TITELPAGINA REDACTIONEEL WEGWIJZER HOOFDPAGINA DECENNIUM JAAR ZOEKEN

 

 Jacobus Bellamy


1757-1786

 

 

 

Portret van Jacobus Bellamy, door Rein. Vinkeles

Jacobus Bellamy wordt geboren op 12 november 1757 in Vlissingen. Zijn moeder is Nederlandse, zijn vader is van Zwitserse afkomst en sterft al als Jacobus nog maar vier jaar oud is.
Op twaalfjarige leeftijd moet Jacobus als bakkersknecht in zijn eigen inkomen leren voorzien. Hij zal dat tien jaar lang, met groeiende tegenzin, blijven doen. Er begint namelijk iets te ontluiken in Bellamy: hij raakt bewogen door de natuur en door gedachten, stoort zich aan zijn beperkte leefomgeving en laat eens een oven vol pepernoten verbranden omdat hij verdiept is in zijn 'Vaars op Achilles'. 
Al op veertien- of vijftienjarige leeftijd begint Bellamy te dichten en op zijn zestiende vindt hij in Antonides, Zeeus en Poot zijn eerste leermeesters. Uit de lectuur van hun verzen schept Bellamy zich een dichttheorie, een dichtideaal. De dichters worden zijn gidsen en zullen hem inwijden in de 'spraek der dichtkonstenaeren'. 
Het dichten wordt van levensbelang en is een grote troost voor Bellamy, die neerslachtige buien kent en zich bij tijden erg eenzaam voelt.

Klinkdicht

Wanneer mijn ziel bedroefd, zelfs bij heur waardste vrinden,
  Vergeefs naar vreugde zoekt, die 't hartenleed verzacht,
 En geen vermaak gevoelt, alschoon de vriendschap lacht,
En 't minzaam onderhoud door scherts poogt aan te binden;

Wanneer in zulk een' tijd de zorgen haar verslinden,
   En zij heur grootste vreugd, de Dichtkunst zelf veracht;
  Met angst den nacht verbeidt, - den morgen weÍr verwacht,
Het blijde daglicht ziet, maar geene rust kan vinden:

Wanneer in zulk een vlaag van nare angstvalligheid
Mijn treurig oog een' vloed van zilte tranen schreit,
En ik mij van rondom met droefheid zie omgeven:
   Wanneer in zulke een' stond van kwelling en verdriet
  Mijn ziel geen scheemring zelfs van troost of blijdschap ziet,
Dan doet ge o Fillis! mij met ťťnen lonk herleven.

 

