De geschiedenis van de stad Sneek

De stad Sneek is ontstaan op de overgang van het kleigebied van Westergo en het ten zuiden daarvan gelegen lage veengebied. Het gebied is waterrijk en moerassig. Ten noorden van Sneek zijn resten gevonden van oude terpen, aardewerk en munten. Dit is een bewijs dat al in de eerste eeuwen van onze jaartelling hier kleine nederzettingen zijn geweest.

In de Middeleeuwen sloeg het zeewater van de Middelzee, tot Sneek en Bolsward reikende, grote stukken van het laagveen weg, maar door langzame aanslibbing werd daar in rustige tijden zware zeeklei voor in de plaats afgezet. Sneek ligt op de grens van deze afzettingen en de nauwelijks door het Middelzeewater beroerde veengebied die met een dunne, kalkarme laag klei bedekt is.

Na de bedijking van de Middelzee groeide de betekenis van de stad Sneek. De natuurlijke waterloop, de Woudvaart, had in Sneek door de Hemdijk een hindernis. De Woudvaart was, als voornaamste waterverbinding van Westergo naar het zuidwesten van Friesland, van grote betekenis. Op de kruising van water en dijk groeide de verkeersdrukte. Om de waterstand te beheersen en het verkeer zo weinig mogelijk te hinderen kwamen bij Sneek een aantal zijlen in de dijk. Aanvankelijk was de Neltjeszijl, thans nog aanwezig onder het smalste huis van de noordelijke gevelwand van het Schaapmarktplein, de belangrijkste.

De oudste kern van stad is gelegen op de plaats van de Martinikerk en omgeving. Rond 1250 was Sneek nog maar een gering dorp, maar de stad groeide snel en werd in 1294 verheven tot een stad. De stad werd toen omgeven door vestingwallen en grachten. Deze wallen zijn niet zeer hoog geweest, dit was niet nodig omdat er in die tijd nog geen zware aanvalswapens waren.

De omvang van de stad was veel kleiner dan de huidige binnenstad. De westelijke en noordelijke binnenstadsgrenzen zijn nauwelijks veranderd, maar aan de oost-en zuidzijde verliepen die tot de vijftiende eeuw nog langs de Polle, Potterzijlen, Singel en Hoogend. De grachtenreeks (gedempt in de vorige en deze eeuw) was daar oorspronkelijk buitengracht. Alles wat nu zuidelijk en oostelijk daarvan ligt, behoort tot de stadsuitbreidingen van het einde van de vijftiende eeuw. Toen werden deze gebieden binnen nieuw gegraven stadsgrachten opgenomen. Hierdoor heeft de stad de vorm gekregen waarbinnen de ontwikkelingen tot de negentiende eeuw geklemd bleven, de hartvorm die aan de ringgracht om de oude binnenstad nog volledig te herkennen is.

Van de oudste omwalling is weinig bekend. Aan het eind van de viftiende eeuw werd een nieuwe wal ontworpen. Aan de noordoostzijde, waar het land juist het hoogst was en waarvandaan vijandelijke aanvallen te verwachten waren, was een belangrijk stuk stadsrand nog onbeschermd. Van die zijde werd ook de bedreiging van de Groningers gevreesd. Friesland werd al eeuwenlang geteisterd door binnenlandse oorlogen, waarbij de belangenstrijd van maatschappelijke groeperingen nog eens vertroebeld werd door bemoeienis van buitenaf. Zo trachtten de graaf van Holland en de stad Groningen grip op Friesland te krijgen. Aan het eind van de vijftiende eeuw was een behoorlijke stadsverdediging een dringende noodzaak geworden. In 1490 werd besloten om welgestelde burgers een belasting te laten betalen voor de verbetering van de stadsverdediging en toen werd begonnen met de bouw van de Oosterpoort die het nieuwe oostelijke stadsdeel ter weerszijden van de dijk moest beschermen. Maar dit was niet genoeg.

In de tweede helft van de zestiende eeuw werd de stad omringd met een dikke stenen muur. Alleen aan de noordoostzijde was de grond stevig, voor het overige was de stadsomtrek nogal moerassig. Maar een stenen muur was erg kostbaar. Toch was een goede verdediging van de stad erg belangrijk. Aan de noordoostzijde, waar een vijand de stad het best kon benaderen, werd bovendien de verdedigingsgracht verdubbeld.

Zo werd Sneek de enige ommuurde stad van Friesland. Het was geen gewone muur, maar de bestaande wallen werden bekleed met een twee steen dikke muur. Daar bovenop werd een hoge borstwering geplaatst waardoor de verdedigers gedekt waren tegen vijandelijk vuur en zelf goed vuur konden geven. Op zekere afstand van elkaar waren uit het muurwerk springende torens aangebracht. Lage vierkante rondelen voor uitzicht en flankvuur. Bij de noordelijke en oostelijke ingangen van de stad waren landpoorten met torens gebouwd. Het moet een indrukwekkend geheel gevormd hebben, maar het was bij de snelle ontwikkeling van de aanvalswapens ook een spoedig achterhaalde soort vesting. De Snekers hebben geen aanval of beleg meer hoeven doorstaan, maar zelfs zinder agressieve vijanden was het muurwerk moeilijk in orde te houden. Halverwege de zeventiende eeuw moest de in 1613 gebouwde Waterpoort hersteld worden na bedreiging van het Duitse Munster, maar daarna ging het met de stadsverdedigingswerken van Sneek bergafwaarts. In 1707 zijn er voor het laatst meldingen te vinden van herstel van de muur. Iets later werd het muurwerk geleidelijk aan weggebroken. De stenen werden verkocht en de wallen beplant.

Tegenwoordig is de stad Sneek het bestuurscentrum van de gelijknamige gemeente met ongeveer 30.000 inwoners. De stad is toeristisch bekend als watersport-, winkel- en uitgaanscentrum en tevens verzorgingscentrum voor de Zuidwesthoek van Friesland.

Bronnen:

  • Sneek, beeld van een stad, vele eeuwen stadsleven in woord & beeld, Jan Greidanus e.a., Drachten 1985
  • De elf steden van Friesland, L.Stilma en B.Hageman, Naarden 1994
  • Wandelingen door de Friese Elf Steden, Isy en Evy Zwolle, Zwolle 1990


M.Bouman@let.rug.nl

Terug naar overzicht blaeu

top
De Martinikerk


De Waterpoort