TITELPAGINA REDACTIONEEL WEGWIJZER HOOFDPAGINA DECENNIUM JAAR ZOEKEN



Andere portretten:



Frederik II, Koning van Pruisen,
Eloge de Voltaire (1778) 


Hoofdstuk  XXIII uit het Tractaat over de verdraagzaamheid (Traité sur la tolérance, 1763):


  PRIÈRE À DIEU

  GEBED TOT GOD 

Ik richt mij dus niet langer tot de mensen. Ik richt mij tot u, God van alle wezens, alle werelden en alle tijden. Als het zwakke schepselen, verloren in de oneindige ruimte en onwaarneembaar voor de rest van het universum, is gegund u iets te durven vragen, u die alles geschonken hebt, u wiens besluiten onwrikbaar zijn, want eeuwig, wees dan zo goed om de smetten die aan onze natuur kleven met deernis te beschouwen. Laten die fouten niet onze rampen uitmaken. U hebt ons geen hart gegeven om elkaar te haten, en handen om elkaar te wurgen. Maak dat wij elkaar helpen om de last te dragen van een kwetsbaar en vluchtig leven. Maak dat de kleine verschillen tussen de kleren die onze zwakke lichamen bedekken, tussen al onze tekortschietende talen, al onze belachelijke zeden en gewoonten, onze onvolmaakte wetten, onze onbezonnen meningen, al onze levensomstandigheden, in onze ogen zo onevenredig, in uw ogen zo gelijk -maak dat al die kleine nuances die het verschil uitmaken in de atomen die men mensen noemt, niet het sein vormen tot haat en vervolging. Mogen zij die bij klaarlichte dag kaarsen aansteken om u te eren, hen verdragen die zich tevreden stellen met het schijnsel van uw zon. Dat zij die over hun kleren een wit gewaad aantrekken om te verkondigen dat men u moet beminnen, niet degenen verafschuwen die hetzelfde zeggen in een mantel van zwart linnen. Laat het om het even zijn, u te aanbidden in een jargon dat uit een oude taal is gesmeed, of in een nieuwerwetser jargon. En mogen  zij wier kleren rood of paars zijn geverfd, die heersen over een klein deeltje van een hoopje van de  modder van deze aarde en die een paar ronde brokstukken bezitten van een bepaald metaal, zonder trots genieten van wat zij aanzien en rijkdom noemen, en laat de anderen hen zonder afgunst bezien. Want u weet dat er in die ijdelheden niets is om afgunstig op te zijn of er zich over te verhovaardigen.
   LatenLaten alle mensen zich herinneren dat zij broeders zijn! Mogen zij de tirannie die over de zielen wordt uitgeoefend met afschuw beschouwen, zoals zij de roverij verfoeien die met geweld de vrucht van arbeid en vredige nijverheid steelt. Als de plagen van de oorlog onvermijdelijk zijn, laten we elkaar dan niet haten, elkaar niet verscheuren in de schoot van de vrede, en laten wij het ogenblik van ons bestaan gebruiken om gelijkelijk, in duizend verschillende talen, van Siam tot Californië, uw goedheid te prijzen die ons dit ogenblik heeft geschonken.

  PRIÈRE À DIEU

 

   
 

TITELPAGINA REDACTIONEEL WEGWIJZER HOOFDPAGINA DECENNIUM JAAR ZOEKEN

Pagina herzien : 13-01-04
Copyright © 1998-2003, Hein Leferink