[Paper Eva Hulscher]

1. inleiding

2. media, samenleving en overheid
2.1 ontwikkeling
2.2 verklaring onderzoekskeuze

3. van Algemeen Handelsblad naar NRC Handelsblad

4.de rampen
4.1 de watersnoodramp

4.2 de treinramp
4.3 de Enschederamp

5. Verantwoording
5.1 crisisberichtgeving
5.2 schuld en verantwoordelijkheid
5.3 omvang rampen
5.4 tijd tussen de rampen
5.5 de krant
5.6 het hoe

6. Conclusie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Verantwoordelijkheid en schuld: 'dit had nooit mogen gebeuren' 

Hoofdstuk 1: inleiding

Een ramp overrompelt, lijkt te komen, te zien en te overwinnen. De Nederlandse geschiedenis behelst tientallen rampen. In 1953 werden springtij en storm een groot aantal mensen fataal. In 1976 botsten twee treinen op elkaar op eën van de drukste spoorwegtrajecten. Vorig jaar ontplofte een vuurwerkfabriek waardoor een hele woonwijk werd weggevaagd.

De schrik, de boosheid en het verdriet vieren bij alle rampen hoogtij. Deze gevoelens worden gevoed door de nabijheid en dus de herkenning, het onverwachtse, de doden en gewonden, en ook door de media-aandacht. Zij bepalen de focus door aandacht aan de slachtoffers te besteden of juist aan autoriteiten, zij laten schokkende beelden zien of vertellen ontroerende verhalen. Zij bepalen mede het blikveld van de kijkers, lezers en luisteraars; of dit nu burgers of politici zijn.

Vandaar een onderzoek naar rampenjournalistiek. Er zijn tientallen aspecten te onderzoeken op dit terrein. Ik zal mij richten op de mate waarin de schuldvraag na de drie bovenstaande rampen werd gesteld en wel door het NRC Handelsblad. Ik zal eerst een beeld schetsen van de ontwikkeling in de verhoudingen tussen media, samenleving en overheid vanaf de jaren vijftig. Daarna geef ik de ontwikkeling van het NRC Handelsblad zelf weer. Vervolgens zal ik een beschrijving geven van de drie te onderzoeken rampen. In het vijfde hoofdstuk motiveer ik mijn onderzoekskeuze en zal ik deze ook verantwoorden. Ik zal eindigen met de conclusie over het onderzoek.

Hoofdstuk 2: Media, samenleving en overheid: de ontwikkeling vanaf de jaren vijftig

2.1 de ontwikkeling

Na de Tweede Wereldoorlog keerden in Nederland de vooroorlogse structuren terug. De jaren vijftig werden dan ook gekenmerkt door de verzuiling. De zuilen waren compleet van elkaar geïsoleerd: een katholiek ging niet met een socialist om en andersom. De eenheid in het land werd bewerkstelligd aan de top van de zuilen. De leiders werkten samen, overlegden en kwamen tot compromissen. De elites regeerden met grote geheimhouding. Henk Hofland schreef in zijn boek Tegels Lichten dat ‘de handhaving van een notabele opvatting van fatsoen belangrijker wordt gevonden dan het bekendmaken van wat er werkelijk is gebeurd. Dat is nationale politiek. Het bewaren van de beslotenheid van het bestel weegt zwaarder dan het belang van politieke verschillen die binnen dit systeem te vinden zijn’.1

De cultuur van het volk werd gekenmerkt door lijdelijkheid, volgzaamheid en passiviteit. De gewone man betracht ‘eerbied, onderdanigheid en nederigheid (..) tegenover zijn meerderen’2. En ook de pers was in het web van de verzuiling verstrengeld geraakt. ‘De meeste nationale kranten waren vrij nauw door organisatorische, ideologische of persoonlijke banden aan de zuilen gebonden, en de pers speelde misschien wel de belangrijkste rol in de geheimhouding van de gang van zaken bij de pacificatiepolitiek.’3 Hofland gaf in 1989 in het NRC Handelsblad een treffende omschrijving van de houding van de pers in de jaren vijftig: ‘Tot het einde van de jaren vijftig is de Nederlandse pers in veel hoger mate aandeelhouder in de gevestigde politieke belangen van de Nederlandse orde geweest dan in overeenstemming was met de onafhankelijkheid die ze zich zelf toeschreef.’4

De pers was dus nooit echt onafhankelijk door de druk van het Nederlandse fatsoen. Toch heerste er volop verontwaardiging bij de pers over de beperkte rol die de overheid voor haar zag weggelegd. Het aantal overheidsvoorlichters nam in enorm tempo toe, om de pers slechts de wenselijke informatie te verschaffen. Er kwam in 1949 een wetsvoorstel tot stand waarin het tuchtrecht voor journalisten vastgelegd zou moeten worden. Bovendien pleitte de minister van Onderwijs, Kunsten en Welzijn Rutten in 1952 voor een erecode waaraan journalisten zich hadden te houden. Premier Drees liet meerdere malen blijken de pers maar een lastig fenomeen te vinden. De overheid wilde geheimhouding en wantrouwde de gravers van de pers derhalve voortdurend. Zoals Hofland het stelde: (..) ‘er wordt gewichtig gescharreld met de feiten, en als dat niet helpt raakt het Bestel vervuld van diepe haat tegen de onthullers van de waarheid.’5

Dit alles bracht de hoofdredacteuren ertoe de Sectie Hoofdredacteuren bij de FNJ op te richten op 30 maart 1953. De hoofdredacteuren zagen het als ‘een voortdurende plicht om bij de overheid inzicht in de maatschappelijke taak van de pers te kweken’. De betrekkingen tussen pers en overheid ‘moesten niet op reglementering, doch op vertrouwen over en weer worden gegrondvest6. De pers was verzuild en de sectie Hoofdredacteuren deed er alles aan om te laten zien dat de journalisten verantwoordelijke staatsburgers waren en dat ze handelden in het algemeen belang. De houding van de pers was dus zeer dubbel. Ze schreeuwde enerzijds moord en brand wanneer ze vond dat politici haar een te kleine rol toebedeelden, maar anderzijds koesterde zij als geen ander de rol van consensusbewaker. Vrijheid in verantwoordelijkheid7 was de leus.

