Homepage Gisela Redeker | CLCG | Faculty of Arts
Communicatie in institutionele contexten
Inaugurele rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de Communicatiekunde aan de Rijksuniversiteit Groningen door dr. Gisela Redeker op dinsdag 22 juni 1999
Mijnheer de Rector Magnificus, zeer gewaardeerde toehoorders,
Communiceren is een van de essentiële vaardigheden van elk levend wezen en vormt de basis van sociale structuren en instituties. In de Westerse samenleving is communicatie in deze eeuw steeds meer onder de aandacht en vaak vooral in opspraak gekomen. Massacommunicatie werd en wordt gezien als een bedreiging van de zelfstandige meningsvorming van het individu door ideologische indoctrinatie, misleidende berichtgeving en ongewenste reclame. Anderzijds lijkt het zgn. 'optimaal communiceren' vaak de ultieme remedie voor individuele, institutionele, politieke en maatschappelijke problemen. Men denke bijvoorbeeld aan de gesprekstherapie, aan de verbetering van de interne communicatie, waarvoor vaak adviesbureaus ingeschakeld worden, aan commerciële of politieke onderhandelingen, of aan de POSITIEVE rol van de massamedia, namelijk de manier waarop met name radio en televisie, en toenemend ook het Internet, de maatschappelijke participatie van brede bevolkingsgroepen bevorderen. Het wordt steeds duidelijker dat onze post-industriële samenleving zich economisch en sociaal tot een communicatie- en informatiemaatschappij ontwikkelt. De wetenschappelijke en politieke discussie over de information society is overigens niet pas met de information highways van de jaren '90 ontstaan, maar begon in de jaren '70 en is dus al een kwart eeuw gaande.
Gezien het maatschappelijk, politiek en commercieel belang van communicatie zal het geen verbazing wekken dat er inmiddels sprake is van een proces van steeds verdergaande professionalisering: steeds meer bedrijven en overheidsinstellingen hebben speciale communicatieafdelingen, en communicatiedeskundigen van binnen of buiten de organisatie worden steeds vaker niet alleen bij de uitvoering, maar ook bij de beleidsvorming betrokken. Het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs hebben communicatieopleidingen ontwikkeld om aan de gestaag groeiende vraag naar communicatiedeskundigen te voldoen. Een van deze opleidingen is de Opleiding Communicatiekunde hier aan de Rijksuniversiteit Groningen met een instroom van thans ongeveer tachtig studenten per jaar.
De opleiding en het vakgebied zijn sterk op de professionele toepassing van communicatie in institutionele contexten geënt. Degenen die nu misschien een flitsende multimediashow met veel cases uit de praktijk verwachten, moet ik echter teleurstellen. Ik heb de verleiding weerstaan om u te amuseren met mooie plaatjes van reclameboodschappen, slim bedachte voorlichtingsspotjes of voorbeelden van flitsende of juist niet goed werkende websites. Dat alles zijn natuurlijk wel objecten van communicatiekundig onderzoek, maar alleen in de oppervlakkige zin van de fysieke objecten waarmee dat onderzoek zich bezig houdt. Ik heb ervoor gekozen om met voornamelijk talige middelen tot uw verbeelding te spreken en om voor uw geestesoog de eigenlijke, conceptuele objecten van communicatieonderzoek te proberen tot leven te brengen.
Ik zal eerst stilstaan bij de essentiële kenmerken van communicatie, vervolgens een aantal theorieën schetsen waarop de huidige stromingen in communicatieonderzoek gebaseerd zijn, en dan de probleemstellingen en toepassingen bespreken die centraal staan in de communicatiekunde hier in Groningen. Aan het eind van mijn voordracht zal ik nog kort ingaan op de toekomstperspectieven van enerzijds de institutionele communicatie zelf en anderzijds het vakgebied communicatiekunde.
Wat is communicatie?
Er zijn in de wetenschappelijke literatuur ongelofelijk veel verschillende definities voorgesteld; de auteurs van een overzichtsartikel uit 1976 telden er al 126, en dat getal zal inmiddels zeker nog gegroeid zijn. De meest gehoorde en meest gebruikte definities zijn varianten van het volgende: Communicatie is een proces waarbij door middel van tekens informatie wordt overgedragen. Daarbij kunnen 'tekens' woorden zijn maar ook iets anders zoals gebaren, afbeeldingen en dergelijke. Aan deze definitie ligt een zeer plausibele en populaire metafoor ten grondslag, de zgn. 'transport-' of 'pijplijn-' metafoor: informatie die ik met iemand anders wil delen wordt verpakt in een code - bijvoorbeeld in woorden - en wordt door een transportmedium of pijplijn - bijvoorbeeld spraak of tekst - vervoerd naar de ontvanger, die de betekenis 'uit mijn woorden haalt'. Een van de meest succesvolle varianten van deze definitie is het 'transmission model' of 'zender-ontvanger model' dat de informatie-theoretici Shannon en Weaver in 1949 opstelden, geïnspireerd op de toen zeer actuele telegrafie.
