Dit stuk was oorspronkelijk bedoeld als het tweede deel van "Het Paalgeld, een bijdrage tot de Nederlandsche handelsstatistiek in het verleden". EHJB 45 (1982)





Het Buitenvuurgeld

Bij Ordonantie van de Staten van Holland van 19 december 1668 werd een nieuw tarief afgekondigd voor de heffing van het Vuurgeld ten behoeve van de kustvuren langs de Noordzee. Dit tarief is van toepassing geweest gedurende de periode waaruit opbrengstcijfers van deze belasting tot ons zijn gekomen, met dien verstande dat 1 september 1762 een tariefsverhoging met één derde heeft plaatsgevonden. Dit is gebeurd vanwege de gestegen exploitatiekosten en met name de toegenomen prijs van de steenkool. Men mag dus wel aannemen dat de opbrengsten in dit geval inderdaad geheel besteed geweest zijn aan het doel waarvoor de belasting was ingesteld. Zoals reeds aangegeven werden de kustvuren beheerd door de Commissarissen tot de Zaken der Pilotage benoorden de Maze. De ervoor bestede gelden werden door dit lichaam geadministreerd.

Toen de commissarissen in 1698 tevens belast werden met de zorg voor de kustvuren aan de Zuiderzee, werd voor dit laatste doel een aparte heffing ingesteld volgens een geheel ander tarief op de schapen die enkel de Zuiderzee bevoeren. Schepen die van volle zee kwamen vielen onder het oude Vuurgeld, dat nu Buitenvuurgeld genoemd werd in onderscheid van de nieuwe belasting, die Binnenvuurgeld heette. Uit een resolutie van de Staten van Holland van 2 juli 1773 blijkt duidelijk dat deze benamingen voortgevloeid zijn uit een spraakgebruik dat verschil maakte tussen "Binnenlandsch-" en "Buitenlandsch-vaarders". Eerstgenoemden betaalden het Binnen-, laatst genoemden het Buitenvuurgeld.

Er bestond wel eens onzekerheid over de vraag tot welke categorie een schip behoorde. In voormelde resolutie wordt geconstateerd dat "veele Vriesche, Groninger en andere Schepen" weigerden om Binnenvuurgeld te geven "onder pretext quasi, dat wel eens een reis na Hamburg, en zoo als men het noemt de Kleine Oost hadden gedaan, en dat vervolgens niet voor Binnenlandsch-, maar voor Buitenlandsch-vaarders moesten worden gehouden, niettegenstaande verscheide van deselve jaaren lang binnen vaaren en heen en weder sworven, zonder in die tuschentyt buiten Gaats te komen". De Staten bepaalden daarom dat onder binnenlandschvaarders "meede begreepen moeten worden alle zoodanige Schepen om de Kleine Oost varende tot Hamburg en de Eyder incluis als elders, die niet kunnen bewysen binnen een jaar Buiten-Vuurgelden betaald te hebben".

Inderdaad was volgens bovengenoemde ordonantie van 1668 het (Buiten-)vuurgeld van toepassing op "alle Schepen in het Texel, Vlie ofte der Schellingh inkomende". De schipper van een vaartuig dat de zeegaten naar de Zuiderzee binnenviel was verplicht deze belasting te voldoen, maar bleef vrijgesteld van het Binnenvuurgeld na de invoering ervan. Het onderscheid tussen de binnen- en buitenlandsvaarders voor degenen die resp. binnen- en buitengaats voeren was eeuwenoud en komt al op het einde der Middeleeuwen tot uiting in de benamingen van de twee Amsterdamse schippersgilden.

