de ramp hebben respectievelijk Nederland 1, RTL4 en SBS6 gemiddeld een marktaandeel van 17%, 12% en 11 %. Hoeveel kijkers expliciet de journaals onderling hebben is onbekend.

NOS

Op 14 mei, de dag na de vuurwerkramp, tjirpen de krekels van NRC Handelsblad op de voorpagina: ‘NOS te Laat’ – een subtiele verwijzing naar de trage reactie van de NOS op de vuurwerkramp. De NOS heeft inmiddels een betere infrastructuur opgezet voor dit soort calamiteiten en sindsdien worden reguliere uitzendingen ook sneller verbroken voor ‘groot nieuws’ (Volendam, WTC).

Op 2 oktober 1989 vindt de eerste uitzending plaats van NOS Laat (later NOVA samen met de VARA). De reden om de actualiteitsrubriek te starten is de komst van RTL-Véronique, wat cynisch genoeg ook het eerste nieuwsitem van NOS Laat is. Het Commissariaat voor de Media geeft dan voor het eerst toestemming aan kabelexploitanten, om een signaal door te geven van commerciële

stations van buitenlandse herkomst. Bovendien moet dat station in het land van herkomst een uitzendvergunning hebben en via de ether uitzenden. Met de komst van commerciële omroepen verdwijnt een kwart van de NOS-journalisten naar RTL en ook de kijkcijfers van het NOS journaal dalen flink.

Als tegenzet kiest het NOS journaal voor uitbreiding en spreiding over drie netten. Het kijkersverlies door RTL wordt zo enigszins gecompenseerd. In 1996 verandert het NOS journaal weer haar koers, door meer differentiatie te maken in lengte van de verschillende items (veel nieuws wordt kort weergegeven in het blokje ‘kort nieuws’) en de inhoud van verschillende bulletins af te stemmen op het meest recente nieuwsaanbod.

Ook de inhoudelijke verhoudingen verschuiven. Oud-NOS-beleidsadviseur Bardoel onderzocht die verhoudingen en kwam tot de volgende verdeling: ‘binnenlands’ en ‘buitenlands’ nieuws; 3:2 en ‘hard’ en ‘zacht’ nieuws; 4:1. Ik zal trachten te onderzoeken of dezelfde ‘hard-zacht’ verhouding opgaat tijdens de Enschede-verslaggeving.

Hoe gaat de NOS verder? De toekomstvisie van de publieke omroeporganisatie liegt er niet om. Vorig jaar werd het zogenaamde concessiebeleidsplan (CBP) bekend gemaakt, samen met de nieuwe netverdeling:

" De Tweede Kamer heeft in een motie vastgelegd dat de

publieke omroep primair gericht moet zijn op een kwalitatief hoogstaande programmering en secundair op een groot publieksbereik. Hier wordt een wezenlijk verschil tussen publieke en commerciële omroepen aangeduid. Het is de intentie waarmee programma’s gemaakt worden, alhoewel het ook ons doel en taak is een zo groot mogelijk publiek te bereiken. Zonder publiek opereren wij in een leeg theater en ontvalt op den duur de legitimiteit aan de publieke omroep en verdwijnt de rol die hij wil spelen. Onder de huidige concurrentieverhoudingen streven wij dan ook naar een marktaandeel van 40% en een bereik van 85% (per week tenminste één kwartier gekeken). Het is een pittige taakstelling, dat beseffen we, maar wij handhaven en omarmen deze ambitie."

De NOS maakt nu nieuws- en sportprogramma's op radio, televisie, teletekst en internet met zo’n 400 journalisten, samen jaarlijks goed voor ruim 2000 uur televisie en ruim 4000 uur radio. Kijkers riepen in 1999 het NOS journaal uit tot ‘het beste programma van de eeuw’. Maar de late reactie van de NOS op de vuurwerkramp stemt tot nadenken.

RTL

De kernfilosofie van RTL is de horizontale programmering. Dit betekent dat bepaalde (soorten) programma's iedere dag zoveel mogelijk op dezelfde tijdstippen worden uitgezonden. Door dit systeem is het voor de kijker eenvoudiger te herkennen, welk programma er wordt uitgezonden. RTL maakt onderdeel uit van de Holland Media Groep.