De journalisten namen veel te weinig vrijheid en droegen een verantwoordelijkheid die niet aan hen was om te dragen. De pers deed aan zelfcensuur en wilde niks liever dan de consensus in de maatschappij bewaren. Denk even terug aan de veel besproken Greet Hofmans-affaire uit 1956, waarover het Duitse blad Der Spiegel berichtte en wat door de Nederlandse pers als zeer onfatsoenlijk betiteld werd. Over problemen binnen het koningshuis hoorde men niet te schrijven. Ook bij de berichtgeving over de Watersnoodramp werd deze terughoudende houding van de pers zichtbaar. Herman Besselaar, destijds verslaggever bij het Algemeen Handelsblad, vertelde over zijn journalistieke houding ten opzichte van de burgemeesters in die tijd: ‘en dat ik misschien niet zo kritisch was...kijk, ik verloor nooit uit het oog dat ik converseerde met de eerste burger, een vooraanstaand man die op de hoogte was. In mijn ogen bracht dat een bepaald gedrag met zich mee. Bovendien: deze mensen deden hun best. En als ze eens vergissingen maakten…och, dan doen we allemaal en dan komt dat ook niet gelijk in de krant (..)Vroeger was men nog fatsoenlijk meneer.'8

Vanwaar dan die behoefte aan consensus, waarom gedroeg de pers zich niet als bewaker van de democratie, als luizen in de pels? Een veel gehoorde verklaring is dat Nederland nog in opbouw was na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog. Een sterke consensus werd wenselijk geacht om te wederopbouw te kunnen voltooien. Wie was de pers om daar afbreuk aan te doen? Zoals Paul Koedijk het verwoordde: ‘Iedere aantasting van het symbool kon (..) gelden als een bedreiging van de noodzakelijke eensgezindheid.’9

Pas halverwege de jaren vijftig begon hier verandering in te komen. Veel politieke en maatschappelijke zekerheden waar de consensusmaatschappij op gevestigd was vielen weg.

In 1958 viel het kabinet Drees, de Koude Oorlog bleek niet een kwestie van zwart-wit (communist of niet) en er was een grote dreiging van een atoomoorlog. Bovendien leverde de televisie inmiddels een geduchte concurrent voor de geschreven pers op en dwong haar in een andere rol. Verder trad in de jaren zestig de ontzuiling in die langzaam maar zeker de hele samenleving herstructureerde.10 De pers raakte los van levensbeschouwelijke structuren, ze maakte zich los van de zuil en dus ook van de politieke partijorganisatie. Er kwam ruimte voor een onafhankelijke blik in plaats van de wereld te beschouwen vanuit het oogpunt van de zuilen.

Er ontstond een nieuwe journalistieke cultuur. Journalisten schiepen steeds meer afstand tussen zichzelf en het gezag om kritiek te kunnen leveren. De pers ging het gezag voortdurend controleren en waakte voor beschadiging van het publieke belang. Niet de wil van het gezag was meer bepalend, maar termen als nieuwswaarde deden hun intrede. Bovendien onderging de journalistiek een sterke professionalisering. Zo kwam er een roep om een beroepsopleiding die uiteindelijk met de School van Journalistiek in Utrecht in 1966 verhoord werd. Binnen de nieuwsorganisaties ging men werken met redactiestatuten om de invloed van de redactie te verzekeren. Door de toenemende concurrentie moesten media steeds meer strijden om de aandacht van de nieuwsconsument. Journalisten gingen meer en meer zelf op onderzoek uit, op zoek naar crises en affaires.

2.2 naar een verklaring voor de onderzoekskeuze

Deze ontwikkeling heeft zich steeds verder voortgezet. De concurrentie is nog verder toegenomen. Kranten leveren strijd met de televisie en op de televisie beginnen steeds meer zenders hun eigen nieuwsrubrieken. Het draait steeds meer om snelheid, onmiddellijkheid en nieuwswaarde. De ene mediahype na de andere lijkt te worden gecreëerd Grote ingewikkelde gebeurtenissen worden teruggebracht tot een simpel houvast, een symbool of kreet (denk aan ‘aanval op Amerika’). Bovendien worden termen als affaire, crises en rellen tegenwoordig al snel aan gebeurtenissen verbonden (denk aan de Melkert-affaire).

Door de komst van internet is de noodzaak ontstaan het nieuws constant te vernieuwen. De 24-uurs cyclus van de nieuwsconsumptie bestaat niet meer. Naast RTL5 komt er nu ook een publieke nieuwszender die dag en nacht uitzendt. De klok rond in zo’n klein landje lijkt de noodzaak van mediahypes alleen maar te vergroten. Deze hypes zijn niet alleen gebeurtenissen die als crisis worden bestempeld, ze concentreren zich ook vaak rond de schuldvraag. Alles wordt op alles gezet om bij rampen en crises een schuldige aan te wijzen. Media hebben zich (eindelijk?) ontwikkeld tot bewaker van de democratie, tot luizen in de pels. Ze hebben zich losgetrokken van het gezag en roepen het ter verantwoording. Hoe kon die ramp gebeuren en wiens verantwoordelijke bloed moet vloeien? Een vraag die steeds meer gesteld lijkt te worden.