In het tarief van 1668 werden de schepen onderscheiden naar het gebied van afvaart. Op grond van de zo geschapen categorieën moest per scheepslast een bepaald bedrag worden betaald. Het hoogst aangeslagen werden schepen uit Oost-Indië: 16 stuivers per last. Voor schepen uit de Levant was dit 12 stuivers per last, voor schepen uit Italië, het Westen der Middellandse Zee en Guinee 10 stuivers, voor schepen uit West-Indië 6 stuivers, voor schepen uit Spanje en Portugal en daaromtrent alsmede die uit Moscovië en Groenland en daaromtrent 4 stuivers, voor alle andere schepen uit het Westen 2 stuivers en voor die uit het Oosten en Scandinavië 1 stuiver. Schepen met zout zonder stukgoederen betaalden 2 stuivers per last, die met stukgoederen 2 stuivers per last zout en voor de rest volgens de geografische categorie.

Het Buitenvuurgeld was dus een lastgeld, waarbij een differentiatie werd toegepast, die in hoofdzaak berustte op de door het schip afgelegde afstand en de veronderstelling zal hebben ingheouden, dat hoe verder een schip weg kwam, des te kostbaarder de lading was. De uitzondering die voor zout gemaakt werd, bevestigt trouwens de indruk dat er is gestreefd naar een verband tussen de waarde van de vracht en de voet van de heffing. De hantering van een aantal categorieën brengt uiteraard ook in dit geval een zekere ondoorzichtigheid van de opbrengstcijfers met zich mee. Hiervan afgezien houdt ook de heffing volgens het aantal lasten van het schip een versluiering in: men kan niet weten in hoeverre de capaciteit benut werd.

Zoals blijkt uit Grafiek D en Bijlage III zijn de opbrengstcijfers van dit lastgeld maar in een tamelijk beperkte mate beschikbaar. De presentatie ervan berust op dezelfde opzet als die voor de paalgeldcijfers is gehanteerd. In verband met de tariefsverhoging met één derde uit 1762 zijn alle opbrengstcijfers voor dat jaar door mij ook met één derde verhoogd, De werkelijke bedragen uit die periode belopen derhalve drievierde van de meegedeelde. Door de aangebrachte correctie zijn de cijfers van voor en na 1762 volstrekt met elkaar te vergelijken.

Behalve door het verschil in de aard van de twee belastingen wordt een vergelijking van de reeksen van het paalgeld en het Buitenvuurgeld bemoeilijkt doordat in die van het Buitenvuurgeld bij Amsterdam, Hoorn en Enkhuizen tevens de schepen uit Oost-Indië en wat Amsterdam betreft ook die uit Amerika inbegrepen zijn. Voor Hoorn en Enkhuizen is het niet mogelijk om de Oost-Indische invloed op de cijfers --die trouwens duidelijk naar voren komt-- te isoleren met behulp van de paalgeldcijfers van de schepen der V.O.C., aangezien daarbij een tarief per schip is gehanteerd.

Wat Amsterdam aangaat bleek het echter mogelijk om over de periode 1777-1794 het Oost-Indische en bovendien het West-Indische bestanddeel te isoleren. Naast de gewone jaarlijkse rekeningen van inkomsten en uitgaven van de ontvanger-generaal der vuurgelden is namelijk een bron voorhanden, waarin alleen wat Amsterdam betreft de jaarlijkse inkomsten zonder die van de Oost-Indische schepen worden meegedeeld. Vanaf 1781 bevat deze bron --voortaan aan te duiden met: afzonderlijke inkomsten uit Amsterdam-- de gegevens van de invoer uit "West-Indië", dat is Amerika en West-Afrika.

In deze opgaven worden tevens de zgn. convooilopers vermeld, over wie ik hieronder meer zal meedelen. Het blijkt dat deze convooilopers van ieder schip dat in Amsterdam binnenliep een provisie van 2½ stuiver kregen. In de boekhouding van de vuurgelden worden de opbrengsten van het Buitenvuurgeld, nadat deze provisie in mindering is gebracht, aangeduid als "zuiver rendement". Het verschil tussen het "zuiver rendement" en de eigenlijke opbrengst is naar verhouding zeer gering en daarom praktisch te verwaarlozen. In de bron met de afzonderlijke inkomsten uit Amsterdam staan de aantallen binnengelopen schepen en de afgedragen provisies vermeld.