Rondom deze definitie zijn nog steeds hevige discussies gaande. Het model wordt vooral bekritiseerd om de eenzijdigheid of lineariteit van het geschetste communicatieproces - feedback van de ontvanger is in dat model immers pas mogelijk nadat mijn informatie al bij hem gearriveerd is en hij de rol van zender kan overnemen. Een tweede, nog belangrijker kritiekpunt is de vooronderstelling van een vaste, gemeenschappelijke code - het encoderen en het decoderen moeten symmetrisch verlopen zoals bij het Morse-alfabet. Maar we weten uit de taalwetenschap en de cognitieve psychologie allang dat communicatie in natuurlijke taal zo niet werkt. Woorden hebben geen precieze, vastomlijnde betekenis. Hun betekenis is afhankelijk van de context en van de kennis en verwachtingen van de taalgebruikers, met name van hun gedeelde, of als gedeeld vooronderstelde kennis. Ik kan met éénzelfde zin heel verschillende taalhandelingen verrichten. Als ik zeg 'Je vertrekt nu', dan kan dat afhankelijk van de context en van mijn intonatie, een constatering zijn ('je vertrékt nu; dus wil ik je een kadootje aanbieden'), een vraag ('O, je vertrekt nu?), een verwijt ('Je vertrekt NU!?') of een bevel ('Zo is het wel genoeg geweest. Je vertrekt NU!'). In de situaties die ik met deze vier varianten impliciet opgeroepen heb, hebben de spreker en de toegesprokene verschillende rollen, en verschillende relaties tot elkaar. Dat komt tot uiting in wat ze tegen elkaar zeggen, en hoe ze dat doen. Bijzonder mooi wordt dat duidelijk in een voorbeeld van de conversatie-analyticus Harvey Sacks dat ik hier vertaald heb:
A: Ik heb een 14-jarige zoon.
B: Da's prima.
A: en ik heb ook een hond.
B: O, 't spijt me.
Als we deze, op het eerste gezicht wat rare, uitwisseling proberen te begrijpen, blijkt dat het een doodgewone uitwisseling is, als we er maar van uitgaan dat A graag een kamer of woning wil huren en dat B de eigenaar is (die dus wél kinderen, maar geen honden toestaat).
Als laatste voorbeeld voor de verwevenheid van taal en context wil ik een kleine quiz met u doen. De quizvraag luidt: "Hoeveel dieren van ieder soort nam Mozes mee op de ark?" ........ Als u het bijbelverhaal kent zult u waarschijnlijk geneigd zijn om het antwoord 'twee' te geven. De meeste mensen realiseren zich niet, of althans niet meteen, dat in deze vraag over de ark van Noach een verkeerd bijbelfiguur ingeslopen is. Dat is ook geen wonder. De vraag was immers niet "Werd de ark gebouwd door Mozes?" Daar had je meteen 'nee' op kunnen zeggen. Je concentreert je gewoon op hetgeen waar de vraag blijkbaar over gaat, en zo val je in dit geval ten prooi aan een zgn. 'semantische illusie'. Want Mozes past immers best in een bijbelverhaal, dus die valt niet op. Ik had Noach in mijn vraag niet met 'Bill Clinton' moeten vervangen; daar was niemand ingetrapt.
De taalkundigen onder u zullen bij dit voorbeeld en bij mijn uitleg onmiddellijk aan de 'vader' van de linguïstische pragmatiek, H. Paul Grice en zijn invloedrijke 'conversational maxims' gedacht hebben. Helaas ontbreekt mij hier de tijd om op deze belangrijke taalgebruikstheorie in te gaan. Een zeer bijdetijdse uitwerking van Grices ideeën die onderbouwd is door conversatie- en corpus-analytische alsmede experimentele resultaten, is Herbert H. Clark's monografie Using Language die in 1996 verschenen is.
In plaats van daarop nu verder in te gaan, zal ik met de volgende twee dia's proberen de relatie tussen communicatie en context te visualiseren. De eerste dia geeft een schematische representatie van het communicatieproces weer, de tweede zal de consequenties voor communicatieonderzoek illustreren. Hier de eerste:
De talige en de niet-talige communicatie vinden plaats in een context waar de deelnemers met een bepaalde activiteit bezig zijn in een bepaalde, soms institutionele omgeving. De context moet echter niet gezien worden als een schil die om de communicatie heen zit; context en communicatie doordringen elkaar, en hetzelfde geldt voor talige en niet-talige communicatie. Immers, in welk medium ik ook praat of schrijf, mijn talige uitingen zullen altijd vergezeld zijn van bedoelde of onbedoelde niet-talige tekens. En mijn uitingen zullen eveneens, bedoeld of onbedoeld, mijn interpretatie van de context weerspiegelen en daarmee ten behoeve van deze communicatie de context mede definiëren.