In 1777 lijkt dat leven een wending te nemen. Dominee Jona Willem te Water, een predikant uit Vlissingen, ontfermt zich over hem en beveelt hem aan bij een dichtgenootschap. Bovendien wordt Bellamy verliefd op de negentienjarige Francina Baane. Hoe gelukkig de liefde voor deze vrouw hem ook maakt, Bellamy is echter  schuchter en verlegen en durft haar niet echt te benaderen. Het gevolg hiervan is dat zij in 1779 met een ander is verloofd.
In datzelfde jaar maakt dominee Te Water hem los van het bakkersbedrijf en hij krijgt lessen in Grieks en Latijn van de Vlissingse rector Didericus van Cruysselbergen. Met de financiŽle steun van enkele welgestelde Zeeuwen zorgen dominee Te Water en Vlissingens pensionaris Mr. Nicolaas Cornelis Lambrechtsen ervoor dat Bellamy voor predikant kan studeren.
Ook is Bellamy nu actief lid van het Haags dichtgenootschap 'Kunstliefde spaart geen vlijt', waar hij onder invloed van andere letterkundigen en literatuur tot een nieuw soort kunstbegrip komt. Losheid, waarheid en natuur worden door hem als voorwaarden voor kunst gezien en hij dweept dan ook met de idyllische natuurbeschrijvingen van bijvoorbeeld Gessner. Deze ontwikkelingen geven zijn smaak en zijn voorkeur een andere wending. Naar alle waarschijnlijkheid is Bellamy beÔnvloed door de licht-schalkse anakreontische verzen, rijmloze drie- ŗ viervoetige jamben of trocheŽen, een veelgebruikte dichtvorm in de achttiende eeuw. Bellamy tracht deze vorm na te volgen, zodra hij haar heeft leren kennen en de meeste van zijn in 1780 en -81 geschreven Gezangen mijner jeugd zijn anakreontisch van vorm en inhoud.
In 1780 sterft plotseling Fransjes verloofde, waardoor ze toch nog Bellamy's vrouw wil worden. De verloving moet echter geheim blijven, omdat Fransjes moeder weinig gesteld is op de onzekere toekomst van een dichter. Wanneer het in het voorjaar van 1781 toch uitlekt, treedt er eerst een verwijdering op tussen de twee geliefden maar al snel beginnen ze elkaar heimelijk te ontmoeten in het huis van een vriendin.
Veel poŽzie van Bellamy is ontstaan door de liefde voor Fransje en de ontmoetingen met haar. Haar moeder blijft zich echter verzetten en Fransje zegt Bellamy onder druk dat ze hem moet vergeten. Pas in 1784 zal moeder Baane de verloving van haar dochter erkennen, wanneer Bellamy meer aan de weg timmert en erkent wordt als dichter.
Ondertussen, denkend aan zijn grote liefde, vordert Bellamy's studie niet erg, zoals bijvoorbeeld dominee Te Water wel verwacht had. Bellamy bekent in zijn gedicht 'Aan de wijsheid'  heel eerlijk de strijd die hij in zichzelf voert tussen het dichten en de wetenschap.
Eind 1781 hebben de privť-lessen van rector van Cruysselbergen echter toch zoveel vruchten afgeworpen, dat Bellamy klaar is voor het onderwijs van professoren in Utrecht. De pensionaris Lambrechtsen, die zich over de jonge dichter heeft ontfermd na het vertrek van ds Te Water naar Middelburg, zorgt voor de financiŽle middelen. In maart '82 vertrekt Bellamy naar een kamer in Utrecht en neemt zijn verzen mee, in de hoop die uitgegeven te krijgen door de Amsterdamse boekverkoper Pieter den Hengst. In mei 1782 komt het tot een uitgave, die Bellamy de titel Gezangen mijner jeugd meegeeft.

Titelpagina van Vaderlandsche Gezangen van Zelandus.

In het najaar van 1781 verschijnt in het patriottische weekblad De post van den Nederrijn het eerste vers van Bellamy dat hij ondertekent met zijn nieuwe patriottische schuilnaam Zelandus. Patriot zijn betekent op dat moment voor Bellamy niet veel meer dan anti-Engels zijn. 
In Utrecht raakt hij onder de invloed van zijn dichtervriend Kleyn onder de indruk van het idee volksdichter te kunnen zijn: in zijn verzen wil hij uitspreken wat bij allerlei gebeurtenissen in vaderlandse kring de patriottische gemoederen beroert, wat er aan vaderlandse gevoelens in hemzelf leeft. Hij wil de historische Nederlandse vrijheid verkondigen en verheerlijken. 
Met de Utrechtse uitgever Jan Martinus van Vloten bespreekt Zelandus de uitgave van zijn Vaderlandsche Gezangen die in losse nummers van drie of vier verzen op ongeregelde tijden zullen verschijnen om na negen nummers in ťťn bundel verenigd te worden. Het eerste stukje verschijnt in juni '82, het laatste in december '83. De meeste van zijn verzen stond Zelandus af aan De post van den Nederrijn. In 1783 verschijnt dan Bellamy's officiŽle tweede dichtbundel: Vaderlandsche gezangen van Zelandus.

Titelpagina van een gebonden versie van 
Proeven voor het verstand, den smaak en het hart
.