De RTL4 nieuwsredactie is half zo groot als de NOS redactie en de salarissen liggen ook lager. Desalniettemin reageerde RTL sneller en kwam met een doorwrochter programma. In een Volkskrantinterview zegt RTLnieuws hoofdredacteur Harm Taselaar: "Het blijft merkwaardig dat een ramp van een dergelijke omvang zo laat is opgepakt. Wij hebben geprobeerd, 's middags al, om mensen uit de getroffen wijk te bellen, maar die namen niet op. De autoriteiten - als ze al opnamen - smeten meteen de hoorn erop. Dat waren voor ons signalen dat er meer aan de hand was. (…) We hebben een rampenplan, maar hoe het er exact uitziet: ik zou het niet weten. Het zit vooral in ons hoofd."

Cameo

Het nieuws van SBS6 startte in augustus 1997. Cameo Media gaat prat op de ‘menselijke kant’ van haar programma’s (in het bijzonder met ‘Hart van Nederland’). Op de website van Cameo Media meldt de adjunct hoofdredacteur van Hart van Nederland, Peter Brinkman dan ook vol trots en diepzinnigheid: "Wij maken Hart van Nederland met ons hart."

De kernactiviteit van Cameo Media is het creëren van ‘infotainment’ voor alle media, bedoeld voor een zo groot mogelijk publiek. De naam van mediaproducent Cameo Media is afgeleid van de Amerikaanse film- en televisieterm "Cameo Appearance". Hiermee wordt een onaangekondigde verschijning van een (bekend) persoon bedoeld in een film of in een televisieserie.

De nieuwsprogramma’s van Cameo Media maken alleen gebruik van freelance camera-teams in het hele land, waardoor ze flexibeler en sneller nieuws kunnen brengen. Cameo is de exponent van een nieuwe generatie productiemaatschappijen in Nederland. Het is de eerste onafhankelijke nieuwsproducent in Nederland.

Cameo pretendeert ‘nieuws van de mensen’ te brengen. Het zou breken met de traditie dat echt nieuws niet uit Nederland zou komen, of alleen maar uit Den Haag. Daarom worden kijkers opgeroepen nieuws te melden via de ‘tiplijn’. Cameo Media zet haar doelstellingen uiteen: "We behandelen het nieuws dat van mensen zelf is, op een journalistiek eerlijke manier en zenden het uit, niet voor onze eigen parochie of omdat we ons verplicht voelen de autoriteiten aan het woord te laten, maar omdat we vinden dat u geïnformeerd moet worden over de dingen die bij u in de buurt gebeuren."

 

Opvallend is dat geen enkele nieuwszender expliciet zegt human interest te brengen, terwijl ze alle drie geregeld ‘tranenjournalistiek’ laten zien. Afgezien daarvan, moet tot slot gesteld worden dat naast de ontwikkelingen van deze drie journaals, televisienieuws sterk aan het veranderen is door internet-nieuws (met steeds meer ‘streaming video’s’) en particuliere ‘handycam’-inbreng. Het feit dat de meest opzienbarende beelden van de Enschederamp (‘de explosie’) van Danny de Vries waren, werkzaam bij TV Oost, maar opgenomen met een simpele videocamera, bewijst deze ontwikkeling.

2. Mythevorming rond rampen

‘Bij rampen komt de ergste kant van de mens naar boven’ is een bekende veronderstelling. Burgemeester Mans liet het rampgebied al om 20:00 uur ’s avonds afsluiten door politie en leger, om plunderingen te voorkomen. Maar was daar een goede aanleiding voor?

De Amerikaanse socioloog Henry W. Fischer onderzocht in 1998 Amerikaanse verslaggeving van rampen. Hij constateerde dat rond rampen veel onwaarheden door slachtoffers, overheid en media worden verkondigd. Fischer noemt dit de ‘Disaster Mythology’-theorie. Hij zet zich af tegen het beeld dat bij een ramp (van technische of natuurlijke aard) mensen altijd in blinde paniek vluchten, door louter dierlijke instincten worden gedreven en plunderingen plaats vinden. Dit alles ontkracht hij met een uitgebreid onderzoek. Bij de 275 rampen van de afgelopen 50 jaar (tornado’s,