Dat is wat ik met mijn voorbeelden duidelijk wilde maken en wat centraal staat bij taalgebruikstheorieën die op coöperatie-principes gebaseerd zijn, zoals die van Grice en van Clark. In zo'n visie is communicatie HET SCHEPPEN VAN GEMEENSCHAPPELIJKE BETEKENIS. Als communicatie zo gedefinieerd wordt, als het scheppen van gemeenschappelijke betekenis, dan lijkt dat misschien onverenigbaar met het eerder besproken informatieoverdrachtsmodel. Toch kan dat model nog steeds heel nuttig zijn om bepaalde aspecten van communicatie te beschrijven, als we maar niet denken dat communicatie zo echt werkt. Datzelfde geldt voor een taalwetenschap die taal als een formeel tekensysteem begrijpt en context alleen mondjesmaat en schoorvoetend toelaat en zelfs dan nog begrijpt als een modulerende en niet als een constituerende factor. Mijn stelling is dat deze benaderingen wezenlijk onvolledig zijn en een vertekend beeld dreigen te geven van communicatie. [voetnoot: COGNITIVE LINGUISTICS - Peter Harder in Janssen & Redeker (eds.), 1999: dual grounding of language in the physics and physiology of the body (causal grounding) and in the social-interactional context (functional grounding)]
En nu komt dus mijn tweede illustratie, het schilderij De zomer van de Italiaanse schilder Giuseppe Arcimboldo uit 1563:
Communicatie bestuderen zonder aandacht voor de verwevenheid met de context is alsof we dit schilderij alleen in termen van groenten en fruit zouden begrijpen en niet als een menselijk figuur zouden zien. Het feit dat we hier bovendien met een surrealistisch kunstobject te maken hebben, laat ik voor mijn analogie even buiten beschouwing.
Communicatietheorie(ën)
In het wetenschappelijk onderzoek en onderwijs wordt communicatie vanuit uiteenlopende disciplines benaderd, met name taalkunde/taalbeheersing, psychologie, sociologie, informatica en bedrijfskunde. Niettemin heeft het vakgebied inmiddels de status van een autonoom wetenschapsgebied verworven, met eigen tijdschriften, conferenties en professionele verenigingen. In de Verenigde Staten is in 1950 de eerste beroepsvereniging ontstaan, die 1968 van een nationale tot een internationale organisatie omgevormd is, de huidige International Communication Association (ICA). Ook het naar mijn weten eerste tijdschrift voor Communicatie werd in 1950 gesticht; dat tijdschrift was het nog steeds zeer invloedrijke Journal of Communication. Zoals ik aan het begin al zei, is de aandacht voor communicatie - ook in de wetenschap - in de loop van deze eeuw enorm toegenomen. In de tweede helft van de eeuw heeft communicatiekunde zich aan steeds meer universiteiten als zelfstandig vakgebied kunnen etableren. Zeer recente voorbeelden in Nederland zijn de oprichting van de Amsterdam School of Communications Research (ASCoR) in 1997 alsmede de instelling van de leerstoel Bedrijfscommunicatie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en de leerstoel Communicatiekunde hier in Groningen.
Ondanks de verzelfstandiging van haar moederdisciplines is de interdisciplinaire afkomst van communicatiekunde nog steeds duidelijk zichtbaar in een grote theoretische en methodologische pluriformiteit. In een recent overzichtsartikel in het tijdschrift Communication Theory (mei 1999) heeft Robert Craig op een bijzonder verhelderende manier zeven tradities binnen de communicatietheorie geschetst en vergeleken.
De zeven tradities die hij onderscheidt zijn (in mijn vertaling): retorica, semiotiek, fenomenologie, informatietheorie, sociale psychologie, sociaal-culturele theorie en kritische theorie. In feite komen deze tradities zelden of nooit in hun 'pure' prototypische vorm voor; verruit het meeste communicatieonderzoek hanteert tussenvormen of combinaties van twee of meer van deze tradities. Toch lijkt het mij nuttig om de geïdealiseerde 'pure' tradities hier kort de revue te laten passeren. Zij geven namelijk een levendig beeld van de verscheidenheid en de spanningslijnen binnen de communicatiekunde. Ik zal voor elke traditie heel kort schetsen hoe communicatie gedefinieerd wordt en wat de essentiële doelstelling voor communicatieonderzoek in die traditie is. Tevens zal ik voor elke traditie de inherente beperkingen of minpunten aanstippen.
De Retorica definieert communicatie als "de kunst van de redevoering" en toetst argumenterend taalgebruik aan regels voor redelijke discussie. Zij is in de hier bedoelde 'pure' vorm, normatief gericht op de optimalisering van de praktijk van communicatoren, en dreigt als zodanig meer op de vaardigheden van het individu dan op de bredere communicatiecontext gericht te zijn.