In de eigenlijke jaarrekeningen wordt wat Amsterdam betreft steevast meegedeeld dat in de inkomsten voor Amsterdam de heffingen op de schepen van de V.O.C. inbegrepen zijn. De jaarlijkse inkomsten uit Amsterdam liggen inderdaad over 177701780 een stuk hoger dan uit de registratie van de afzonderlijke inkomsten betreffende Amsterdam naar voren komt. Over 1781 en ook over 1783 liggen ze evenwel net iets lager. Dit is in overeenstemming met het feit dat volgens de administratie van het Paalgeld in die twee jaren te Amsterdam geen Oost-Indië vaarders aangekomen zijn.

De minimale verschillen tussen de jaaropgaven voor Amsterdam alleen en de jaarrekeningen van de ontvanger-generaal stemmen precies overeen met de aantallen der in 1781 en 1783 uit "West-Indië" aangekomen schepen, vermenigvuldigd met het zojuist genoemde bedrag van 2½ stuiver per schip. Eigenaardig genoeg bevat de bron met de afzonderlijke inkomsten betreffende Amsterdam wel de "zuivere rendementen" over de Europese invoer --naast de "onzuivere"-- maar niet die over de "West-Indische". terloops is intussen gebleken dat in de jaarrekeningen enkel de "zuivere rendementen" genoteerd staan.

De bron met de afzonderlijke inkomsten betreffende Amsterdam stelt in staat om de verschillen tussen de totalen waarin de schepen uit Oost- en West-Indië begrepen zijn en die daarzonder te berekenen. Als die berekening over 1777-1780 wordt uitgevoerd, dan blijken de resulterende bedragen veel te hoog uit te vallen, vergeleken met wat bekend is over de V.O.C.-schepen in die jaren uit de administratie van het Paalgeld. Ik heb daarom aangenomen dat gedurende 1777-1780 de schepen uit "West-Indië" meetellen in de bedoelde verschillen en niet stilzwijgend zijn geregistreerd onder de Europese schepen in de bron met de afzonderlijke inkomsten betreffende Amsterdam.

Daar sinds 1781 de schepen uit "West-Indië" apart voorkomen in de registratie van de afzonderlijke inkomsten betreffende Amsterdam, is het voor de periode 1781-1794 mogelijk om de inkomsten uit de V.O.C.schepen alleen langs de zojuist aangegeven weg te berekenen. De resultaten laten evenwel niet toe om te veronderstellen dat onder de zo geconstrueerde rubriek meetellen de schepen die de Compagnie gehuurd heeft, naar uit de administratie van het Paalgeld blijkt. Ik heb daarom aangenomen dat deze schepen bij de afzonderlijk opgegeven inkomsten betreffende Amsterdam terecht gekomen zijn in de rubriek van schepen met een niet nader aangeduide herkomst, die over het algemeen alleen de schepen uit Europa zal hebben bevat.

Uitgaande van dit alles heb ik getracht in Bijlage III D een statistiek te bieden van de scheepvaart uit Oost- en West-Indië. Daar de aantallen lasten der door de V.O.C. gehuurde schepen bekend zijn, kan aan de hand van het vuurgeldtarief --verhoogd met één derde-- voor de categorie "Oost-Indië" de opbrengst van het Buitenvuurgeld voor die schepen worden berekend en naar de bedragen die de eigenlijke Oost-Indië-vaarders opleverden worden overgeheveld. Ook is aan de hand van dit tarief een berekening van de aantallen lasten der Oost-Indië-vaarders te maken.