Vandaar ook dit onderzoek. De Nederlandse journalistiek lijkt zo veranderd in vergelijking met vijftig jaar geleden. Waar de critici zich toen richtten op de volgzaamheid van de pers, is nu kritiek te horen op de sensatiebelustheid van de pers, het overcreëren van mediahypes, de kleedkamerjournalistiek: het spelen op de man in plaats van op de bal. De kritiek richt zich op het zoeken en eisen door de media van politieke slachtoffers in geval van rampen. Is de journalistiek nu echt zo veranderd? Durft ze nu de schuldvraag te stellen waar ze dat vroeger niet durfde? Dat is wat ik ga onderzoeken:

In hoeverre stelde het NRC Handelsblad (voor 1970 het Algemeen Handelsblad) de schuldvraag na respectievelijk de Watersnoodramp, de treinramp bij Schiedam en de Enschederamp?

Door wat ik tot nu toe heb gelezen, ben ik tot een stelling gekomen van waaruit ik het onderzoek verder zal verrichten:

Het NRC Handelsblad stelde bij de recentere rampen meer de schuldvraag dan daarvoor.

 

Hoofdstuk 3 Van Algemeen Handelsblad naar het NRC Handelsblad

Het Algemeen Handelsblad wordt in 1828 opgericht door Jacob Willem van der Biesen. Hij besluit periodieke handelsmededelingen uit te geven onder de naam Waarenberichten. Als de firma voor wie hij werkt failliet gaat, gaat Van der Biesen zelfstandig met de mededelingen verder onder de naam Algemeen Handelsblad. De krant neemt al snel een liberaal standpunt in en doet het in 1845 met een oplage van 5000 exemplaren goed. Na de afschaffing van de dagbladzegel in 1869 krijgt het Algemeen Handelsblad concurrentie van onder andere de eveneens liberale Nieuwe Rotterdamsche Courant en De Amsterdammer. Om concurrentie met de laatstgenoemde krant aan te kunnen, gaat het Algemeen Handelsblad naast de avondeditie ook een ochtendblad uitgeven.11

 

In de Tweede Wereldoorlog verschijnt het Algemeen Handelsblad als minikrant. Na de oorlog mag de krant gewoon weer verschijnen. Aanvankelijk op halve vellen, vanaf 2 november 1946 weer op normaal formaat. De oplage is in 1947 gegroeid tot tussen de 50.000 en 75.000. Het Algemeen Handelsblad heeft wel veel moeten inleveren aan de voormalige verzetskranten, die alle een oplage van boven de 150.000 hebben12. De krant zoekt naar samenwerking met een ander bedrijf omdat de basis van de onderneming te smal is: het bedrijf is te afhankelijk van drukorders van andere kranten en tijdschriften. Een aantal toenaderingspogingen met respectievelijk Elsevier en De Telegraaf ketsen af omdat beide zeggenschap over de inhoud van het Algemeen Handelsblad proberen te krijgen.13

 

In 1964 dan besluiten de uitgevers van het Algemeen Handelsblad en van de Nieuwe Rotterdamsche Courant samen te gaan in de Dagbladunie NV (NDU), waarbij beide kranten zelfstandig blijven. In 1970 echter zijn de kranten zo verliesgevend geworden door dalende oplages, teruglopende advertentie-inkomsten (vanwege concurrentie met de televisiereclame), stijgende lonen en toenemende papier- en drukkosten dat een fusie onvermijdelijk wordt.14 De verliezen bedroegen over 1969 voor het Algemeen Handelsblad 1,1 miljoen en voor de NRC 1,5 miljoen. De fusie wordt technisch mogelijk doordat de NRC in 1969 een nieuwe pers met voldoende capaciteit voor het drukken van een grote avondkrant krijgt.15 Ook op inhoudelijke gronden lijkt het samengaan logisch. Beide kranten streven naar een zo objectief mogelijke berichtgeving, zijn bedoeld voor een liberaal publiek en beide kranten raden hun lezers dan ook aan op de VVD te stemmen. Zo komt het NRC Handelsblad tot stand.16

De nieuwe fusiekrant moet een ideale krant worden zich richtend op lezers met middelbare en hoge opleiding. De krant gaat actieve betrouwbare, snelle journalistiek bedrijven en nieuws wordt strikt gescheiden van analyse en opinie. Bovendien gaat de krant met acht kolommen werken in plaats van zeven. De verschillende rubrieken als binnenland, buitenland, sport, kunst en andere krijgen een vaste plaats in de krant. De redactie vestigt zich in Rotterdam. Het motto van de krant komt echter van het Amsterdamse Algemeen Handelsblad: Lux et Libertas, oftewel Licht en Vrijheid. Er wordt al vroeg een redactieraad gevormd zodat de redactie een vastere greep op de inhoud van de krant krijgt en op haar positie in het bedrijf. Pas later ontstaat het landelijk model voor het redactiestatuut.