Voor de Semiotiek is communicatie "intersubjectieve uitwisseling door middel van tekens". Het gaat haar dus vooral om beschrijvingen van tekensystemen. De autonomie die daarbij aan semiotische systemen toegekend wordt, staat haaks op de eerder geschetste opvatting van de verwevenheid van context en communicatie.
Fenomenologie beschouwt communicatie als dialoog, het ervaren van de ander. Het gaat dus om relaties tussen mensen. Zij baseert zich op de controversiële assumptie dat het individu in staat is om de ander authentiek te ervaren. Haar methode bij uitstek is de introspectie, die niet voldoet aan de gebruikelijke eisen van objectiviteit en controleerbaarheid.
Voor de Informatietheorie betekent communicatie informatie-overdracht van een zender naar een ontvanger via een medium met behulp van een code. Centraal doel van communicatieonderzoek zijn hierbij effectiviteit en efficiëntie van die informatie-overdacht, alsmede de factoren die de overdracht kunnen belemmeren of juist bevorderen en veiligstellen. Nadeel van deze opvatting van communicatie is haar lineariteit of éénrichtingsdenken en het feit dat communiceren als volstrekt rationalistische bezigheid gemodelleerd wordt, waardoor expressieve en relationele componenten van communicatie moeilijk te beschrijven zijn.
De Sociale Psychologie bestudeert communicatie als "expressie, interactie en beïnvloeding". Zij richt zich op communicatieve intenties, op verwerkingsprocessen en op de effecten van communicatie op kennis, attitudes en gedrag. Context wordt in haar modellen meegenomen als bron van invloedfactoren. Een evidente tekortkoming van de sociale psychologie is haar focus op het individu, waardoor onvoldoende recht gedaan wordt aan de sociale handelingscontext.
Voor de Sociaal-culturele theorie is communicatie het produceren en reproduceren van sociale orde: welke praktijken bezigen de leden van een gemeenschap in hun alledaagse activiteiten? Waar het om gaat is het ontstaan en instandhouden van maatschappelijke structuren te begrijpen uit locale interactieverschijnselen. Door haar focus op de locale constructie en manifestatie van structuren herbergt de sociaal-culturele theorie het gevaar particularistisch beschrijvend te blijven en onvoldoende kansen te bieden om tot generaliserende uitspraken te komen.
De kritische theorie, ten slotte, beschouwt communicatie als discursieve reflectie. Centraal staat daarbij het ophelderen van ideologische manipulatie; de kritische theorie heeft dus een emancipatoire doelstelling. Wat veelal weerstand oproept is het feit dat de kritische theorie zelf wezenlijk ideologisch is (zijn moet!) en haar ideologie-kritische analyse tot norm verheft.
Tot zover in een snelle vogelvlucht de zeven tradities van de communicatietheorie. De bedoeling is nu niet om er een of meer te kiezen en de andere af te keuren. Alle zeven definities en alle zeven doelstellingen voor communicatieonderzoek hebben hun raison d'être en vaak kunnen zij elkaar perfect aanvullen, zoals de veelvuldig voorkomende combinaties of mengvormen van benaderingen laten zien (waarop ik helaas met het oog op de tijd hier niet nader in kan gaan). Een goed deel van de spanningen tussen de tradities kan geformuleerd worden in termen van verschillende visies op de aard en de rol van context in communicatie. In de retorica is de relevante context wat de spreker wil overbrengen en welke middelen hij daarvoor tot zijn beschikking heeft. Voor de semiotiek is de relevante context voor de uitwisseling van betekenissen het tekensysteem waarbinnen die uitwisseling gebeurt, enzovoort. Een analyse van de complementariteiten en de spanningen tussen de communicatiekundige tradities, zoals die door Craig begonnen is, zou een oriëntatie kunnen bieden om uit de nog steeds grote versplintering van benaderingen tot meer coherentie van het vakgebied te komen - niet door homogenisering, maar door wederzijdse kritische receptie en dialoog. Deze coherentie met behoud van pluriformiteit noemt Craig een dialogisch-dialectische coherentie. Daarover later nog iets meer. Ik wil nu dit tot nu toe wat theoretische verhaal completeren met een bespreking van toepassingen en probleemstellingen in de communicatiekunde zoals wij die hier in Groningen beoefenen.