Wat "West-Indië" aangaat ligt de zaak minder eenvoudig aangezien voor de rubriek "Guinee" een ander tarief gold dan voor "Amerika". Uit de registratie van de "West-Indische" schepen in de eerder vermelde "havenboeken" blijkt echter, dat te Amsterdam praktisch geen schepen uit Guinee binnenliepen. Dit rechtvaardigt het om ook in dit geval met één tarief te werken en overeenkomstige becijferingen als voor de V.O.C. te maken. Door de resultaten wordt het grote belang bevestigd van de invoer uit Amerika op het einde van de 18e eeuw, dat ook in de paalgeldcijfers naar voren komt.

De verkregen uitkomsten, waarvan ik het hypothetische karakter erken, heb ik vervolgens benut bij de berekening van de Amsterdamsche cijfers en de totalen in Bijlage III E. Daaruit zou dan tevoorschijn komen een daling van de inkomsten betreffende schepen uit Europa na 1780. Dit zou, gezien de gehanteerde tarieven wellicht wijzen op een achteruitgang van de scheepvaart uit verafgelegen gebieden in Europa.

Ook met betrekking tot het Buitenvuurgeld zijn "havenboeken" voor Amsterdam overgeleverd en wel over de jaren 17770-1780. Daarin zijn opgetekend per schip: datum, naam van de schipper, afvaarthaven, een doorgehaald cijfer (vermoedelijk een verwijzing naar een bladzij uit een ander register), het ontvangen bedrag en een van geval tot geval wisselende naam. Deze bij ieder schip vermelde naam nu blijkt bij vergelijking met de afzonderlijke jaaropgaven betreffende Amsterdam een convooiloper aan te duiden. In de opgaven worden deze lieden met name genoemd, telkens onder vermelding van de aantallen schepen, die zij blijkbaar "afgehandeld" hebben.

Uit dezelfde jaren 1777-1780 zijn havenboeken betreffende het paalgeld voorhanden. In beide soorten van "havenboeken" stemmen de data, de namen der schippers en die der afvaarthavens per schip volkomen met elkaar overeen. Ook de registers van het zg. "galjootsgeld", dat namens de Directie van de Oostersche Handel en Rederijen geheven werd van alle schepen die vanuit het Oostzeegebied Amsterdam bereikten, vertonen deze zelfde volstrekte overeenstemming in de gegevens.

Naar mijn mening vormen de paalgeld-, buitenvuurgeld- en galjootsgeldregisters nevenproducten van de verloren gegane dagelijkse registratie der Convoyen en Licenten van het Kantoor Amsterdam. Het Paalgeld kwam immers binnen via ambtenaren die met de inning van de Convoyen en Licenten waren belast, terwijl de convooilopers kennelijk het Buitenvuurgeld ophaalden en aan de ontvanger-generaal der vuurgelden afdroegen. Ik veronderstel dat zij de schakel zijn geweest, waardoor een gelijksoortige administratie van verschillende soorten invoerrechten --ook die van de Convoyen en Licenten-- tot stand is gekomen, aangezien zij zich belastten met de invordering van deze rechten.

Door Schöffer en onlangs ook door Knoppers is geconstateerd dat de data in de galjootsgeldsregisters altijd later liggen dan de data van aankomst van de betreffende vaartuigen in Amsterdam. Een peiling die ik verricht heb in de zeetijdingen in de Amsterdamsche Courant levert ten aanzien van de paalgeldregisters hetzelfde resultaat op. Soms gingen er maanden overheen eer de optekening in het paalgeldregister plaatsvond. De data in de belastingregisters moeten daarom verband houden met de administratie van de inning der verschuldigde rechten en niet met de scheepvaartbeweging als zodanig. Dit betekent dat de jaarcijfers die in de administraties van het Buitenvuurgeld en het Paalgeld niet de inkomende schepen per periode van 1 januari tot 31 december precies afspiegelen. Aangezien het handelsverkeer in de wintermaanden het minst frequent was, vormt dit waarschijnlijk geen groot bezwaar. Hetzelfde faseverschil moet m.i. voor de opbrengstcijfers der Convoyen en Licenten gelden.

