Hoofdstuk
XXIII uit
het Tractaat over
de verdraagzaamheid (Traité sur la tolérance, 1763):
PRIÈRE À DIEU
GEBED TOT GOD
Ik richt mij dus niet langer tot de mensen. Ik
richt mij tot u, God van alle wezens, alle werelden en alle
tijden. Als het zwakke schepselen, verloren in de oneindige ruimte en
onwaarneembaar voor de rest van het universum,
is gegund u iets te
durven vragen, u die alles geschonken hebt, u wiens besluiten onwrikbaar
zijn, want eeuwig, wees dan zo goed om de smetten die aan
onze natuur kleven met deernis te beschouwen. Laten die fouten niet
onze rampen uitmaken. U hebt ons geen hart gegeven om elkaar te haten,
en handen om elkaar te wurgen. Maak dat wij elkaar helpen om
de last te dragen van een kwetsbaar en vluchtig leven. Maak dat de
kleine verschillen tussen de kleren die onze zwakke lichamen bedekken,
tussen al onze tekortschietende talen, al onze belachelijke zeden
en gewoonten, onze onvolmaakte wetten, onze onbezonnen
meningen, al onze levensomstandigheden, in onze ogen zo
onevenredig, in uw ogen zo gelijk -maak dat al die kleine nuances die
het verschil uitmaken in de atomen die men mensen noemt, niet het
sein vormen tot haat en vervolging. Mogen zij die bij klaarlichte dag kaarsen aansteken
om u te eren, hen verdragen die zich tevreden stellen met het schijnsel
van uw zon. Dat zij die over hun kleren een wit gewaad aantrekken om te
verkondigen dat men u moet beminnen, niet degenen verafschuwen die hetzelfde
zeggen in een mantel van zwart linnen. Laat het om het even zijn, u te
aanbidden in een jargon dat uit een oude taal is gesmeed, of in een
nieuwerwetser jargon. En mogen zij wier kleren rood of paars zijn geverfd, die
heersen over een klein deeltje van een hoopje van de modder van deze
aarde en die een paar ronde brokstukken bezitten van een bepaald metaal,
zonder
trots genieten van wat zij aanzien en rijkdom noemen, en
laat de anderen hen zonder afgunst bezien. Want u weet dat er in die
ijdelheden niets is om afgunstig op te zijn of er zich over te verhovaardigen.
LatenLaten alle mensen zich
herinneren dat zij broeders zijn! Mogen zij de tirannie die over de zielen
wordt uitgeoefend met afschuw beschouwen, zoals zij de roverij verfoeien
die met geweld de vrucht van arbeid en vredige nijverheid steelt.
Als de plagen van de oorlog onvermijdelijk zijn, laten we elkaar dan niet haten,
elkaar niet verscheuren in de schoot van de
vrede, en laten wij het ogenblik van ons bestaan gebruiken om
gelijkelijk, in duizend verschillende talen, van Siam tot
Californië, uw goedheid te prijzen die ons dit ogenblik heeft
geschonken.
PRIÈRE À DIEU