kerncentrales-ongelukken etc.) die Fischer onderzocht ging veel minder fout dan uit kranten en televisiebeelden zou blijken. Hij interviewde slachtoffers en overheden en onderzocht de correctheid van de gemelde calamiteiten rond rampen, verkondigd door kranten- en televisieberichten. Slechts in een geval bleek een plunderaar opgepakt te zijn (terwijl bij vrijwel iedere ramp melding van dreiging van plundering is). Ook het idee dat doden allerlei ziekten verspreiden (zoals na de aardbeving in Turkije in augustus 1999 werd gemeld) is gebaseerd op een mythe. Medici van de World Health Organisation (WHO) van de VN stellen dat lijken vrijwel geen gevaar vormen voor de gezondheid; het

zijn juist levende mensen die ziekten verspreiden.Waar komen deze verhalen vandaan?

Mensen raken wel in paniek tijdens en na een ramp, maar er wordt ook juist rationeel en constructief gereageerd. In de praktijk blijken mensen juist meer samen te werken, zich socialer en flexibeler te gedragen en minder snel in paniek te raken, als wordt gedacht.

De beeldvorming rond rampen is hardnekkig. Hollywoodfilms dragen sterk bij aan dit beeld, maar ook journalisten rapporteren vaak snel over ‘mogelijke plunderingen’ en slachtoffers die allemaal in een psychische shock zijn geraakt en tot niets meer in staat zijn. Ook dat ontkracht Fischer. Een echte shock betekent dat iemand niet meer kan functioneren en bewusteloos raakt. De gevolgen na een ramp zijn vreselijk en voor de korte en lange termijn zeker traumatisch, maar het dierlijke, chaotische en egoïstische gedrag, berust op een mythe. Over de gevolgen op termijn bestaat vaak ook een verkeerd beeld. De veronderstelling is meestal dat het gewone leven na een paar weken ‘noodhulp’ weer opgepakt kan worden, terwijl in werkelijkheid de gevolgen nog jaren slachtoffers parten spelen.

Ook tijdens de verslaggeving van Enschede meldde onder andere het nieuws van SBS6 al een paar uur na de ramp dat er voor plunderingen en massaal rampentoerisme werd gevreesd. Uiteindelijk is van geen enkele plundering melding gemaakt.

Hard en zacht nieuws

Fischer maakt een duidelijk onderscheid tussen ‘hard’ en ‘zacht’ nieuws. Hard nieuws bevat feiten, technische informatie en analyses door deskundigen. Zacht nieuws bestaat uit interviews met slachtoffers, lokale overheden en dramatische beelden (met voice-over en/of muziek). Hij stelt dat bij 23 % van het ‘harde’ nieuws bij een technische ramp onwaarheden (zoals foute percentages of voorspellingen) bevat, terwijl ‘zacht’ nieuws in 71 % van de gevallen onwaarheden bevat (bij natuurlijke rampen komen nog meer onwaarheden voor in de berichtgeving dan bij technische

rampen, omdat bij technische rampen meestal meer op de oorzaken wordt ingegaan door de media). Wel dient opgemerkt te worden dat Fischer zich op Amerikaanse verslaggeving van rampen baseert en de Nederlandse journalistiek (nog) niet op deze wijze is onderzocht.

De druk op de media om veel nieuws te ‘produceren’ is het hoogst tijdens een nationale ramp. Voor een doordachte nieuwsselectie, discussie over ethische afwegingen en extra onderzoek is geen tijd. In dat licht kunnen veel ‘fouten’ verklaard worden. Maar beeldvorming over wat bij een ramp voorvalt, beïnvloedt de nieuwskeuze ook sterk.

Voor mijn onderzoek zal ik sterk rekening houden met deze gegevens, maar zo’n soort kwantitatief onderzoek als dit kan ik niet doen. Wel kan ik de berichtgeving over astbest en plunderingen nu beter in de context plaatsen.