In het voorjaar van 1784 besluit Bellamy's vriend, dominee Willem Anthony Ockerse uit Baarn, een letterkundig tijdschriftje uit te gaan geven. Hij verzoekt Bellamy de redactie op zich te nemen, die hieraan gehoor geeft en het blaadje de titel Proeven voor het verstand, den smaak en het hart meegeeft.
Bellamy komt ondertussen in een hecht dichtgenootschap terecht, bestaande uit Hinlopen, Ran en Carp. De vier leden komen elke zaterdagavond bijeen in het huis van Hinlopen vlak achter de Dom om elkaar hun werken voor te lezen en dat van de ander te beoordelen. Bellamy legt hier zijn vrienden werk voor dat hij wil gaan plaatsen in het tweede deel van Proeven, dat in het najaar van '84 zal verschijnen. Hierin verschijnen niet alleen gedichten, maar ook de 'romanze' Roosje en een prozafragment.

Titelpagina van een gebonden versie van De PoŽtische Spectator.

In hetzelfde jaar richt Bellamy het tijdschriftje De PoŽtische Spectator op. Kort ervoor heeft hij gebroken met het kunstgenootschap 'Kunstliefde spaart geen vlijt'. In zijn Spectator neemt Bellamy regelmatig als criticus het woord en schrijft felle stukken, onder andere gericht aan Van Alphen.
In het voorjaar van 1785 geeft Bellamy bij de Amsterdamse uitgever Mens een kleine verzameling 'Oden' uit. Bellamy zet er vaart achter, alsof hij zijn vroegtijdige dood voorvoelt. Hij schrijft zelf een inleiding voor zijn nieuwe bundel: een brief aan zijn vriend Kleyn, waarin hij zijn eigen ontwikkeling als dichter schetst.
Bellamy noemt zijn gezangen regelmatig 'oden', aanvankelijk in navolging van Kleyns onderscheid in lage en hoge oden maar al snel volgt hij zijn eigen keuzes. Hij spot met de dichtwetten en wil geen algemene regels voor verzen erkennen. 

Titelpagina van een ode van Agatha Deken: Traanen gestort bij het overlyden van den uitmuntendsten dichter Jacobus Bellamy in den bloei zyns levens gestorven.

In 1786 sterft Jacobus Bellamy een vroege dood, die alom ontroering wekt. Veel collegadichters en -schrijvers wijden een tekst aan de gestorven dichter. De algemene aanname is dat hij een nog veel groter talent had kunnen worden, wanneer hij meer tijd van leven had gehad. 
In Vlissingen wordt in de zomer van 1880 in het huis waar Bellamy zijn kinderjaren doorbracht een gedenksteen opgericht. 

 

 

Wat betreft de achternaam: tot februari 1785 spelt de dichter zijn eigen naam als Bellami, daarna zal het echter altijd Bellamy zijn en blijven.
Bellamy sprak, als zelfbewust achttiende eeuwse kunstenaar, zijn geliefde Fransje aan met de pseudo-klassieke naam Fillis.

Uit: Gezangen mijner jeugd (1781)

Eene ontdekking.

Waarom of toch de Dichters
Zoo graag een teugje drinken?
Dit vroeg ik aan mijn Zangster,
En zij gaf mij ten antwoord:
"Er was in oude tijden,
Een bron, die aan de Dichters
En vuur, en geest kon geeven;
Hier dronken ze uit, en zongen
Ter eere van hun Goden,
En dappere oorlogshelden.
De schoonheid der Natuure,
Het lagchen van de Lente,
Het zoet gevoel der Liefde
Was 't, dat die Dichters zongen.
Maar - met die oude tijden
Is ook die bron verdwenen.
Nu hebben onze dichters
Ontdekt, in laater tijden,
Dat, in het zap der druiven,
De kracht der bron berustte.
Dit is alleen de reden
Dat zij zoo gaarne drinken.
Nu drinken zij en zingen.
Door 't zap der edle druiven
Gesterkt, de schoonste zangen." 