Communicatiekunde aan de RUG
Het onderzoek en het onderwijs in de communicatiekunde aan de RUG zijn gericht op de functionaliteit van communicatie in, van en met instituties. Het kernpunt is daarbij steeds de communicatie zelf, dus de functionele analyse van de talige of andere semiotische middelen. Vanuit deze kern kunnen echter verschillende probleemstellingen benaderd worden. Het accent kan meer op de institutionele context gericht zijn, dus op Organisationele Communicatie; of het kan gericht zijn op de vergelijking van verschillende representatie- en communicatievormen in een deelgebied die wij Media en Computercommunicatie noemen, of het accent kan liggen op de culturele achtergrond van deelnemers en instituties, dus op Interculturele Communicatie. In de opleiding Communicatiekunde zijn dit de drie specialisaties die gekozen kunnen worden; in het onderzoek zijn de drie richtingen niet altijd scherp onderscheiden, wat de wederzijdse bevruchting ten goede komt. Ik zal de drie deelgebieden even kort toelichten.
Organisationele Communicatie
Binnen het deelgebied Organisationele Communicatie worden de interne en de externe communicatie van bedrijven en overheidsinstellingen onderzocht. Dat gebeurt in eerste instantie onder de omvattende noemer van 'Corporate Communication' die aangeeft dat de uiteenlopende externe en interne communicatiekanalen anders dan vroeger als een integraal geheel beschouwd en op elkaar afgestemd worden. Zo wordt de identiteit van een organisatie niet zuiver van bovenaf bepaald door een 'mission statement', maar manifesteert zich pas werkelijk in de informatiestromen en besluitvormingsprocessen in alle gelederen van de organisatie. Geïntegreerd communicatiebeleid is ook nodig voor het ontwikkelen en bestendigen van het imago, het beeld dat het publiek heeft van een organisatie - of, in feite, het economisch en sociaal-culturele imago van een land, bijvoorbeeld Nederland.
Gezien het belang en de kosten van corporate communication is het verbazingwekkend hoe weinig harde gegevens er zijn over de feitelijke effectiviteit van geïntegreerde corporate communication. Dit zal een van de speerpunten van ons onderzoek moeten worden. Hoofdaandachtspunten daarbij zijn enerzijds vormen en werking van persuasieve communicatie in voorlichting, reclame en publiekscontacten; en anderzijds micro-analyses van institutionele interacties: besluitvorming in vergaderingen, onderhandelingen, sollicitatiegesprekken, relatiemanagement, enzovoort.
Ten behoeve van dit onderzoek zijn wij begonnen met de opbouw van corpora waarbij video- en audio-opnames van institutionele interacties getranscribeerd en geanalyseerd worden. De audiovisuele signaalstromen en de annotaties zullen in de nabije toekomst aan elkaar gekoppeld en als multimediale corpora bewerkt en gearchiveerd worden.
Media en Computercommunicatie
In het tweede deelgebied, Media en Computercommunicatie, staan de functionele kenmerken van verschillende media centraal. Hoe worden verschillende soorten concrete en abstracte, statische en dynamisch veranderende informatie gerepresenteerd in verschillende media zoals spraak, tekst, grafieken, animaties, film, televisie, het WorldWideWeb? Hoe worden in elk medium samenhangen gelegd tussen brokjes informatie en welke soorten samenhang kunnen telkens wel of niet, goed of minder goed gerepresenteerd worden? Hoe, door wie en voor wie wordt communicatie in de verschillende media geproduceerd, gerecipieerd en eventueel gearchiveerd?
Praktijkgerichte vraagstellingen betreffen hier onder meer het gebruik en de effecten van talige, visuele en cineastische presentatietechnieken in de massamedia, bijvoorbeeld in relatie tot beeldvorming en stereotypen over mannen en vrouwen of over minderheden.
Een bijzonder belangrijke rol speelt de informatietechnologie, die in zekere zin als de integratie van zo goed als alle andere media gezien kan worden, maar die vooral volstrekt nieuwe structuren schept: communicatiestructuren die interactiever en complexer worden, maar in het verlengde daarvan ook nieuwe maatschappelijke verhoudingen en nieuwe aandachtsgebieden voor de wetgeving.
De meest nijpende praktijkproblemen op het gebied van de computercommunicatie zijn problemen die te maken hebben met de implementatie, de acceptatie en het gebruik van informatie- en communicatietechnologieën. Met het oog op dit probleemgebied wordt vanaf het komend studiejaar binnen de specialisatie Media en Computercommunicatie een Duaal (dus: leer- en werk-) Traject Computercommunicatie aangeboden in samenwerking met partners uit het bedrijfsleven.
Interculturele Communicatie
Interculturele Communicatie richt zich zowel op communicatieprocessen in het kader van internationale contacten als op communicatievraagstukken in de multiculturele samenleving. Een centraal concept is 'culturele competentie'. Daarmee wordt de vaardigheid bedoeld zich op andere culturen in te stellen en de eigen cultureel bepaalde verwachtingen, vooronderstellingen en gewoontes te relativeren en hun culturele bepaaldheid te begrijpen. Bij de internationale communicatie speelt daarnaast de soms gebrekkige beheersing van een vreemde taal een rol, die voor veel misverstanden en irritaties kan zorgen.