Van meer belang is dat de aantallen schepen, die over de periode 1777-1794 in de administratie van het Buitenvuurgeld voorkomen vrijwel steeds hoger liggen dan de scheepvaartcijfers die Oldewelt heeft verzameld uit de Amsterdamsche Courant en de Nieuwe Nederlandsche Jaarboeken (Zie Bijlage III F). Het wonderlijkste verschil levert het oorlogsjaar 1781 op: volgens de statistiek van Oldewelt zijn in Vlie en Marsdiep 1322 schepen binnengekomen, maar er is voor 3150 schepen Buitenvuurgeld betaald. Ook als men rekening houdt met het verschil tussen aankomst en registratie past hier verbazing. De zaak wordt misschien minder vreemd als men ziet dat het buitenvuurgeld in 1781 buitengewoon weinig heeft opgebracht: dit zou kunnen wijzen op een overvloed aan kleine schepen die vanuit nabijgelegen havens Amsterdam bezochten.

Besluit

De lezer zal zelf al wel hebben bedacht wat er nog te schrijven valt. Nader onderzoek op het gebied van de scheepvaartbewegingen van Amsterdam in de 18e eeuw, van raadselen der Nederlandse handelsstatistiek en wat dies meer zij is uitermate wenselijk. Zulk een onderzoek is echter voor een hele reeks van jaren ook goed mogelijk door de aanwezigheid van "havenboeken", met name die van Amsterdam. Onder de rijkdommen van het Enkhuizense archief bevinden zich nog enkele die ik nog niet heb vermeld: over de jaren 1744-1748 zijn daar aanwezig registers van een lastgeld, dat is geheven door een contrarolleur, die namens Enkhuizen was verbonden aan het kantoor der Convoyen en Licenten te Amsterdam, van de inkomende scheepvaart.

Daarnaast merk ik op dat het aanbeveling verdient om alle seriële gegevens over de Nederlandse handelsstatistiek van voor het begin der geregelde moderne statistisch registratie in één publicatie samen te vatten, zowel wat het Zuiderzeegebied aangaat als de monden van de Maas, Schelde en Eems. Maar dan zou wel eerst nauwgezet dienen te worden nagegaan of niet in de Nederlandse archieven nog zulke gegevens schuil gaan zonder te zijn opgemerkt.



W.G. Heeres

Bijlage III

De jaarlijkse opbrengsten in guldens van het Buitenvuurgeld uit het einde der zeventiende en uit de achttiende eeuw.

A. Opbrengsten uit de havens in de nabijheid van Amsterdam
JaarZaandam/AlkmaarEdamMonnikendamNieuwendamMuidenTotaal
16972246     
16982789190    
1699  53
(1693/99)
   
       
17003304     
17012632     
17023916 3238 4157
17033363673262 3695
170425841032191 2880
1705 705194  
17063142832318 3545
       
17402859247762426105618
       
175627542841141958 5111
       
1759262020323158934439
17602482147911798 4517
       
17762213326 1071 3610
177720153296906 3256
177821672995855 3326
1779211139414746 3265
17801675232 731 2638
17812851872  474
1782441256   697
11262671642  2036
17841351345 560 2256
17851379246 614 2239
178613352812618 2236
178713423183587 2250
178812933224613 2232
178913803192655 2356
17901203485 589 2277
1791108543511540 2071
17921173340  5341642211
179382838351422431601
1794107132155061472050
1795163161  1315
       
1798137135   272

B: Opbrengsten uit de Westfriese havens
JaarEnkhuizenMedemblikHoornTotaal
1697173   
169884315115202514
1699269 1423 
     
1702315187  
1703373 603(1063)
17045001761187(1774)
1705339178  
17062994178851601
     