HET JAWOORD

Schoone, zeide ik tot mijn meisje,
   Zeg nu of gij mij bemind?
't Meisje lagchte eens, en heur oogjes
   Zagen mij al kwijnend aan.
Ik herhaal het, zeg mijn meisje
   Zeg nu, of gij mij bemind?
't Meisje stamelde, en een zuchtje
   Glipte van heur lipjes af.
Zeg dan, riep ik onverduldig,
   Zeg dan, of gij mij bemind?
't Meisje boog het blozend aanzicht
   Zagtjes op mijn' schouder neÍr.
Nu riep ik, van liefde blaakend,
   Zeg nu, of gij mij bemind?
't Meisje zuchtte - maar, in 't einde,
   Zei zij stamelende ... Ja!
'k Vong, al kusschend, 't lieve woordje
   Van heur purpren lipjes af.
En mijn meisje drukte 't zegel
   Van heur liefde op mijnen mond!

AAN FILLIS

'k Mogt weÍr in dezen avondstond,
Op uwen zagten rozemond,
   Ű Wellust van mijn leven!
   Met ted're kuschjes kleeven.

Naauw was de zilverblanke maan,
Aan 's hemels transen opgegaan.
   Toen mij de reinste weelde,
   Bij u, mijn Fillis, streelde.

Wij smaakten 't allerzoetste zoet.
De Liefde deedt ons 't jeugdig bloed
   Met grooter snelheid vloeÔen,
   En in onze aders gloeÔen.

't Verhitte bloed gaf uw gelaat
Een blos als van den dageraad,
   En schonk uw kwijnende oogen
   Een goddelijk vermogen.

Gij sloegt uwe armen om mij heÍn,
En ik omvatte uwe schoone leÍn,
   Dus, in elkaar gestrengeld,
   Werd ons de ziel verŽngeld.

Geef, gulle Liefde, geef mij vaak,
Dat ik het zoet dier vreugde smaak'!
   Het zoet, dat gij kunt geven, 
   Is 't voedsel van mijn leven.

Vergeeten! - Ja! dat was het woord!
    Hoe klopt mijn angstig hart!
Zeg Fillis, is mijn droefheid dan,
    Voor u, zoo groot een vreugd? -
Vergeeten ....! zoo ik u vergeet,
    Vergeet mijn hart zichzelf!
Neen! zoo ge u mij ontrukken wilt.
    Ontruk mij dan het hart!

'k Ging eenzaam in het olmenbosch,
    Daar zong de Nachtegaal.
Hij zong. - Maar! welk een droevig lied!
    Gewis een treurgezang.
Zeg Zanger, riep ik, wil uw GaÍ
    Dat gij haar ook vergeet?
Of zingt gij, met mijn leed begaan,
    Voor mij een droevig lied?

Vergeeten ...! neen! wanneer het graf
    Mijn koud gebeent besluit,
Dan draagt mijn ziel, in ruimer lugt,
    Nog uw bevallig beeld. - 
Vergeeten ...! ach! hoe grieft dat woord
    Mijn tederminnend hart!
Neen! eer ik u vergeeten zou
    Moest ik vernietigd zijn.