Als er niet over de landsgrenzen heen, maar binnen één land intercultureel gecommuniceerd wordt, nemen zowel de kwesties van culturele competentie als de taalvaardigheidsproblematiek andere vormen aan. Het gaat immers doorgaans om minderheidsgroepen die naast hun eigen taal en cultuur ook dagelijks en van kind af aan in aanraking komen met de dominante taal en cultuur. In institutionele interacties, bijvoorbeeld op school, ontstaan botsingen tussen de thuiscultuur en de dominante cultuur. Om de vaak subtiele maar in hun cumulatief effect zeer ingrijpende gevolgen van deze incongruenties nader te onderzoeken zullen wij in de komende jaren in samenwerking met een aantal Utrechtse collega's een project uitvoeren over 'Interactie in de multiculturele klas als middel van in- en uitsluiting'. Dit project wordt mede gefinancierd door NWO in het kader van het programma 'De Nederlandse Multiculturele en Pluriforme Samenleving (NMPS)'.
Daarmee wil ik mijn korte schets van de Communicatiekunde in Groningen afsluiten. Ik hoop u een indruk gegeven te hebben van de breedte en verscheidenheid van probleemstellingen, maar ook van de samenhang van het vakgebied. Wat ik als de wellicht sterkste gemeenschappelijkheid zie, is het feit dat communicatie als onlosmakelijk verbonden gezien wordt met de context waarbinnen de communicatie plaatsvindt, zowel wat de institutionele regels en conventies betreft als ook met betrekking tot de cognities en doelen van de deelnemers. Het gaat om een dynamisch proces, waarbij niet alleen de context bepaalt wat en hoe er gecommuniceerd wordt, maar waarbij de communicatie op haar beurt de context definieert en verandert. Dit laatste zien we op kleine schaal in de micro-analyse van interactionele processen, en op grote schaal in de sociale, economische en juridische innovaties die de ontwikkeling van de nieuwe media teweegbrengt.
Toekomst
Daarmee ben ik aangekomen bij mijn laatste punt, de toekomst.
Wat de ontwikkeling van de communicatie betreft, heb ik aan het begin van deze rede al aangestipt dat er sprake is van toenemende diversiteit, interactiviteit, integratie. De integratie zien we bijvoorbeeld in de trends naar geïntegreerde 'corporate communication' maar ook in de technologische integratie van verschillende media.
De opkomst van de moderne informatie- en communicatietechnologieën leidt tot globalisering, maar ook tot individualisering. Traditionele massacommunicatie via de pers, radio, televisie en buitenreclame was een in wezen éénzijdige communicatievorm met een breed, anoniem publiek. Intussen stellen wij al zappend en surfend ons eigen informatiepakket samen en verwacht de mondige burger en consument vanzelfsprekend dat overheidsinstellingen en bedrijven hem de mogelijkheid bieden zijn mening kenbaar te maken en vragen te stellen - bijvoorbeeld door een servicenummer te bellen of door per e-mail te reageren op informatie op een website. Daarnaast kan informatie ook steeds beter worden afgestemd op de individuele behoeften, doordat bedrijven en diensten op het World Wide Web gebruikersprofielen kunnen bijhouden. Ten slotte is het (vergeleken met andere kanalen) betrekkelijk goedkoop en eenvoudig om zelf op het Web te publiceren. Uiteraard ontstaan daardoor nieuwe conventies en structuren met veelal ingrijpende bijvoorbeeld juridische consequenties. Men denke aan de copyright-wetgeving en -controle voor presentaties op het WorldWideWeb.
Een heel recent verschijnsel bijvoorbeeld dat net vorige week [in juni 1999] in de NRC besproken is, is het softwarepakketje de "Third Voice", de 'derde stem', dat het mogelijk maakt om elektronisch gele memo-briefjes op webpagina's te plakken; de digitale plakkertjes worden door iedereen gezien die ook de Third Voice software gebruikt. Sommige sites zitten er nu al helemaal vol mee. Dat kan wel leuk zijn, maar ook heel vervelend. De webmasters zijn dan ook driftig op zoek naar middelen om die derde stem de kop in te drukken: ze proberen om software te ontwikkelen die hun sites kan beschermen of schoonmaken, maar er is ook al de roep naar de wetgever. Dit illustreert eens te meer hoe de toenemende aanwezigheid van steeds meer actieve spelers voor ongekende pluriformiteit en dynamiek in communicatie en maatschappij zorgt.
Zoals uit mijn betoog gebleken mag zijn, zijn dynamiek en pluriformiteit ook kenmerkend voor de communicatiekunde. Zij dient vanuit algemene principes uitspraken te doen over diverse en snel veranderende praktijksituaties; en zij moet trachten de theoretische inzichten uit haar deelgebieden met elkaar te verbinden zonder afbreuk te doen aan de fundamenten van haar uiteenlopende theoretische en methodologische tradities. Semiotische en pragmatische analyse van taal en tekst, conversatieanalyse, critical discourse analysis, cultural studies, sociaal-psychologische analyses en experimenten hebben elk een belangrijke plaats. Zij moeten, om Craigs hier eerder geïntroduceerde term te gebruiken, een dialogisch-dialectische coherentie vinden.