In het eerste hoofdartikel worden de beginselen van de krant neergelegd die ook nu nog gelden. ‘De vrijheidsgedachte die wij voorstaan verdraagt zich niet met geloof in enig dogma…’ De krant legt vast geen bijzondere banden met politieke of maatschappelijke organisaties aan te gaan en zegt wantrouwend te zijn tegenover iedere collectiviteit ‘hetzij staat, partij of voetbalclub’. Het NRC Handelsblad wordt symbool van de ontzuiling. Al gaat het in de eerste jaren niet goed en daalt de oplage van 106.000 in 1970 tot 88.000 in 1974. De krant leeft weer op wanneer heel Nederland in de ban van de ontzuiling komt en ook de individualisering toeneemt. Mensen kiezen niet meer voor een krant uit levensovertuiging of geloof. Het NRC Handelsblad krijgt de lezers erbij van kranten die worden opgeheven zoals de liberale krant Het Vaderland. In 1977 is het niveau van de oplage terug op dat van 1970 en tien jaar later wordt de 200.000 gepasseerd.17 In 1998 kent het NRC Handelsblad een effectieve oplage van 269.667 exemplaren.18

Hoofdstuk 4 de rampen; een beschrijving

4.1 De watersnoodramp

‘Een ramp heeft ons vaderland getroffen. Een ramp van een omvang, die wij ons nu nog niet geheel kunnen realiseren omdat de berichten en de geruchten in niet te stuiten vloed over ons heen stromen op het ogenblik dat deze extra-editie ter perse gaat. Nederland heeft altijd tegen het water moeten vechten. Steeds was het een luctor et emergo, gelijk het devies van Zeeland luidt: ‘ik worstel en ontworstel’, maar voor het tot ontworstelen kwam..welk een nood, welk een onbeschrijflijk leed, welk een verschrikking.

Een ongekende zware storm, die samenging met springtij, heeft in de nacht van Zaterdag op Zondag het Westen van ons land geteisterd als zelden tevoren. Dijken en dammen, die zo sterk schenen, beschermingen die onze watervechters hadden opgeworpen en die de bewoners van deze Lage Landen steeds een gevoel van veiligheid gaven: ze zijn bezweken onder het vreselijke geweld van de elementen, die van oudsher onze vijanden waren: wind en water.’19

Zo opende het Algemeen Handelsblad haar extra editie van maandagmorgen 2 februari 1953. Twee dagen na de nacht waarin de grootste natuurramp in Nederland sinds 1570 zich voltrok. 1835 Mensen verdronken, tienduizenden dieren vonden hun einde, er werden 4500 gebouwen verwoest en tien keer zoveel beschadigd, bijna 200.000 hectare grond kwam onder het zoute water te staan en circa 100.000 mensen werden geëvacueerd.20

Achteraf kunnen we zeggen dat een ramp van deze omvang voorkomen had kunnen worden. De dijken waren te laag, slecht onderhouden en hadden een te steil binnentalud. Door het gebrek aan eenheid van bestuur van de dijken werd hier echter niks aan gedaan. Honderden waterschappen waren elk voor hun eigen stukje dijk verantwoordelijk. Na 1906 zijn er voorstellen geweest om de waterschappen tot grotere eenheden te structureren zodat meer samenhang en samenwerking bereikt kon worden en dus een betere dijkbewaking. Echter, de boeren vreesden hoge kosten en het plan werd van de baan geveegd. Zo bleef het beheer in handen van boeren die liever bezuinigden op de dijkuitgaven dan ze te vergroten. Provinciale Waterstaat, die als toezichthouder op de dijken fungeerde, liet de boeren begaan. Keer op keer stuitten initiatieven af op een gebrek aan bereidheid bij de boeren op te draaien voor de kosten.21

Dit verklaren economen overigens uit het freeridersgedrag dat optreedt bij de financiering van collectieve voorzieningen als een dijk. De kenmerken van zo’n voorziening zijn dat niemand van het gebruik ervan kan worden uitsluiten (als je er achter woont dan word je beschermd, of je wilt of niet) en dat het gebruik door de eën niet ten koste gaat van het gebruik door de ander (als ik door de dijk beschermd word, dan word jij dat ook nog steeds). Bij collectieve voorzieningen is het zo dat het voor het individu voordeliger is niet mee te doen dan wel, omgeacht wat de anderen doen. Niemand zal dus voor de kosten van de dijk willen opdraaien. Alleen met belastingen had de dijk gefinancierd kunnen worden.

In de periode tot aan 1953 kreeg Zeeland verschillende waarschuwingen van de natuur. In 1906 al liepen verscheidene polders in Zeeland onder. De dijken waren bovendien in de oorlog nog verder achteruit gegaan doordat er bunkers in gebouwd werden. En in 1943 overstroomden de dijken door een noordwesterstorm. Rapporten verschenen, zoals dat van Rijkswaterstaat Zeeland in 1946, waarin stond dat de kans dat de dijken een hoge stormvloed niet zouden kunnen keren ‘geen sombere fantasie’ is, maar ‘een reële wetenschappelijke kans’.22

Het was dus bekend ten tijde van de ramp dat de dijken niet goed waren. Allerlei overheids-instanties hebben dit geconstateerd en opgetekend, maar niemand nam zijn verantwoor-delijkheid. De dijken werden nooit verhoogd. Ik ga de berichtgeving van het Algemeen Handelsblad in de dagen na de ramp onderzoeken. Wees deze krant op de gebrekkig uitgevoerde verantwoordelijkheden, of kwam de berichtgeving niet verder dan zoals hierboven weergegeven?