    AAN DE WIJSHEID

Gij vergt mij, achtbre Wijsheid,
Dat ik aan u mijne uuren
Geheel en al zal wijŽn.
Ja, hemelschoone Wijsheid!
'k Bemin uw ed'le grootheid.
'k Eerbiedig uwe lessen.
Maar ach! de groote Liefde
Ontrooft mij steeds die uuren,
Die ik aan u mogt wijŽn.
Wanneer ik, op mijn kamer,
Uw lessen, ed'le Wijsheid,
In stilheid overpeinze,
Dan komt de stoute Liefde,
Die dartle, looze Jongen,
En smijt de wijze schriften
Van uwe groote zoonen,
Baldaadig door elkander.
Dan slaat hij met zijn boogje
De veder uit mijn handen.
Dan schreeuwt, dan spot, dan lagcht hij, 
En roept: mijn lieve Dichter!
Hoe zit gij toch te suffen!
Kom! Laat de wijsheid vaaren,
En gaa met mij eens wandlen!
Dan moet ik, achtbre Wijsheid,
Den dartlen Jongen volgen.
Dan leidt hij mij geduurig
Voorbij het huis van Fillis.
En ziet hij dan mijn Fillis,
Dan wijst hij met zijn vinger,
En zegt: zie, lieve Dichter!
Zie daar - ! is dat de Wijsheid?-
Zoo spot het looze boefje
Nog immer met mijn noodlot.
Zoo gaat het, groote Wijsheid,
Zoo gaat het elke dage.
Misschien, indien de Liefde
Mijn Fillis bij mij bragte,
Dat ik in stille ruste
Mijn uuren u zou wijÍn!
Ach! bragt de Min mijn Fillis
Bij mij op mijne kamer!
Dan zou ik, ed'le Wijsheid,
Met al mijn hart u dienen!

Op 19 maart 1782 betrekt Bellamy een voor hem gehuurde kamer bij Tesschemaaker op de Oude Gracht in Utrecht. Een paar dagen na zijn aankomst schrijft hij een brief aan zijn vriend BroŽrius Broes, een predikant in Vlissingen. Hij verhaalt hierin van zijn ernstige hoofdpijnen de eerste dagen en ook van de ontmoeting met zijn huisbaas en de eerste indrukken van het op kamers wonen:
"misschien heeft mijn Hospes veel deel in het vermeerderen mijner ongesteldheid. ik was nog maar naauwlijks hier of die Kaerel begon eene redevoering te doen over de noodzakelijkheid der meubelen in eene huishoudinge. ik tragtte Hem te doen begrijpen dat mijn vriend Yorik met zes hemden en ťťn' satijnen broek eene gansche reis door Frankrijk en ItaliŽn ondernomen hadt. - doch het was vergeefsch. - "Gij moet theegoed hebben, mijn Heer! - tabaksgoed - Gij hebt niets om uw Linnen in te leggen, mijn Heer! ik zal een tafelkasje voor u koopen! tafelborden moet gij ook hebben!" geduurende al dien tijd zat ik met mijn pijp te speelen. - "mijn dogtertje heeft den wijn besteld, mijn Heer!" - - in 't kort, wanneer ik nog iemant de trappen hoor opkomen gaat 'er een schrik door mijn leden. Doch ik vlei mij dat de Hospes thans aan het non plus ultra zijner schikkingen gekomen is. waarlijk, mijn Heer indien ik niet iets gunstigs van uwe hulp, als ook van die der andere Heeren, voor mij verwagtte, ik zou wel ras hier een alleraakligste vertooning maken." 
Hoewel Bellamy eens heel enthousiast was over zijn lidmaatschap van het kunstgenootschap, begon hij zich er begin jaren tachtig tegen te verzetten. Hij kon het slecht hebben dat sommige leden negatieve oordelen over zijn verzen uitspraken. Enigszins cynisch noemt hij de dichtgenootschappen in een brief aan Van Alphen: 'poŽtische gasthuizen, waarin ieder mensch, die slegts de bekwaamheid heeft vaarzen en rijmen te kunnen maken, voor een matig prijsje, een plaats voor zijn gantsche leven krijgen kan'. Wanneer enkele jaren later de secretaris van het genootschap hem meedeelt dat zijn vers 'Aan God' niet geplaatst kan worden, bedankt Bellamy woedend voor het lidmaatschap en keert de genootschappen voorgoed de rug toe, omdat de dichters erin volgens hem 'met hun allen maar een zangnymph hebben, die nu bij den een, dan bij den anderen logeert'. 
 

 

 

TITELPAGINA REDACTIONEEL WEGWIJZER HOOFDPAGINA DECENNIUM JAAR ZOEKEN

Pagina herzien : 13-01-04
Copyright © 1998-2003, Hein Leferink