Om deze oproep in uw verbeelding en uw geheugen te vestigen, zal ik de abstracte terminologie vertalen naar een metafoor, want dit is de centrale boodschap van mijn voordracht: de communicatiekunde mag en zal geen keurig aangeharkte tuin of monotoon parklandschap worden, maar een vruchtbaar biotoop waar de verschillende scholen, tradities en toepassingen een gevarieerd, organisch samenhangend en groeiend geheel vormen en waar ook zeldzame en kwetsbare species zich kunnen ontplooien.
Dankzegging
Graag wil ik mijn voordracht besluiten met enkele persoonlijke woorden. In eerste instantie wil ik allen bedanken die tot de instelling van deze leerstoel en tot mijn benoeming hebben bijgedragen en met wie ik inmiddels zo plezierig mag samenwerken.
Allereerst het College van Bestuur en het Bestuur van de Faculteit der Letteren, met in het bijzonder de voormalige decaan van de Letterenfaculteit en huidige Rector Magnificus, de hooggeleerde Bosscher, en de huidige decaan, de hooggeleerde Hermans. Ik ben blij dat het Faculteitsbestuur de wijsheid en de middelen had om deze leerstoel in te stellen. U heeft daarmee de zelfstandigheid erkend van zowel de opleiding als het vakgebied Communicatiekunde. Ik dank u voor het in mij gestelde vertrouwen de belangen van deze leerstoel te behartigen en te bevorderen.
Mijn dank gaat ook uit naar de hooggeleerde Van Essen, die mij zeer bereidwillig gecoacht heeft voor de functies van hoogleraar en van afdelingsvoorzitter, en die altijd voor advies of overleg of zo maar een kopje koffie beschikbaar is. Dank je wel, Arthur.
Veruit de meeste dank echter ben ik verschuldigd aan mijn collega's in de Afdeling Taal en Communicatie. Om te beginnen hebben zij de belangrijkste rol gespeeld bij het totstandkomen van deze leerstoel. Zij hebben destijds vanuit de taalbeheersing en de toegepaste taalkunde onder leiding van de hooggeleerde Van der Geest de opleiding Communicatiekunde opgebouwd en hebben haar door hun inzet en enthousiasme doen uitgroeien tot een van de grootste opleidingen in de faculteit. En ze hebben mij opgenomen in hun midden alsof ik er altijd al bij gehoord had. Ik had mijn benoemingsbrief nog niet ontvangen, of ik werd al uitgenodigd om in de zomer van 1997 mee te discussiëren over het eerste concept van het nieuwe onderwijsprogramma, dat we inmiddels voor een groot deel geïmplementeerd hebben. Ook in het onderzoek en in de veelvuldige managementtaken heb ik me van begin af aan gesteund en gedragen gevoeld door het vertrouwen en de teamgeest in deze afdeling. We hebben inmiddels een hele reeks van initiatieven ontplooid of onder mijn leiding voortgezet en we beginnen de vruchten te zien: met het NMPS-project over interactie in de multiculturele schoolklas, waar straks een postdoc en een AiO hier komen werken en waarmee de samenwerking met een aantal Utrechtse collega's versterkt wordt, met het Duaal Traject Computercommunicatie, waarmee een begin gemaakt is voor een nauwere samenwerking tussen Communicatiekunde en Alfa-Informatica, en straks met het Communication Research and Consultancy Center, dat de communicatiekundige tegenhanger moet worden van het bestaande Expertisecentrum voor Taal, Onderwijs en Communicatie (ETOC). In het werkoverleg Communicatiekunde, in de bijeenkomsten van de onderzoeksgroep Discourse and Communication en in de vele informele gesprekken met jullie, vind ik het steeds weer fascinerend, hoeveel ideeën en initiatieven er in deze groep leven en met een beetje stimulering en steun tot groei gebracht kunnen worden. De biotoop-metafoor is ook hier van toepassing. Leidinggeven aan deze groep zou ik willen vergelijken met het beheren van een biotoop, waar veel moois kan groeien, als het maar de ruimte krijgt en een gezond en vruchtbaar milieu. Ik zal eraan blijven werken deze randvoorwaarden te optimaliseren en verheug me zeer op onze verdere samenwerking.
Als ik het heb over goede samenwerking, gedrevenheid en liefde voor het vak gaat mijn gedachte ook uit naar onze zeer recent overleden collega Liz Runia. Zij was als collega en als docente zeer geliefd en gewaardeerd. Wij zullen haar missen.