4.2 De treinramp bij Schiedam

‘Minstens twintig doden en een nog onbekend aantal gewonden zijn vanmorgen omstreeks acht uur gevallen bij een treinbotsing in Schiedam. De doden en de meeste gewonden zijn gevallen in het voorste deel van een stoptrein in de richting Hoek van Holland die frontaal botste op de tegenliggende en op ‘verkeerd spoor’ rijdende Rhein Express. De namen van 19 doden waren omstreeks het middaguur bij de politie bekend.’23

Zo opende het NRC Handelsblad dinsdagmiddag 4 mei 1976. Een (door zijn snelle acceleratievermogen) sprinter genoemde stoptrein was op 4 mei 1976 op weg naar Rotterdam. Vlak na station Schiedam/ Nieuwland echter, botste de trein met grote snelheid frontaal op de Rhein Express die naar Schiedam op weg was. 24 Mensen kwamen om het leven, allemaal passagiers van de sprinter. Hoe kon dit gebeuren?

De Rhein Express haalde, zoals in de dienstregeling van 1975/76 was opgenomen, ter hoogte van Vlaardingen de op het rechterspoor stilstaande stoptrein 4125 in. Hiervoor moest de Express even over het linker spoor rijden. De sprinter die in tegengestelde richting van het linkerspoor gebruik maakte, zou wachten in Schiedam tot het spoor weer vrij was. Dit werd aangegeven door een roodtonend sein (60). Omdat dit sein zich ver buiten het station bevond, was er op het tweede perron een aan het sein gekoppeld vertreklicht. Als dit licht wit was, dan mocht de sprinter vertrekken, als het niet brandde dan mocht de sprinter niet vertrekken. Op die fatale dinsdagochtend was het sein rood en brandde het vertreklicht niet. De sprinter had nooit mogen vertrekken. Om 7.54 uur botste de sprinter rijdend op het linkerspoor frontaal op de Rhein Express.24

In eerste instantie leek de oorzaak te liggen in menselijke fouten van zowel de machinist als de hoofdconducteur. Het was de taak van laatstgenoemde het vertreklicht in de gaten te houden, omdat de machinist het licht niet altijd kon zien. Hij werd echter afgeleid door een passagier en gaf ten onrechte het vertreksein. De machinist vertrok en zag vervolgens niet dat het sein buiten het station rood toonde. De ramp kwam echter niet alleen door menselijke fouten. Er waren ook additionele oorzaken gelegen in organisatorische en systeemgebonden factoren.25

Het instituut voor Zintuigfysiologie stelde al vast dat het ‘tegen iedere ergonomische grondregel is om de betekenis ‘onveilig’ te koppelen aan het niet branden van een licht.’ Immers ‘een niet-brandend licht valt niet op en heeft dus een geringe signaal waarde’. Verder was er nog de ongebruikelijke inhaalmanoeuvre die de Rheinexpress moest uitvoeren in de dienstregeling van 1975/76. Bovendien zou Automatische Treinbeinvloeding (ATB) in 1974 in heel Nederland gereed zijn. Bij Schiedam was dit echter niet het geval. ATB is een systeem van beveiliging waarbij de snelheid van de trein op eën of meer punten automatisch wordt beïnvloed zonder tussenkomst van de mens. Dit maakt het mogelijk onjuist reageren van een machinist op de hem getoonde seinen te corrigeren. Na de ramp in Schiedam werd pas besloten het invoertempo van de ATB te verhogen.26

Wat stond er in het NRC Handelsblad over dit alles? Van de Volkskrant is bekend dat zij kopte met: ‘Spoorwegen: Herhaling niet onmogelijk. Bij treinramp 24 slachtoffers’. Wat was de rol van het NRC Handelsblad? Stelde zij de schuldvraag en in welke mate? In welke verhouding staat dit tot de mate waarin zij dit deed na de Watersnoodramp in 1953?

Opmerkelijk is nog dat het artikel waarmee het NRC Handelsblad opende op dinsdag 4 mei 1976 suggereert dat de Rhein Express de oorzaak was van het ongeluk. Pas een dag later is het bij de het NRC Handelsblad duidelijk dat de sprinter op de Rhein Express had moeten wachten. Een voorlichter van de Spoorwegen had het NRC Handelsblad foutief ingelicht over de inhaalprocedure. Volgens hem moest de Rhein Express indien deze verlaat was, wachten op de stoptrein uit de richting van Schiedam. Later bleek dat bij een dergelijk veel voorkomende vertraging van slechts een minuut, de oorspronkelijke procedure gevolgd diende te worden.

4.3 De Enschederamp

‘Twee etmalen na de explosies in het vuurwerkbedrijf S.E. Fireworks in Enschede is nog geen duidelijkheid over omvang en oorzaak van de ramp die aan zeker zestien mensen het leven heeft gekost. Naar circa 200 vermisten wordt nog gezocht.