3. Verantwoording onderzoeksmateriaal

Het analyseren van televisiebeelden vereist technieken die ik nog niet ken. Desalniettemin heb ik wel mijn onderzoeksmateriaal nu compleet. Op de Avalon-site staan in totaal enorm veel korte en lange fragmenten van het NOS-journaal (tevens Netwerk en NOVA, maar die zal ik niet gebruiken), met in totaal ongeveer 30 minuten beeldmateriaal per dag. Helaas zijn de tijdstippen van uitzending niet aanwezig (maar soms kan ik dat uit de context wel opmaken). Van SBS6 zijn twee videobanden aanwezig, waarvan een voor mij nuttig is (de andere gaat over ‘een week later’) maar ook hier geldt: geen tijdsaanduidingen, herhalingen en halve fragmenten (in totaal ongeveer 45 minuten). Ik richt me daarom alleen op een soort kwalitatieve benadering en ga niet een strakke chronologische

indeling maken, omdat het beeldmateriaal daarvoor te versnipperd is. Bij RTL heb ik in Hilversum 24 banden gescand van de eerste drie dagen en daarbij wel alle tijden genoteerd (ongeveer 100 minuten). Deze ga ik met elkaar vergelijken, door middel van het beeldenanalyse-protocol.

Door een shot-voor-shot analyse van alle sequenties hoop ik antwoorden te vinden op toegepaste technieken van verschillende omroepen te kunnen onderscheiden.

Inhoudelijk is meer te zeggen over de fragmenten. Journalisten maken duidelijke ethische keuzes door vraagstelling, keuze geïnterviewde, eigen opstelling, interactie, themakeuze, stijl en camerastanden. De journalisten Marieke deVries (SBS6), Peter van der Maat (RTL) en Pauline Broekema (NOS) waren als eersten van hun station ‘on air’ en uit de beeldanalyse zal naar voren komen, hoe zij journalistiek hun keuzes hebben gemaakt.

Helaas zal ik alleen beelden van het NOS journaal direct kunnen integreren in mijn essay op het web (met aanklikbare hperlinks).

Conclusie

Met in het achterhoofd de sterk veranderende journalistieke conventies, onder druk van groeiende concurrentie en technische vooruitgang, waardoor snelheid en multimediatoepassingen een steeds grotere rol gaan spelen, zal ik trachten een helder beeld te krijgen van de invulling van de human interest –factor door de journalist van vandaag.

Tevens hoop ik aan te tonen dat er sprake is geweest van mythevorming rond de vuurwerkramp, door (zogenaamde) feiten te vergelijken met elkaar en met wat we nu weten. Door beeldanalyse toe te passen op in totaal ongeveer 235 minuten, waarvan veel ‘tranenjournalistiek’ hoop ik tot een duidelijk antwoord op mijn centrale onderzoeksvraag te komen.

Literatuurlijst

Bardoel, Jo, Journalistiek in de informatiesamenleving (Den Haag 1997).
Fischer, Henry W., Response to disaster, fact versus fiction & its perpetuation –the sociology of Disaster (New York
1998).
Frost, Chris, Media Ethics and self-regulation (Singapore 2000).
Internet:
www.cameomedia.nl
www.nos.nl
www.nrc.nl/dossierenschede
www.rtl.nl
www.persdatabank.nl
www.volkskrant.nl
N.B. ik heb veel meer literatuur, maar heb deze nog niet gebruikt voor het schrijven van deze paper. Wel zal ik de
volgende lijst titels waarschijnlijk gebruiken voor mijn referaat (deels) en eindwerkstuk.
Becker, Marcel J., Massamedia tussen informatie en emotie (Nijmegen 1999).
Gunter, Barrie, Media research methods (London 2000).
Groenhuijsen, Charles en Liempt, Ad van, Live! Macht, missers en meningen van de nieuwsmakers op tv (Den Haag
1995).
Leurdijk, Andra, Televisiejournalistiek – over de multiculturele samenleving (Amsterdam 1997).
Peter Vastman, Mediahype: nieuws maken door de opwinding te verslaan (Utrecht 1999).
Wijfjes, Huub, Omroep in Nederland, vijfenzeventig jaar medium en maatschappij 1919-1994 (Zwolle 1994).
Willink, Tjeenk, Crises in het nieuws (Alphen aan de Rijn 1997).
Wilson, John, Understanding journalism, a guide to issues (London 1996).
Zillmann, Dolf, Media Entertainment, the psychology of its appeal (London 2000).
Verschillende artikelen uit de Journalist, Volkskrant en Vrij Nederland en websites.

 

 

 


noten

 

terug naar boven