Dames en Heren studenten en oud-studenten Communicatiekunde
Ons boeiende vak kent een breed spectrum van beroepsmogelijkheden met een nog steeds groeiende vraag in uiteenlopende sectoren van de arbeidsmarkt. Het curriculum van de opleiding Communicatiekunde bevat dan ook een aantal sterk op toepassingen gerichte onderdelen, met name de casestudy en de verplichte stage. Overigens geldt voor alle letterenopleidingen dat er steeds meer gelet wordt op vaardigheden zoals de academische schrijfvaardigheid en basisvaardigheden in informatietechnologie. Het meest belangrijke gereedschap echter dat we jullie mee willen geven is de kennis die je nodig hebt om de juiste vragen te stellen en om vragen in de praktijk zo te operationaliseren en onderzoek zo op te zetten dat betrouwbare en relevante antwoorden gevonden kunnen worden. Als we daarin slagen, is voor de opleiding en voor onze afgestudeerden een mooie toekomst weggelegd.
Waarde collega's in het onderzoeksinstituut CLCG en de onderzoekschool BCN
De diversiteit die ik binnen de communicatiekunde gesignaleerd en als desideratum gekenschetst heb, is ook binnen het CLCG en in nog grotere mate binnen het BCN aanwezig. Ik beschouw dit als een bijzondere uitdaging en een kans - laten we gebruik maken van de rijkdom en de groeimogelijkheden die deze diversiteit ons biedt. Het feit dat het BCN onder leiding van de hooggeleerde Zwarts uit deze faculteit net met vlag en wimpel uit de hererkenningsprocedure gekomen is, geeft ons daarvoor het juiste signaal.
Leraren, oud-collega's en vrienden
Terugkijkend op de weg die mij naar Groningen gebracht heeft, zie ik bij elke stap de wortels van mijn huidige weten en kunnen, en de vele mensen die daar invloed op hadden. Het meest geldt dat natuurlijk voor mijn docenten en begeleiders: Hartmut Oldenbürger in Göttingen, Dan Slobin, Susan Ervin-Tripp, Wallace Chafe, Bob Wilensky en vele anderen in Berkeley en vooral mijn promotor Herb Clark uit Stanford, die nog steeds een lichtend voorbeeld voor mij is met de scherpe helderheid van zijn denken, de feilloze empathie waarmee hij zijn gesprekspartners bejegent en zijn onkreukbare professionaliteit.
Daarnaast heb ik veel te danken aan Nederlandse collega's. Allereerst de hooggeleerde Levelt, die met het Max Planck Institut für Psycholinguistik te Nijmegen een buitengewoon inspirerende onderzoeksomgeving gecreëerd heeft, waar inmiddels al zesentwintig hoogleraren uit zijn voortgekomen. Ik kreeg er alle steun om aan mijn proefschrift te werken en ik heb enorm veel geleerd van en met de mensen die als staf of als gasten aan het instituut onderzoek deden.
De hooggeleerde Noordman en de leden van het Werkverband Tekstwetenschap aan de Katholieke Universiteit Brabant te Tilburg. Het waren bijna acht jaar die ik onder jouw leiding, Leo, in Tilburg gewerkt heb. Het waren productieve en gelukkige jaren, vooral omdat je mij en ons allen de ruimte en de stimulans gaf om ons als docenten en onderzoekers te ontwikkelen en omdat het werkverband mede daardoor een enthousiast en vriendschappelijk samenwerkend team was.
De hooggeleerde Janssen en de leden van de leerstoelgroep Nederlandse Taalkunde en Taalbeheersing aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Bij en van jullie heb ik veel geleerd over schrijfvaardigheidsonderwijs en over de taalkundige fundering van de taalbeheersing van het Nederlands. Theo, jij stond altijd voor me klaar en je gaf me de gelegenheid om door het organiseren van de ICLC'97 mijn banden met de cognitief-linguïstische gemeenschap te verstevigen.
Van de vele andere oud-collega's en vrienden kan ik hier maar enkele noemen die mij het meest dierbaar zijn: Karin Kastens, José en Ted Sanders, Leonoor Oversteegen, Iris Bogaers en Eve Sweetser. Met elk van hen had ik ergens in de afgelopen twintig jaar regelmatig contact en/of nauwe samenwerking, en met elk van hen verbindt mij nog steeds een bijzondere vriendschappelijke band, die mijn leven verrijkt in goede en in minder goede tijden.
Tot slot wil ik mijn ouders danken voor de liefde, het vertrouwen en de steun die zij mij al die jaren gegeven hebben. Erika, Karl-Heinz: Danke für alles. Ook gaat aan het eind van deze rede mijn gedachte uit naar mijn helaas veel te vroeg overleden vader, die deze dag min of meer voorspeld had toen ik een jaar of negen was. Je hebt gelijk gekregen, Papa.
Ik heb gezegd.
© 1999.
Gisela Redeker