Ruim zeshonderd mensen liepen verwondingen op. In ziekenhuizen in Twente verbleven vanmiddag nog 39 slachtoffers. De ramp behoort tot de grootste die Nederland na de oorlog heeft getroffen. Premier Kok, die het rampgebied zondagochtend bezocht, gelastte ‘een diepgaand en onafhankelijk onderzoek.’27

Dit is de opening van het NRC Handelsblad op maandag 15 mei 2000. Twee dagen eerder voltrok zich een ramp: de vuurwerkfabriek S.E. Fireworks in Enschede explodeerde. Om een minuut over drie werd door een surveillerende politieagent melding gemaakt van brand bij het complex. 33 Minuten later ontplofte de vuurwerkfabriek en werd de woonwijk Rombeek weggeveegd. Circa 100.000 kilogram ontploft vuurwerk resulteerde in 22 doden, 946 gewonden, tussen de 350 en 400 verwoeste huizen en nog eens duizend beschadigde woningen in Enschede.28

Na onderzoek van de inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding blijkt dat het in bijna alle schakels van de veiligheidsketen misging. De inspectie maakt in haar rapport duidelijk dat de brandweer van Enschede niet betrokken was bij het opstellen en controleren van de vergunningseisen. Dit vond de gemeente te duur. Bovendien voerden medewerkers van de gemeente Enschede en het Ministerie van Defensie gebrekkige controles uit bij S.E. Fire-works en hadden gemeenteambtenaren illegale uitbreidingen van het bedrijf achteraf gelegaliseerd.29

De vuurwerkopslag deugde dus niet. Zo werd bij controles geconstateerd dat afvalvuurwerk, een ontvlambare stof en losse mortierbommen in een bunker bij elkaar lagen. In de centrale loods van het bedrijf lagen enkele honderden kilo's vuurwerk klaar om te worden afgevoerd. Verder lag in een van de containers 3000 in plaats van de 2000 kilo vuurwerk. Bovendien bleek de politie al in 1991 in een anonieme fax gewaarschuwd te zijn dat er in de Enschedese Tollenstraat, waar de vuurwerkfabriek stond, hetzelfde zou kunnen gebeuren als in Culemborg. Daar kostte een vuurwerkexplosie eerder dat jaar twee mensen het leven. Volgens de afzender van de fax werd er bij Fireworks illegaal gehandeld in vuurwerk.30

De commissie Oosting wees geen hoofdschuldige aan, maar bevestigde dat de overheid collectief en van hoog tot laag gefaald had bij het voorkomen van de ramp. Ook de commissie vindt dat de rijksoverheid na de vuurwerkramp in Culemborg in 1991 maatregelen had moeten nemen, omdat onderzoeksinstituut TNO, het Brandweerwezen en de Arbeidsinspectie toen al waarschuwden dat de veiligheidsregels voor vuurwerk onvoldoende waren. Strengere maatregelen kwamen er echter niet en de controle verminderde zelfs.31

Op gemeentelijk niveau constateerde de commissie een gebrek aan overleg tussen de gemeentelijke Milieudienst, Bouwdienst en brandweer. Daardoor mocht SE Fireworks steeds verder uitbreiden en vuurwerk opslaan in brandgevaarlijke containers. De Milieudienst verstrekte de ene na de andere vergunning. De commissie vond verder dat het gebrekkige toezicht te wijten is aan de ambtelijke top en B&W die onvoldoende 'leiderschap' hebben getoond.32

Nu bijna anderhalf jaar na de ramp is de directe aanleiding voor de brand nog onduidelijk. De conclusies in de onderzoeken zijn echter overduidelijk. De ramp in deze omvang had nooit mogen gebeuren. Stelde het NRC Handelsblad in de dagen na de ramp de schuldvraag? Gaf de krant blijk van vermoedens dat zo’n enorme ontploffing wel het gevolg moest zijn van gebrekkige handhaving?

 

Hoofdstuk 5 Verantwoording

5.1 crisisberichtgeving

Er zijn bij een crisis drie fasen te herkennen in het gedrag van de media. In de eerste uren na de crisis zijn de media primair geïnteresseerd in het wie-wat-waar van de gebeurtenissen. In de tweede fase zoeken de media naar de achtergronden van de ramp: de oorzaak, het beleid van de overheid. Als laatste komt de verantwoordelijkheidsvraag op. Wat zijn de politieke implicaties van de crisis en wiens bloed moet er vloeien?33 Mijn aandacht richt zich op de derde fase in crisisberichtgeving.

5.2.Schuld en verantwoordelijkheid
5.2.1 Schuldvraag

Wat bedoel ik met de schuldvraag? Alledrie de rampen hadden voorkomen kunnen worden wanneer de verantwoordelijken hun taken naar behoren hadden uitgevoerd. Ik ga onderzoeken wat het NRC Handelsblad met deze informatie deed. Kon je in 1953 artikelen lezen over dijkbewakers, waterschappen en Rijkswaterstaat die al veel eerder wisten dat de dijken niet sterk genoeg waren? Zoja, op welke manier schreef de krant hierover? Werden er politieke of andere slachtoffers geëist vanwege hun gebrekkige uitvoering van verantwoordelijkheden?

Dat bij rampen verantwoordelijkheden en schuld vaak pas later officieel worden vastgesteld doet niks af aan dit onderzoek over de mate van het stellen van de schuldvraag door een krant.

5.2.2. definitie schuld en verantwoordelijkheid

Ik zal schuld en verantwoordelijkheid in dit onderzoek door elkaar gebruiken. Schuld wordt in het woordenboek gedefinieerd als verantwoordelijkheid, geschapen door een tekortkoming, misvatting of verkeerde daad. Schuld zoals in de uitdrukking: het is mijn schuld, het is mij verwijtbaar. Ik ben mij ervan bewust dat schuld in die zin iets anders is dan (ministeriële) verantwoordelijkheid omdat voor dat laatste geen verwijtbaarheid (van de minister) zelf nodig is. Waarom überhaupt spreken over schuld en niet over verantwoordelijkheid alleen? Omdat schuld een term is die meer aanspreekt, een term die de slachtoffers van rampen zelf ook eerder zullen hanteren dan verantwoordelijkheid. Schuld heeft de emotionele lading die bij een ramp past.