1740295437438764
     
175640231480913
     
1759671217051396
1760942406981680
     
17769992714471717
177732621510171608
17787761644321372
17798391304931462
17807321931731098
178112202961
178230263086
1783175173102450
17848111504461407
17851015847461845
178627210289463
17875071346121253
178825113061442
1789921505231494
1790558106314978
17916291613221112
179216461116341
1793814336861533
1794961225133
1795152 17

C: Opbrengsten aan het Vlie en het Marsdiep
Jaar't VlieTerschellingTexel/Den HelderTotaal
1698294
(19-7'96/13-4-'98)
 38
(15-5-'96/2-5-'98)
95
(1-6-'96/16-4-'98)
 
1699 22
(4-12-'98/16-8-'99)
  
     
1701  684
(1-6-1700/31-12-01)
 
1702 9  
1703325
(31-8-'02/18-8-'03)
8242
(31-3-'02/8-10-03)
(483)
17041051088360
170516147431424
170649410513591958
     
1740457123175
     
1756941015341638
     
175989 24382527
17608313805901
     
1776624330396
1777577584648
17781122564678
1779501266681195
178032134600955
178117534325534
178220838215461
1783550144741038
17843922239633
178555036051158
17864328254694
17874527285744
178836416283663
1789338226461006
1790419275691015
1791385245931002
1792423655331021
1793407677481222
17945762198941689
179515282282516
     
1796104140202446

D: Invoer uit Oost- en West-Indië
 "Zuivere rendementen"Berekende aantallen lasten
jaarWest IndiëV.O.C.TotaalWest IndiëV.O.C.Totaal
1777  8246   
1778  8001   
1779  9311   
1780  12050   
1781684 6841718 1718
17821255708196331526643816
1783689381277051723276217994
178450554633968812689434617035
178540804414849410238414014378
178647754809958411982451116493
17873753482785809414452813942
17883164552086847935517813113
178939438171121149893766517558
179048464423926912159414916308
1791469954731017211792513416926
17923834411179459619385713476
1793207436605734521134338644
1794518638155671301835813376

E: Opbrengsten in Amsterdam, subtotalen,totalen
JaarBij AmsterdamWest-FrieslandZeegatenTotaal
buiten Amsterdam
Amsterdam
met W.I en VOC
Amsterdam
zonder W.I. en VOC
Totaal
met W.I. en VOC
Totaal
zonder W.I. en VOC
1698 2514  24314   
1699    23857   
         
1701    25613   
17024157       
170336951063483524115784 21025 
170428801774360501415980 20994 
1705  424     
1706354516011958710420217 27321 
         
17405618764176655822475 29033 
         
175651119131638766221545 29207 
         
1759443913962525836324835 33198 
176045171680900709725193 32290 
         
177636101717396572325240 30963 
177732561608648551224734164883024622000
177833261372678537625538175373091422913
1779326514621195591324914156033082721516
178026381098955469128423163733311421064
17814746153410698633794997029018
178269786461124414244122811548813525
178320364501038352421371136662489517190
178422561407633429622530128422682617138
1785223918451158524223164146702840619912
17862236463694339321722121382511515531
178722501253744424721558129782580517225
17882232442663333721098124142443515751
1789235614941006485624018119042887416760
179022779781015427024290150212856019291
1791207111121002418522073119012625816086
179222113411021357323343153982691618971
1793160115331222425616052103182040814674
179420501331689387219733141662360518038
1795315175168488925 9773 
         
1798272 4467187258 7976 

F: Aantallen in de haven van Amsterdam binnengekomen schepen
 Schepen waarvan te Amsterdam
Buitenvuurgeld is geheven
Bij Texel en Vlie binnengekomen schepen
volgens contemporaine gegevens uit de pers
jaarUit EuropaUit West IndiëTotaal
1777  3183 
1778  34282582
1779  30692650
1780  30682641
178131242631501322
178235654636112060
1783280721130182760
1784259816227602487