5.2.3 de schuldvraag: het waarom

Het afleggen van verantwoording voor overheidsoptreden is onderdeel van de democratische rechtsstaat. Bij politieke verantwoording worden bewindslieden aangesproken op hun handelingen en de gevolgen daarvan. Hierbij kan de bewindspersoon ook worden aangesproken op handelingen die door anderen onder zijn bevoegdheid zijn verricht. Het is een controle op de rechtmatigheid en de kwaliteit van het bestuur. Deze controle wordt formeel uitgeoefend door de volksvertegenwoordiging, maar in praktijk speelt ook de pers hierbij een grote rol. De media vormen voor veel volksvertegenwoordigers een primaire informatiebron. Bovendien kan de pers onderwerpen op de agenda van de volksvertegenwoor-diging zetten door er veel en langdurig aandacht aan te besteden. Volksvertegenwoordigers vatten dit op als een signaal dat ze zelf ook met het onderwerp bezig moeten; het leeft blijkbaar onder het volk.34 Dit wordt door politici wel het CNN-effect genoemd.

 

5.3 omvang rampen

De drie rampen die ik ga onderzoeken zijn nogal verschillend in omvang. Bij de ene ramp vielen meer doden dan bij de andere en ook de grootte van het getroffen gebied verschilt. Dit is mijns inziens onvermijdelijk. Gelukkig heeft Nederland niet drie rampen van de omvang van de Watersnoodramp gekend. Het gaat mij erom dat bij alledrie de rampen een verantwoordelijkheidsvraag speelt, achter de directe aanleiding voor de rampen. Dat de rampen van verschillende omvang zijn, doet daarbij niet zozeer ter zake.

5.4 volgtijdelijkheid rampen

Waarom nu juist deze drie rampen? Ik wil onderzoeken of er een ontwikkeling zit in de mate van het stellen van de schuldvraag door het NRC Handelsblad. Hiervoor is het van belang dat de periodes tussen de verschillende rampen ongeveer gelijk zijn. Dat is bij deze rampen het geval. Er zit zo’n 23 jaar tussen de Watersnood - en de treinramp en ook tussen de trein - en de Enschederamp.

5.5 de krant

Waarom het NRC Handelsblad? Het is een kwaliteitskrant nu en ook in de jaren vijftig werd het Algemeen Handelsblad als zodanig beschouwd. De krant verscheen al vlak na de oorlog weer op normale wijze en heeft sinds zijn ontstaan een groot lezerspubliek getrokken. Een verwachting kan zijn dat het liberale Algemeen Handelsblad wellicht een wat afstandelijkere houding aannam ten opzichte van de politiek waardoor de schuldvraag meer gesteld zou worden dan door partijgebonden kranten. De fusiekrant NRC Handelsblad is inmiddels geëvolueerd tot een dagblad met in 1998 een oplage van 269.667. Zeker het onderzoeken waard dus.

5.6 het hoe

Hoe ga ik mijn onderzoek aanpakken? Ik ga de berichtgeving over de rampen onderzoeken tot aan twee weken na de verscheidene rampen. Mijns inziens zal die derde fase in de crisisberichtgeving dan zeker al zijn ingetreden: de fase waarin de schuldvraag gesteld wordt (of niet). Wie nu de krant leest, televisie kijkt, radio luistert of op internet surft, ziet dat tegenwoordig de eerste fase van feiten vrijwel meteen gevolgd wordt door de schuldvraag. Derhalve denk ik dat twee weken ruim genoeg is.

Welke artikelen in de kranten ga ik bekijken? Allereerst moet er hier rekening gehouden worden met het feit dat pas toen het Algemeen Handelsblad met de NRC tot het NRC Handelsblad fuseerde, de verschillende rubrieken een vaste plaats in de krant kregen. In 1953 stond alles nog door elkaar. Ik heb derhalve de gehele krant gekopieerd in de twee weken na de Watersnoodramp. In de weken na de treinramp bij Schiedam en de Enschederamp heb ik mij beperkt tot de pagina’s binnenland, opinie en de speciaal aan de rampen gewijde pagina’s. Dit zijn immers de pagina’s waarop artikelen over de rampen zouden kunnen voorkomen.

Ik zal in principe kijken naar alle soorten artikelen over de rampen, dus ook naar columns, analyses en dergelijke. Ik zal nagaan op welke plek in de krant iets over de schuldvraag staat, in wat voor soort artikel dit gebeurt (en door wie), hoe deze artikelen in verhouding staan tot het aantal berichten van andere aard over de ramp, hoeveel ruimte aan ‘schuld’artikelen wordt besteed en natuurlijk wat er precies geschreven wordt. Uiteindelijk moet mij dit in staat stellen iets zinnigs te zeggen over de mate waarin de schuldvraag na de rampen door het NRC Handelsblad is gesteld.

Hoofdstuk 6 conclusie

Ik ben dit paper begonnen met: rampen komen, zien en overwinnen. Rampen kunnen echter vaak voorkomen worden. Na elke ramp wordt derhalve geëvalueerd waar het fout ging en hoe de ramp heeft kunnen gebeuren. In dit proces speelt de schuldvraag. Wie is verantwoordelijk voor wat misliep en welke gevolgtrekking moet daaraan verbonden worden. De media spelen in deze een zeer belangrijke rol. Media kunnen onderwerpen op de agenda van volksvertegenwoordigers krijgen door voortdurende aandacht aan de kwestie te schenken. Zo is het ook met de schuldvraag.

Nu ik de drie rampen heb bestudeerd en ook op de hoogte ben van de geschiedenis van het NRC Handelsblad, ben ik nog meer overtuigd van de juistheid van mijn onderzoekskeuze. Bij alledrie de rampen speelt de schuldvraag zeker. Het gaat niet om de directe aanleidingen van de rampen als springtij, menselijke fouten en brand, maar om achterliggende oorzaken. Het is dan ook erg interessant te weten hoe een kwaliteitskrant als het NRC Handelsblad hiermee is omgegaan door de jaren heen. Dit is wat ik zal gaan onderzoeken.


Noten
1. H.J.A. Hofland, Tegels lichten (Amsterdam 1972) blz 97
2. A.Lijphart zoals geciteerd in: Tegels lichten (Amsterdam 1972) blz 94
3. A.Lijphart, zoals geciteerd in: Tegels lichten (Amsterdam 1972) blz 93
4. NRC Handelsblad, 17-6-1989
5. H.J.A. Hofland, Tegels lichten (Amsterdam 1972) blz 97
6. Paul Koedijk, ‘Vrijheid in verantwoordelijkheid’ in: Een stille revolutie? Cultuur en mentaliteit in de lange jaren vijftig (Hilversum 1997) blz 226
7. Paul Koedijk, ‘Vrijheid in verantwoordelijkheid’ in: Een stille revolutie? Cultuur en mentaliteit in de lange jaren vijftig (Hilversum 1997)
8. Frenk van der Linden, ‘Ik verloor niet uit het oog dat ik converseerde met de eerste burger. De razende reporter en de Watersnoodramp van Zeeland’ in: Luizen in de Pels (Amsterdam 1984) blz 79
9. Paul Koedijk, Vrijheid in verantwoordelijkheid’ in: Een stille revolutie? Cultuur en mentaliteit in de lange jaren vijftig (Hilversum 1997) blz 236
10. Paul Koedijk, Vrijheid in verantwoordelijkheid’ in: Een stille revolutie? Cultuur en mentaliteit in de lange jaren vijftig (Hilversum 1997) blz 243, 244
11. Laura Schweig, "welk een verwoesting!" de cycloon van 10 augustus 1925 en de gevolgen voor Borculo (Groningen 2000) paragraaf 4.2
12. Laura Schweig, "welk een verwoesting!" de cycloon van 10 augustus 1925 en de gevolgen voor Borculo (Groningen 2000) paragraaf 4.2
13. Gijsbert van Es, J.H.Sampiemon, Laura Starink, Door onze redacteuren, NRC Handelsblad 1970-1995 (Amsterdam 1995) blz 15
14. Ite Rumke, NRC Handelsblad 1970-2001 (http://www.nrc.nl/overons/geschiedenis/kort.html)
15. Gijsbert van Es, J.H.Sampiemon, Laura Starink, Door onze redacteuren, NRC Handelsblad 1970-1995 (Amsterdam 1995) blz 16
16. Ite Rumke, NRC Handelsblad 1970-2001 (http://www.nrc.nl/overons/geschiedenis/kort.html)
17. Ite Rumke, NRC Handelsblad 1970-2001 (http://www.nrc.nl/overons/geschiedenis/kort.html)
18. oplagecijfers dagbladen in: De journalist (1998)
19. Algemeen Handelsblad, 2-2-1953
20. Kees Slager, ‘De watersnoodramp van 1953’ in: Groniek 32 (Groningen 1999) blz 373
21. Kees Slager, ‘De watersnoodramp van 1953’ in: Groniek 32 (Groningen 1999) blz 374-375
22. Kees Slager, ‘De watersnoordramp van 1953’ in: Groniek 32 (Groningen 1999) blz 374-375
23. NRC Handelsblad 4-5-1976
24. M.J.van Duin, Van rampen leren, een vergelijkend onderzoek naar de lessen uit spoorwegongevallen, hotelbranden en industriele ongelukken (Leiden 1992) blz 96-97
25. M.J.van Duin, Van rampen leren, een vergelijkend onderzoek naar de lessen uit spoorwegongevallen, hotelbranden en industriele ongelukken (Leiden 1992) blz 110-114
26. M.J.van Duin, Van rampen leren, een vergelijkend onderzoek naar de lessen uit spoorwegongevallen, hotelbranden en industriele ongelukken (Leiden 1992) blz 112, 115-124
27. NRC Handelsblad 15-5-2000
28. Joost Lammers, Enschederamp: Een dodelijke vuurwerkshow, over de rampzalige gebeurtenissen op 13 mei 2000 in de Enschedese wijk Roombeek en de verslaggeving van de media van de ramp (Groningen 2000)
29. ‘In bijna alle schakels ging ’t mis’ in: De Twentsche Courant Tubantia 15-01-2001
30. ANP ‘Vuurwerkopslag in Enschede deugde niet’, 10-11-2000
31. ‘Overheid faalde eigenlijk overal en vuurwerkbedrijf S.E. Fireworks nam onverantwoorde risico’s’ in: Trouw 01-03-2001
32. ‘Overheid faalde eigenlijk overal en vuurwerkbedrijf S.E. Fireworks nam onverantwoorde risico’s’ in: Trouw 01-03-2001
33. Crisis Onderzoek Team, Crises in het nieuws. Samenspel en tegenspel tussen overheid en media (Alphen aan de Rijn 1997) blz 41-42
34. Crisis onderzoek Team, Crisis: oorzaken, gevolgen, kansen (Leiden 1998) blz 86-89, 99

terug naar boven